Conclusie
1.Feiten en procesverloop
(1) het
ComManusproject, dat was gesubsidieerd door (toenmalig) de Europese Gemeenschap onder het zgn. CRAFT-programma;
(2) het
ComManus Transparantproject, waarvoor TNO de binnen het ComManus ontwikkelde software zou doorontwikkelen en bug vrij zou maken, en waarvoor door Exact Dynamics € 40.000, – aan TNO is betaald;
(3) het
AMORproject, gericht op onder meer het ontwikkelen van een extra gewicht in de robotarm en van een nieuwe grijper, ook met subsidie van de Europese Gemeenschap onder het CRAFT-programma, waarvoor door Exact Dynamics op 23 april 2003 en op 16 juni 2005 in totaal € 285.970, – is betaald aan TNO;
(4) het
i-MEMO 1 en 2programma, dat betrekking had op krachtontwikkeling van de robotarm en op camerasturing;
(5) het
Vision op de ARMproject betreffende de doorontwikkeling van Visual Servoing en Force Feedback en onderzoek naar een Human-Machine Interface en waaraan door Exact een bedrag van € 20.000, – is bijgedragen; en
(6) het
ACRE 1en
ACRE 2project dat zag op het onderzoek naar een therapierobot die patiënten die een cardiovasculair accident hadden gehad, zou helpen bij hun revalidatie. De overeenkomsten daartoe zijn gesloten in mei 2005 en januari 2006. Exact Dynamics heeft aan laatstgenoemde twee onderzoeken respectievelijk € 80.000, – en € 50.000, – bijgedragen.
ComManus Transparant,
Vision op de ARM,
i-MEMO 1 en 2en
ACRE 2.
Aan deze vordering heeft TNO ten grondslag gelegd dat zij uit hoofde van de aan Exact Dynamics verzonden declaraties recht heeft op het nog niet uitgekeerde deel van de Europese subsidies. [3]
- ontbonden verklaring althans ontbinding van de tussen Exact Dynamics en TNO gesloten overeenkomsten;
- veroordeling van TNO tot terugbetaling van hetgeen Exact Dynamics ter uitvoering van deze overeenkomsten aan TNO heeft betaald;
- vergoeding van schade nader op te maken bij staat.
in conventie:
- Exact Dynamics veroordeeld tot betaling aan TNO van € 135.859,24 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 251.859,24 vanaf 30 augustus 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat de hoofdsom waarover rente wordt berekend moet worden verminderd met € 28.500,– op 22 februari 2007 en met € 87.500,– op 1 augustus 2007 en het meer of anders gevorderde afgewezen;
in reconventie:
- verklaard dat de overeenkomst van 11 maart 2003 met betrekking tot het project ComManus Transparant is ontbonden;
- verklaard dat de overeenkomst van 15/18 februari 2005 voor zover die betrekking heeft op het project i-MEMO 2 is ontbonden;
- verklaard dat de overeenkomsten van 14/18 mei 2004 en 3 januari 2006 met betrekking tot de projecten ACRE 1 en 2 zijn ontbonden en het meer of anders gevorderde afgewezen.
in conventie:
de vordering van TNO afwijst, althans opschort, wegens het beroep op verrekening met de schadevergoedingsverplichting van Exact Dynamics;
in reconventie:
(a) voor recht verklaart dat het contract tussen TNO en RTD inzake i-MEMO 1 rechtens moet worden beschouwd als overeenkomst tussen TNO en Exact Dynamics;
(b) ontbonden verklaart de overeenkomsten tussen Exact Dynamics en TNO inzake de projecten AMOR, i-MEMO 1, i-MEMO 2 (ook wel i-MEMO-uitbreiding), ComManus Transparant, RVVZ, ACRE 1 en ACRE 2, wegens een toerekenbare tekortkoming van TNO;
(c) voorwaardelijk, namelijk voor zover de vordering onder (a) wordt afgewezen, voor recht verklaart, dat de tekortkomingen van TNO in de uitvoering van die overeenkomst een onrechtmatige daad oplevert jegens Exact Dynamics en TNO uit hoofde daarvan schadeplichtig is jegens Exact Dynamics;
(d) TNO veroordeelt tot terugbetaling van hetgeen Exact Dynamics uit hoofde van de overeenkomsten heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW van de dag der betaling tot aan die volledige afdoening, althans tot betaling van hetgeen TNO uit hoofde van haar verplichting tot ongedaanmaking op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid dient te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente van art. 6:119a BW;
(e) TNO veroordeelt tot vergoeding van de schade die Exact Dynamics heeft geleden als gevolg van de wanprestaties van TNO in de onder (b) bedoelde projecten, dan wel wegens onrechtmatige daad als bedoeld onder (c), nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; en
(f) voor recht verklaart, dat aan TNO hierbij geen beroep op artikel 17 van Pro de algemene voorwaarden voor cofinancieringsovereenkomsten toekomt; subsidiair dat voor de projecten die formeel zijn uitgevoerd onder de cofinancieringsvoorwaarden geldt, dat de schadevergoeding gelijk is aan het bedrag, dat op grond van de ongedaanmakingsverplichting dient te worden terugbetaald, te vermeerderen met de wettelijke rente van art. 6:119a BW daarover vanaf de datum van de ontbinding van de desbetreffende overeenkomst.
(i) voor recht verklaart dat TNO niet jegens Exact Dynamics tekort is geschoten bij de uitvoering van de projecten AMOR, i-MEMO 1 en -2, Commanus Transparant, RVVZ, ACRE 1 en 2;
(ii) Exact Dynamics veroordeelt om aan TNO binnen veertien dagen na het te dezen te wijzen arrest een bedrag van € 251.859,24 te betalen (de openstaande betaling inzake project AMOR), (iii) vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW, berekend vanaf 30 augustus 2006 tot aan de dag der algehele voldoening; en
(iv) Exact Dynamics veroordeelt om aan TNO een bedrag van € 98.000,– te betalen (het totale openstaande bedrag inzake projecten Commanus Transparant, i-MEMO 2 en ACRE 2).
Daarna heeft hof bij tussenarrest van 14 juni 2016 een meervoudige comparitie van partijen gelast, die op 6 maart 2017 heeft plaatsgevonden.
- de vonnissen waarvan beroep van (thans) de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 21 november 2007, 16 juli 2008, 28 maart 2012, 20 maart 2013, 15 mei 2013, 16 oktober 2013, 30 juli 2014 en 5 november 2014 vernietigd en opnieuw rechtdoende:
- voor recht verklaard dat TNO niet jegens Exact Dynamics tekort is geschoten bij de uitvoering van de projecten AMOR, iMemo1 en 2, ComManus Transparant, RVVZ [10] , ACRE 1 en 2;
- Exact Dynamics veroordeeld aan TNO te betalen: een bedrag van € 251.859,24 (de openstaande betaling inzake project AMOR) binnen veertien dagen na datum arrest, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 augustus 2006, tot de dag van betaling; en
- Exact Dynamics veroordeeld aan TNO te betalen: een bedrag van € 98.000,–, (te weten het totale openstaande bedrag van de projecten ComManus Transparant, i-MEMO 2 en ACRE 2) binnen veertien dagen na datum arrest, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 26 maart 2008, tot de dag van betaling.
TNO heeft geconcludeerd tot verwerping.
Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Exact Dynamics heeft gerepliceerd en daarbij een verklaring van [betrokkene 1] overgelegd.
TNO heeft een (aangepaste) nota van dupliek genomen. [12]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 2.1-Iais gericht tegen rov. 4.9 van het tussenarrest, waarin het hof het volgende heeft geoordeeld (ik citeer tevens rov. 4.8):
idat indien en voor zover uit rov. 4.9 van het tussenarrest, en dan in het bijzonder uit de volzin “het thans overgelegde dossier voorziet daarin in onvoldoende mate”, zou moeten worden afgeleid dat hetgeen Exact Dynamics bij memorie van grieven en bij memorie van antwoord in incidenteel appel omtrent die bedoeling van partijen heeft aangevoerd onvoldoende is om ter zake aan haar stelplicht te voldoen, het oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting gelet op art. 149 Rv Pro, althans dat het oordeel onbegrijpelijk is. De klacht betoogt daartoe – samengevat – dat in de memorie van grieven expliciet is gesteld wat het doel is (randnummer 65), waarom er sprake is van feitelijke samenhang en waaruit dat blijkt en wat dit voor consequenties heeft (randnummers 66 tot en met 75), uitmondend in een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (randnummer 76). [14]
Het hof heeft allereerst in de geciteerde rov. 4.8, die in cassatie niet is bestreden, geoordeeld dat de samenhang tussen de door partijen overeengekomen projecten “niet uitdrukkelijk [blijkt] uit de tekst van de tussen partijen gesloten overeenkomsten”. Daarom zal het hof, aldus nog steeds de in cassatie onbestreden rov. 4.8, aan de hand van de Haviltex-maatstaf moeten vaststellen wat de inhoud is van hetgeen tussen partijen is overeengekomen waar het om de samenhang van de projecten en hun inhoud gaat. Omdat dit een andere aanpak is, stelt het hof partijen in de gelegenheid hun stellingen en weren daarop aan te passen.
iidat het hof heeft miskend, althans in elk geval onbesproken laat, dan wel in rov. 2.1-2.5 van het eindarrest niet kenbaar meeweegt bij de beoordeling, of er sprake is van samenhangende overeenkomsten, hetgeen Exact Dynamics daaromtrent reeds bij memorie van grieven in randnummers 60 tot en met 75 heeft gesteld.
waaromhet oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Dat betekent in het onderhavige geval dat met verwijzing naar concrete vindplaatsen in de processtukken door Exact concrete verklaringen en/of gedragingen van TNO moeten worden vermeld en vervolgens specifiek moet worden toegelicht waarom die verklaringen/of gedragingen van TNO kunnen bijdragen aan de gerechtvaardigde verwachting van Exact dat sprake is van één overkoepelende juridische samenhang van de verschillende overeenkomsten.
De klacht voldoet m.i. niet aan de gestelde vereisten.
- wordt onder d een beroep gedaan op input van [betrokkene 2] voor het projectvoorstel AMOR en nadien gewisselde e-mails. In randnummer 16 van haar akte na tussenarrest trekt Exact Dynamics uit deze stukken de conclusie dat TNO, in de persoon van [betrokkene 2] , zich er bij uitstek van bewust was dat het welslagen van het AMOR-project van (levens)belang zou zijn voor ED en dat beoogd werd dat na 1 jaar (sept. 2005) na het project de eerste producten zouden moeten worden verkocht. Dat is evenwel een ander aspect dan de door het hof bedoelde juridische samenhang van de tussen partijen bestaande overeenkomsten;
- hebben de stellingen en toelichting die worden genoemd in nummer f [18] , betrekking op de DOW en hetgeen daarover is vermeld in de randnummers 18 en 19 van de akte na tussenarrest. Samengevat wordt gesteld dat in de DOW het einddoel concreter is geformuleerd. Dit betreft geen toelichting waaraan Exact Dynamics de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen ontlenen dat sprake is van één overkoepelende juridische samenhang van de verschillende overeenkomsten;
- wordt onder g verwezen naar o.a. randnummers 21 tot en met 28 van de akte na tussenarrest over i-MEMO 1. In randnummer 24 wordt gesteld dat “Het feit dat ED bereid was om te investeren om meer & sneller te doen, met zich mee[brengt] dat i-Memo zonder meer in de sleutel van AMOR en dus met het AMOR-project in feitelijke en juridische samenhang moet worden gezien. Het gaat ook over de zelfde onderwerpen.” Ook hier wordt niet toegelicht waaraan Exact Dynamics de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen ontlenen dat sprake is van één overkoepelende juridische samenhang van de verschillende overeenkomsten;
- wordt onder h verwezen naar randnummers 29 tot en met 35 van de akte na tussenarrest waarin volgens de toelichting op de klacht aandacht wordt besteed aan hoe partijen met elkaar aan de slag zijn gedaan. Daarbij wordt opgemerkt dat in voormelde randnummers aandacht wordt besteed aan het feit dat werkzaamheden en de presentaties die TNO gaf, er blijk van gaven dat het om één samenhangend project gaat, te weten dat het AMOR-project zou moeten leiden tot een werkend prototype dat nog maar één stap verwijderd was van vermarkting en exploitatie. De beschrijving van die werkzaamheden en presentaties is m.i. niet alleen te algemeen, maar bevat ook niet de door het hof verlangde specificatie als hierboven omschreven
- wordt onder i verwezen naar randnummer 34 van de akte na tussenarrest waarbij vervolgens de inhoud van randnummer 34 nagenoeg woordelijk is opgenomen zonder dat wordt uitgelegd waarom het oordeel van het hof onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd. Er wordt hiermee niet voldaan aan de aan een klacht te stellen eisen;
- bevat hetgeen onder j, k en l wordt vermeld een onvoldoende specifieke toelichting waarom het oordeel van het hof onjuist is;
- voldoet hetgeen onder m is opgenomen niet aan de aan een klacht te stellen eisen. Aldaar wordt verwezen naar randnummers 73 tot en met 80 waarbij vervolgens, zoals bij i, de inhoud van deze randnummers in de toelichting op de klacht bijna woordelijk wordt weergegeven, zonder dat wordt uitgelegd waarom het oordeel van het hof onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd; en
- ziet de onder n verwoorde klacht eraan voorbij dat het hof in rov. 4.8 van het tussenarrest (in cassatie onbestreden) heeft geoordeeld dat de door Exact Dynamics gestelde samenhang niet uitdrukkelijk uit de tekst van de tussen partijen gesloten overeenkomsten blijkt en dat het hof aan de hand van de Haviltex- maatstaf de inhoud van hetgeen partijen zijn overeengekomen zal vaststellen wat betreft de samenhang van de genoemde overeenkomsten en hun inhoud.
Hij onderscheidt vervolgens vijf gevallen waarin samenhang wordt aangenomen niettegenstaande de formele scheiding van de verschillende overeenkomsten tussen dezelfde partijen, te weten: specifieke wettelijke regelingen, zoals (art. 7:101 BW Pro) [28] ; voortbouwende overeenkomsten (art. 6:229 BW Pro) [29] ; uitleg of kwalificatie als één omvattende overeenkomst [30] ; expliciete (specifieke) samenhang; daarvan is sprake indien als partijen in de overeenkomst expliciet bepalen dat er een samenhang is [31] ; en impliciete (specifieke) samenhang op grond van kwalificatie en redelijkheid en billijkheid.
doorwerktin een daarmee samenhangende rechtsverhouding, gelet op het uitgangspunt dat overeenkomsten alleen partijen binden, specifiek dient te zijn gemotiveerd (zie hierboven onder 2.19).
Subonderdeel 2.1-IIcalsmede
subonderdeel 2.1-IIIbouwen voort op subonderdeel 2.1-IIb en delen derhalve in het lot daarvan.
Dit betekent dat subonderdeel 2.1-II en subonderdeel 2.1-III niet tot cassatie leiden.
Dat is m.i. niet het geval (zie hierboven). De subonderdelen falen dus.
Daarvan is evenwel geen sprake.
“Voorwaarden voor cofinanciering die als bijlage aan deze Overeenkomst zijn gehecht en daarvan integraal deel uitmaakt”.Daaruit volgt dat op deze overeenkomsten de cofin voorwaarden van toepassing zijn, en dat geldt, gelet op artikel 6:232 BW Pro, ook waar het betreft i-MEMO 1 (uitgebreid) nu gesteld noch gebleken is dat tegen die toepasselijkheid door Exact bezwaar is gemaakt. Tegen die achtergrond valt zonder deugdelijke redenering – die ontbreekt – ook niet in te zien dat het beroep van TNO op die voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat kan, zonder deugdelijke uitleg, in ieder geval niet volgen uit een enkele verwijzing naar "de hiervoor gereleveerde feiten en omstandigheden" (MvG randnummer 76), zonder dat klip en klaar duidelijk wordt gemaakt op welke feiten en omstandigheden Exact dan precies het oog heeft. In ieder geval kan een beroep op de in de memorie van grieven onder randnummer 74 sub 1 tot en met 9 opgesomde feiten en omstandigheden zonder duidelijke onderbouwing - die ontbreekt - nog niet de conclusie dragen dat het beroep van TNO op de Cofin-voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Overigens zal hierna uit de bespreking van de grieven in het incidenteel hoger beroep blijken dat het belang aan deze grief is ontvallen. (curs. hof).
Subonderdeel 2.2-IIklaagt verkort weergegeven dat het hof een onjuiste en onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan grief 1 van Exact Dynamics in het principaal appel omdat in de memorie van grieven ook is aangevoerd dat i-MEMO 1 en i-MEMO 2 “door nawerking” tevens wordt “gekleurd” door de AMOR-overeenkomst.
Subonderdeel 2.2-IIIklaagt in de kern dat het hof een – niet nader geduid – gewicht heeft toegekend aan de stelling van TNO dat Exact Dynamics zelf een beroep op de Cofin-voorwaarden heeft gedaan.
Volgens
subonderdeel 2.2-IVaheeft het hof in rov. 2.8 van het eindarrest miskend dat Exact Dynamics haar beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid bij memorie van antwoord in incidenteel appel nog heeft toegelicht.
Subonderdeel 2.2-IVbklaagt dat genoemd oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van lezing van randnummer 76 van de memorie van grieven.
Subonderdeel 2.2-IVcklaagt tot slot dat het hof met zijn oordeel in rov. 2.8 een onbegrijpelijke uitleg van de memorie van grieven/ memorie van antwoord in incidenteel appel heeft gegeven dan wel onbesproken laat.
Het in eerste aanleg gedane beroep van TNO op de voorwaarden van cofinanciering betreft het daarin opgenomen artikel 17, dat een exoneratiebeding [34] bevat. Exact Dynamics heeft daartegen (onder meer en voor zover thans van belang) het verweer gevoerd dat het beroep van TNO in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank heeft in haar eindvonnis het beroep van Exact Dynamics op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid afgewezen (rov. 2.4) en geoordeeld dat TNO een beroep toekomt op artikel 17 van Pro de cofinancieringsvoorwaarden, waardoor de door TNO te betalen schadevergoeding in verband met i-MEMO 2 (en ACRE 1 en ACRE 2) is beperkt tot de directe schade van Exact die het rechtstreekse gevolg is van een aan TNO verwijtbare tekortkoming in de uitvoering van de projecten tot ten hoogste het bedrag van de bijdrage van Exact in de kosten van het onderzoek in de betreffende categorie (rov. 2.5). Vervolgens heeft de rechtbank het betoog van TNO weergegeven, uitgaande van artikel 17 van Pro de cofinancieringsvoorwaarden, inzake verwijtbaarheid, rechtstreeks gevolg, directe schade en maximering van de schade. Omdat, aldus de rechtbank in rov. 2.7, Exact Dynamics heeft volstaan met te betogen dat aan TNO geen beroep op artikel 17 van Pro de cofinancieringsvoorwaarden, toekomt, heeft de rechtbank de vorderingen van Exact die ertoe strekken TNO tot schadevergoeding te veroordelen ter zake van de uitvoering van de projecten i-MEMO 2 en ACRE 1 en 2, afgewezen.
Exact Dynamics heeft tegen deze oordelen de grieven 17-19 gericht. Dienaangaande heeft het hof geoordeeld dat Exact geen belang heeft bij behandeling daarvan.
Met het oog daarop kom ik aan het slot van mijn conclusie op de subonderdelen 2.2-II tot en met 2.2-IV terug.
Daarnaast heeft de rechtbank in de door grief 3 aangevallen bestreden rov. 4.5 het volgende geoordeeld:
Het oordeel van het hof is dus niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Volgens
subonderdeel 2.4-Ibetreft het (ook) hier een verweer tegen een vordering van TNO, waarbij de betwisting van Exact is dat zij de gedeclareerde werkzaamheden zelf heeft verricht zodat – andermaal – de rechtsgrond wordt betwist van de vordering van TNO op dit vlak.
Voor zover het subonderdeel al een klacht bevat, voldoet deze niet aan de eisen.
De klacht faalt omdat (i) het hof heeft geoordeeld dat Exact haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd en (ii) zich niet richt tegen de andere dragende grond dat Exact onvoldoende heeft gesteld met betrekking tot bedragen en wijze van berekening.
Voorts wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat als een productie een deugdelijk overzicht en onderbouwing biedt van het gestelde, de goede procesorde met zich brengt dat die productie volledig onderdeel uitmaakt van de gedingstukken en inhoudelijk moet worden beoordeeld als onderdeel uitmakend van de door een procespartij ingenomen stellingen, mede omdat voor de wederpartij duidelijk is op welke wijze zich ertegen te verweren en voor de gerechtelijke instantie waartoe de ingenomen stellingen strekken. [37]
Zoals hierboven onder 2.6 reeds vermeld, is vaste rechtspraak dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan. De enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept.
Wat betreft grief 6 kan daaraan overigens worden toegevoegd dat de door Exact aan de orde gestelde intellectuele eigendomsrechten met betrekking tot de know-how voorwerp is van een afzonderlijke procedure tussen partijen.”
omdatover de intellectuele eigendomsrechten een andere procedure aanhangig is. Voor zover het hof zou hebben gemeend dat het ambtshalve over het belang had mogen oordelen, gaat het hof, aldus het subonderdeel uit van een onjuiste rechtsopvatting.
Daarnaast wordt geklaagd dat het oordeel van het hof innerlijk tegenstrijdig is, omdat het hof in rov. 2.8, 2.9, 2.11, 2.12, 2.14, 2.17, 2.18 en 2.19 heeft geoordeeld dat uit de overgelegde producties onvoldoende duidelijk zou zijn geciteerd, terwijl het hof hier nu juist uit de overgelegde notitie eigenhandig een passage licht, waarop TNO geen beroep heeft gedaan. Het hof maakt zich, aldus Exact, schuldig aan een verboden aanvulling van de feiten en treedt buiten het debat van partijen en schendt art. 24 Rv Pro.
Tot slot wordt geklaagd dat, voor zover het hof impliciet heeft geoordeeld dat de tweeconclusieregel aan deze aanvulling in de weg zou staan, het hof heeft miskend dat aanvulling van grieven in een later processtuk is toegestaan (voor zover het nadere invullingen betreft van het door de grieven ontsloten gebied) en dat het hof door het overwogene in rov. 4.9 van het tussenarrest partijen in de gelegenheid heeft gesteld om de stellingen aan te passen en nader te onderbouwen, zodat hetzij daarmee die tweeconclusieregel in het geheel niet geldt, hetzij die in dit verband uitzondering leidt.
Het oordeel is ook niet onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Grief 7 luidt dat de rechtbank ten onrechte in rov. 4.14 van het tussenvonnis van 21 november 2007 overweegt, dat aan de notitie van TNO van 17 januari 2005 geen betekenis kan worden toegekend, omdat als voorwaarde voor de uitvoering van de werkzaamheden was aangegeven dat daarvoor subsidie nodig is en dat niet is gebleken dat een dergelijke subsidie is verleend.
nade notitie van 17 januari 2005, onvoldoende om te kunnen concluderen dat de in de interne notitie bedoelde subsidie is verleend.
de bezwaren die Exact Dynamics tegen de uitvoering en afwikkeling door TNO van het AMOR-project heeft, zijn verworpen” en dat het “
dus om de andere projecten” gaat, tegen welke conclusie door Exact overigens niet afzonderlijk met een grief is opgekomen. Hiervoor zijn de tegen de overwegingen 4.2 – 4.11 aangevoerde grieven reeds verworpen, zodat de grieven 9 en 10 geen beoordeling meer behoeven.” (curs. hof).
Deze klacht faalt reeds op de grond dat deze tegen een overweging ten overvloede is gericht.
onderdeel 2.9bevat enerzijds een voortbouwklacht tegen rov. 2.9 van het eindarrest in het licht van onderdeel 2.1 en loopt anderszins vooruit op de onderdelen 2.13 tot en met 2.17. Laatstgenoemde klacht komt hierna aan de orde.
grieven 13 en 14bestrijden het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 16 oktober 2013 dat de vordering tot ontbinding van enige overeenkomst die betrekking heeft op i-Memo 1 project moet worden afgewezen, nu Exact bij die overeenkomst geen partij is, en zij dus ook in verband met deze overeenkomst geen schade heeft geleden.
in het kader van het I MEMO project, een project waarvoor u TNO-RTD de opdracht geeft onderzoek en ontwikkelingswerk uit te voeren(...)”). Dat Exact in datzelfde briefje de bereidheid uitspreekt kosten te vergoeden, duidt op zichzelf er nog niet op dat zij meende dat RTD in haar naam optrad - dus als haar vertegenwoordiger - ter zake van het i-Memo I project. In lijn daarmee begrijpt het hof ook de als productie 42 door Exact overgelegde factuur van RTD aan haar van 3 juni 2003 (
'voor u betaalde kosten inzake I-MEMO project fase 2'), de factuur van 3 juni 2003 en de factuur van 19 mei 2005. Voorts wordt door TNO gewezen op de begeleidende brief van RTD aan TNO waarin zij schrijft geïnteresseerd te zijn om te participeren in het onderzoek i-Memo 1. Onder verwijzing naar het als productie 18 overgelegde verslag van 30 juni 2003 wijst TNO op de inhoudelijke betrokkenheid van RTD. (curs. hof).
Voorts wordt geklaagd dat het bovendien onbegrijpelijk is dat het hof oordeelt dat Exact slechts “een rol speelde in dit traject”, maar dat dit onvoldoende is dat TNO redelijkerwijs begrepen zou hebben dat RTD niet in eigen naam maar namens Exact contracteerde.
Tot slot wordt – verkort weergegeven – geklaagd dat TNO in haar memorie van antwoord (randnummers 3.45, 3.46 en 3.48) concludeert dat de zienswijze van Exact onjuist is, maar zich daarbij uitsluitend op de letterlijke tekst beroept maar niet betwist hetgeen Exact met betrekking tot de daadwerkelijke bedoeling van partijen heeft gesteld [43] en waarvan Exact bewijs heeft aangeboden. Het hof had volgens het subonderdeel dan ook toepassing gevend aan art. 149 Rv Pro hetzij het door Exact gestelde als vaststaand moeten aannemen, dan wel dit voorshands bewezen moeten achten met het opdragen van tegenbewijs aan TNO dan wel het voldoende gespecificeerd en ter zake dienend bewijsaanbod van voetnoot 14 in combinatie met dat van randnummer 150 memorie van grieven moeten honoreren.
In
subonderdeel 2.10-IIIwordt laatstgenoemde klacht herhaald.
waaromeen stelling een essentiële stelling is. [45]
Verder heeft Exact niet verduidelijkt waarom de stellingen in randnummer 23 en 24 van de akte na tussenarrest en in randnummer 93 van de memorie van grieven, die erop neerkomen dat RTD als “formele contractspartij” om “subsidietechnische redenen” er tussen is geschoven, essentiële stellingen zijn in het licht van de toepasselijke norm en waarom die stellingen tot een ander oordeel van het hof zouden moeten leiden.
Ten tweede wordt geklaagd dat het hof de devolutieve werking van het appel miskent, omdat Exact in haar conclusie van antwoord in reconventie (randnummers 58 tot en met 63) en bij wege van incident in eerste aanleg een voorschot op schadevergoeding heeft gevorderd.
Grief 15
155. De schade vloeit dus ook voort - zo men wil: samen - de schade die door de tekortkomingen in de overige projecten zijn geïdentificeerd. Vision op de ARM had moeten leiden tot realisatie van vision control zoals oorspronkelijk overeengekomen.”
Vision op de ARMen de daaraan gekoppelde schadevergoeding nader op te maken bij staat. In de toelichting op de tegen deze overweging gerichte grief vult Exact Dynamics haar stelplicht in door (enkel) te verwijzen naar (i) een bij memorie van grieven overgelegde productie (randnummer 153), (ii) hetgeen in het voorgaande omtrent
inspanningen van TNOis opgemerkt (randnummer 154) en (iii) de slotsom dat de gestelde schade
dusvoortvloeit uit de tekortkomingen (welwillend gelezen: van TNO) in de overige projecten (randnummer 155).
Zoals het hof terecht en begrijpelijk oordeelt, is aldus voor appelrechter en wederpartij onvoldoende duidelijk op grond van welke tekortkoming aan de zijde van TNO verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd.
De klacht faalt dus.
ComManus Transparantgeoordeeld dat Exact heeft gesteld dat zij TNO in gebreke heeft gesteld omdat er geen eindverslag is gemaakt en de software niet in een eindfase is getoetst, dat Exact voorts heeft aangekondigd dat zij de overeenkomst als ontbonden zou beschouwen als de gebreken niet binnen de gegeven termijn zouden zijn opgelost en dat TNO daarop niet adequaat heeft gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens in rov. 4.16 overwogen dat de overeenkomst is ontbonden en dat Exact in beginsel aanspraak heeft op terugbetaling van het ter uitvoering van deze overeenkomst betaalde bedrag van
€ 40.000,–.
ComManus Transparantdus gesteld dat TNO in een tweetal opzichten in gebreke was: er is geen eindverslag gemaakt en de software is niet in een eindfase getoetst.
Subonderdeel 2.13-IIIen
subonderdeel 2.13-IVklagen – zakelijk weergegeven – dat (i) de deskundige door de rechtbank (slechts) is benoemd om de waarde te bepalen die de prestatie van TNO voor Exact had in het kader van een ongedaanmakingsverplichting, (ii) het hof het deskundigenrapport gebruikt voor een doel (namelijk beoordelen van de vraag of sprake is van een toerekenbare tekortkoming) waarvoor het niet is bestemd, waarbij (iii) het hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijk verwijst naar randnummer 96 van de memorie van antwoord in incidenteel appel en op basis daarvan concludeert dat Exact aanknoopt bij het rapport van de deskundige en (iv) waarbij het hof zich kennelijk vrij acht om te “grasduinen” door de producties.
Ik bespreek deze klachten hierna gezamenlijk.
De subonderdelen stuiten hierop af.
Onderdeel 2.14is gericht tegen rov. 2.44 van het eindarrest waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
Subonderdeel 2.14-Ibouwt voort op onderdeel 2.13 en deelt in het lot daarvan.
Subonderdeel 2.14-IIklaagt in de eerste plaats dat het oordeel van het hof zonder nadere toelichting die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Zakelijk weergegeven wordt geklaagd dat nu het project ComManus Transparant ertoe diende om de software onder ComManus bugvrij te maken, de enkele constatering dat er nog bugs waren, voldoende is om aan te nemen dat er niet deugdelijk is nagekomen.
Subonderdeel 2.14-IIIis een voortbouwklacht en behoeft geen zelfstandige bespreking.
Onderdeel 2.15is gericht tegen rov. 2.46 en rov. 2.50-2.51 van het eindarrest, waarin het hof over
i-MEMO-2als volgt heeft geoordeeld:
2.24. De conclusie is dat de tekortkomingen van TNO de ontbinding van de overeenkomst van 15/18 februari 2005 (productie 13a bij akte van 4 juli 2007) voor zover die ziet op het project i-Memo 2 rechtvaardigen en dat TNO aansprakelijk is voor de schade die Exact Dynamics ten gevolge van de tekortkomingen heeft geleden."
2.16. De tekortkomingen van TNO rechtvaardigen de ontbinding van de overeenkomst van 15/18 februari 2005 voor zover die ziet op het project i-Memo 2 (tussenvonnis 16 oktober 2013, rechtsoverweging 2.24). Deze overeenkomst is ontbonden met de brief van 1 januari 2007 inzake dit project en wel per 22 februari 2007 (zes kalenderweken na de datum van de brief). De vordering tot betaling van de onbetaald gebleven contractprijs (eisvermeerdering) wordt daarom tot een bedrag van € 25.000,- afgewezen. TNO is gehouden tot ongedaanmaking van de betaling door Exact Dynamics van € 45.000.-. Exact Dynamics is gehouden tot vergoeding van de waarde van hetgeen TNO wel heeft geleverd. Volgens het antwoord van de deskundige op vraag 7, waarop de rechtbank zich zal baseren (tussenvonnis 16 oktober 2013. rechtsoverweging 2.23), bedraagt die waarde € 16.500,-."
4.8. verklaart dat de overeenkomst van 15/18 februari 2005 voor zover die betrekking heeft op het project i-Memo 2 is ontbonden."
Subonderdeel 2.15-Iklaagt dat het oordeel van het hof in rov 2.46 onbegrijpelijk is omdat de rechtbank in rov. 4.18 van het tussenvonnis van 21 november 2017 de gestelde tekortkomingen heeft beschreven. Volgens Exact heeft TNO een groot deel van de in het kader van project i-Memo 2 toegezegde werkpakketten niet of niet naar behoren geleverd, hetgeen het hof onbesproken laat en niet (kenbaar) toetst.
Subonderdeel 2.15.IIklaagt – zakelijk weergegeven – dat het onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 2.50 productie A12 buiten beschouwing laat, maar vervolgens wel te rade gaat bij een niet op de juiste grondslag tot stand gekomen deskundigenbericht waarvan het hof vaststelt dat het summier is. Volgens Exact staat vast dat er tekortkomingen zijn [50] , hetgeen ook blijkt uit rov. 2.55 (rov. 2.55 heeft betrekking op het project
ACRE 1 en 2, toev. A-G), waarin het hof het antwoord van de deskundige aanhaalt dat TNO de verplichtingen grotendeels niet is nagekomen. Verder klaagt Exact dat het hof heeft miskend dat op grond van artikel 150 Rv Pro op TNO de plicht rust om te stellen dat die tekortkomingen de ontbinding niet rechtvaardigen.
Subonderdeel 2.15-IIIklaagt dat het hof in rov. 2.50 eerst (zelf) deugdelijk aan de hand van Haviltex had moeten vaststellen wat de verplichting van TNO ter zake was en dat vervolgens moest vergelijken met wat TNO heeft gepresteerd. Ook miskent het hof, aldus het subonderdeel, “dat het rapport van deskundige Warmerdam weliswaar vragen heeft gekregen over de wijze en mate van nakoming door TNO, maar uiteindelijk is geschreven met het oog op een ongedaanmakingsverplichting na ontbinding zonder enige aandacht voor de samenhang (binnen het AMOR-project). De deskundige heeft zich dan ook in hoofdzaak beziggehouden met vragen die zagen op de ongedaanmakingsverplichting”, aldus de geciteerde klacht.
Onderdeel 2.16is gericht tegen rov. 2.56 van het eindarrest waarin het hof met betrekking tot
ACRE 1en
2het volgende oordeel heeft gegeven:
Subonderdeel 2.16-Iklaagt dat het hof de devolutieve werking heeft miskend doordat het geen kenbaar onderzoek heeft gedaan naar de stellingen van Exact in eerste instantie, terwijl Exact in randnummer 37 in de memorie van antwoord in incidenteel appel heeft onderbouwd dat zij TNO per brief van 11 januari 2007 op voorhand in gebreke heeft gesteld voor zover niet tijdig zou worden gepresteerd.
Subonderdeel 2.16-IIneemt tot uitgangspunt dat sprake is van een – vaststaande – toerekenbare tekortkoming en klaagt vervolgens dat Exact daarom zonder meer een beroep op ontbinding toekomt en het dan aan TNO is om te stellen en te bewijzen dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. De ‘vaagheid’ van het deskundigenrapport komt op dit punt voor risico van TNO, aldus Exact.
Onderdeel 2.17is gericht tegen rov. 2.57 van het eindarrest, die als volgt luidt:
Subonderondeel 2.17-Ibevat een voortbouwklacht die behelst dat als onderdeel 2.1 slaagt, rov. 2.57 (en rov. 2.61) niet in stand kan blijven. Deze voortbouwklacht behoeft geen zelfstandige bespreking.
Subonderdeel 2.17-IIklaagt dat het hof het bepaalde in HR van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581, heeft miskend en dient hetgeen de Hoge Raad in genoemd arrest in rov. 3.2.1 en 3.2.2 over verzuim heeft geoordeeld “mutatis mutandis” te gelden voor de vraag wie een opschortingsrecht toekomt. Volgens het subonderdeel heeft wanneer vaststaat dat een partij in gebreke blijft met de levering van een overeengekomen product, dan ook hier te gelden dat het niet zozeer gaat om strakke regels ‘wie het eerst in verzuim is’ en wie dus in dat kader ‘het eerst hokt’, maar of in de gegeven omstandigheden het aan een partij die zelf niet deugdelijk nakomt, voldoende duidelijk is of had moeten zijn dat de betaling werd opgeschort in afwachting van een meer substantiële oplossing van de opgetreden gebreken. Vanwege de schending van de zorgplicht is TNO, aldus het subonderdeel, vanaf september 2005 (de beoogde start van de verkopen), althans eind 2006 (zoals voorzien in het concept-memo van TNO) althans januari 2007 (zoals voorzien in de eTipsummary) schadeplichtig. [52] Het hof heeft dit hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Onderdeel 2.18bevat een voortbouwklacht tegen rov. 2.58 tot en met rov. 2.73 van het eindarrest. Gelet op het falen van de klachten uit de voorgaande onderdelen, faalt ook dit onderdeel.