Conclusie
verzoekster tot cassatie,
advocaat: T. van Malssen
verweerster in cassatie,
advocaten: S.F. Sagel en I.L.N. Timp
Radboudumcrespectievelijk
[verweerster].
1.Inleiding
2.Feiten
[betrokkene 1]) is sinds 1 februari 2019 afdelingshoofd. Zij heeft [betrokkene 2] opgevolgd. [betrokkene 3] (hierna:
[betrokkene 3]) is sinds 1 mei 2019 bedrijfsleider van de afdeling als opvolger van [betrokkene 4] (hierna:
[betrokkene 4]).
BIG-registratie) en daarna weer vanaf 3 april 2018. Voorts is zij tot 28 mei 2017 ingeschreven geweest in het register van internisten van de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (hierna: de
RGS-registratie) van de artsenfederatie KNMG en daarna weer vanaf 6 februari 2018. [verweerster] , die bij Radboudumc werkzaam is als internist-oncoloog, heeft zich nooit laten registreren bij de Nederlandse Internisten Vereniging (NIV) of de Nederlandse Vereniging voor Medische Oncologie (NVMO).
Ik heb om toewijzing van die klinische bevoegdheden verzocht, waartoe ik op grond van opleiding, training, recente werkervaring en gerealiseerde (klinische) resultaten, alsmede volgens de normen van mijn beroepsgroep, bevoegd en bekwaam ben. Ik heb begrepen dat:(a) Ik bij het uitoefenen van elke toegekende klinische bevoegdheid gebonden ben aan onder meer het Radboudumc beleid, richtlijnen van mijn wetenschappelijke vereniging en de beroepsorganisaties (de professionele standaard) en IGZ-veldnormen.(…)”
Ik zou nog even terugkomen op ons telefoongesprek van zojuist. Je mag inderdaad, zolang de herregistratie van je BIG nog niet rond is, geen voorbehouden handelingen verrichten.”
Waar gaat dit over [verweerster] ?”
Beiden,De RSG (of RGS, kan het niet onthouden) heeft mijn aanvraag niet goed verwerkt. Het is nu opgelost.”
Leidinggevende voert de controle uit dat de aan de medewerker verleende klinische bevoegdheden (en de daaraan gekoppelde supervisieniveaus) actueel gehouden zijn.”
Aanleiding voor het gesprek was vervolg geven aan punten besproken in het jaargesprek en dat wij ons zorgen maken over jouw functioneren als medisch specialist. [betrokkene 1] heeft de volgende zaken benoemd waarop dit gebaseerd is:
inbasket(de persoonlijke inbox van een Radboudumc medewerker, waarin onder meer een uitwisseling van medisch relevante berichten plaatsvindt, zoals uitslagen van onderzoeken, planningen, berichten van patiënten of collega-artsen) opruimt, dat zij elke patiënt evenveel aandacht geeft en dat klachten hierover direct met [verweerster] worden besproken.
Commissie Onderzoek) van het Radboudumc. De afdelingsleiding heeft de Commissie Onderzoek gevraagd om een onafhankelijk en objectief onderzoek in te stellen naar het functioneren van [verweerster] als medisch specialist. [4] In de brief aan de Commissie Onderzoek merkt [betrokkene 1] op dat zij sinds mei 2019 in gesprek is met [verweerster] en dat men ondanks gemaakte afspraken klachten over haar functioneren blijft ontvangen.
[betrokkene 1] heeft verteld dat vanaf de indiensttreding van [verweerster] geregeld klachten zijn binnengekomen van teamleden, dat collega’s zich erover beklaagden dat zij onnauwkeurig zou zijn in haar werkzaamheden en regelmatig steken zou laten vallen, dat [betrokkene 1] ’s voorganger [betrokkene 2] tijdens de overdracht zijn zorgen heeft geuit over het functioneren van [verweerster] vanwege de vele klachten van patiënten en hun familieleden maar dat er geen dossiervorming heeft plaatsgevonden. Opgetekend is verder:
In februari 2019 heeft een jaargesprek plaatsgevonden tussen [betrokkene 1] en [verweerster] . In dit jaargesprek is afgesproken dat [verweerster] zich uitsluitend zou focussen op patiëntenzorg. Om die reden zijn haar werkzaamheden aan het project Beacon stopgezet. In dit project liet ze veel zaken liggen, volgens [betrokkene 1] , wat het project niet ten goede kwam. Ze heeft in deze 8 jaar bijna geen tijd besteed aan het doen van onderzoek of het publiceren van werk. (…)”
Daarover is vastgelegd dat [betrokkene 1] in de week van de hoorzitting is gebleken dat [verweerster] in de periode van mei 2017 - februari 2018, waarin zij werkzaam was in de patiëntenzorg, niet geregistreerd is geweest als internist en dat zij niet geregistreerd was als internist-oncoloog. De voorzitter van de commissie heeft daar het volgende over opgemerkt:
De voorzitter begrijpt de zorgen die [betrokkene 1] uit omtrent deze situatie en geeft aan dat dit punt op zichzelf moet worden voorgelegd aan de RvB. De Commissie zal over dit nalaten tot registratie zelf geen uitspraken doen, maar dit feit en de daarmee gepaard gaande nalatigheid wel betrekken bij, wat volgens [betrokkene 1] , kenmerkend is voor het medisch inhoudelijk functioneren van [verweerster].”
[betrokkene 1] heeft verklaard dat zij niet weet of dit is aangeboden in de periode dat zij zelf nog geen afdelingshoofd was. Zij heeft meerdere malen aangeboden [verweerster] te laten ondersteunen, bijvoorbeeld met het op orde krijgen van haar administratie. [betrokkene 1] is van mening dat [verweerster] de ernst van de situatie niet herkent of inziet. In reactie op de vraag of zij het aannemelijk acht dat een verbetertraject kans van slagen heeft, heeft [betrokkene 1] het volgende geantwoord:
[betrokkene 1] vindt het moeilijk hier een antwoord op te geven. Ze vraagt zich af of [verweerster] coachbaar is. Gaat ze zelfreflectie krijgen? [betrokkene 1] vraagt zich af of dit werkelijk haalbaar is. Ze twijfelt of [verweerster] dusdanig kan verbeteren om als collega topzorg te gaan verlenen. Zij kan zich voorstellen dat er een 1 op 1 begeleidingstraject moet worden ingesteld, maar zij heeft geen idee of dit gaat helpen.
[verweerster] is werkzaam in een team dat binnen de afdeling deelneemt aan een zorgketen (multidisciplinair). [betrokkene 1] heeft geen reden te veronderstellen dat de werkrelatie van [verweerster] met haar collega’s in de oncologische keten onherstelbaar beschadigd zou zijn. Ook vanuit ketenpartners van de heelkunde of de radiotherapie zijn geen signalen van disfunctioneren van [verweerster] bekend bij [betrokkene 1] .
Volgens [betrokkene 1] is een gebrek aan reflectie een van de pijlers die zorgt voor de problematiek.
[verweerster] heeft daarover aangegeven dat zij veel moeite heeft gehad met de inbasket, maar dat zij het allergrootste deel van de berichten wel gelezen en afgehandeld maar niet verwijderd heeft. Ze heeft de achterstand al opgelopen in de periode dat er nauwelijks mee gewerkt werd. Zij geeft in antwoord op de vraag van de voorzitter of zij kan garanderen dat het niet nogmaals gebeurt aan dat zij denkt dat zij dat wel kan garanderen.
[verweerster] heeft daarop laten weten dat zij zich er niet van bewust is dat zij sommige patiënten tekort doet. Zij heeft zich wel aangewend aan het einde van een consult nog extra te vragen of er nog iets is waar onvoldoende aandacht aan is besteed.
Met betrekking tot de klacht van de huisarts heeft zij als achtergrond geschetst dat zij wilde stoppen met een medicijn maar dat de patiënt dit niet wilde en verder dat zij zich niet kan herinneren dat ze met de huisarts had afgesproken dat zij hem een samenvattende brief zou sturen.
Met betrekking tot de klacht dat er geen labcontrole is uitgevoerd en een afwijking van het studieprotocol waarvan de onderbouwing niet goed werd gedocumenteerd meent [verweerster] dat een en ander wel volgens protocol is gegaan. Zij geeft aan dat zij wel degelijk een onderbouwing heeft gegeven van de afwijking van het standaardbeleid. Tegelijk geeft [verweerster] aan dat geen lab is geprikt terwijl dat wel had gemoeten. Ze erkent dat ze dit niet goed heeft gedaan.
geeft aan dat zij zeker denkt dat er soms dingen niet duidelijk zijn of dat er dingen niet goed door haar zijn gedaan. Zij heeft ook geprobeerd meer structuur in haar werk aan te brengen. Volgens haar heeft zij over de zeven jaren dat zij werkzaam is in dienst van Radboudumc 4-5 klachten ontvangen van patiënten via een klachtenfunctionaris. Naar aanleiding van de vraag van de Commissie Onderzoek of zij vindt dat zij onverantwoorde zorg heeft geleverd heeft [verweerster] het volgende geantwoord:
[verweerster] geeft aan dat ze haar ‘stinkende best’ heeft gedaan om dit niet te doen. Dit heeft wel heel veel weerslag gehad op haar persoon. Ze heeft de afgelopen 3-4 jaar op en neer, ook vanwege privé omstandigheden, op het randje van een burn-out gezeten. In het afgelopen half jaar is dat niet veel beter geworden. Ze heeft ook niet het gevoel hier echt in gehoord te zijn door haar afdelingshoofd.”
Zijn er in de afgelopen periode verbeter trajecten besproken of voorgesteld? Of heeft [verweerster] hier zelf bijvoorbeeld om gevraagd? Daar heeft ze met name zelf om gevraagd. Niet zozeer om een formeel verbetertraject, maar wel van hoe kan ik het beter doen en hoe kan ik voor mezelf wat meer structuur aanbrengen en dichter op de patiënt gaan zitten. Naar aanleiding van het gesprek op 22 juni jl. heeft ze wel gevraagd naar een formeel verbetertraject.”
De commissie adviseert dat sprake is van disfunctioneren en neemt conform artikel 12, tweede lid van de Regeling de vrijheid te adviseren over een verbetertraject. De commissie meent dat er in het disfunctioneren enkele elementen zijn die coachbaar zouden kunnen zijn maar adviseert daarover negatief gezien het structurele karakter van het disfunctioneren en de niet coachbare onderdelen daarvan.”
[betrokkene 6]), emeritus hoogleraar en buiten Radboudumc werkzaam als internist-oncoloog. Op 28 februari 2020 heeft [verweerster] haar reactie op de beoordeling besproken met [betrokkene 6] . Zij heeft haar commentaar in een Excelsheet vervat. Tijdens het gesprek met [betrokkene 6] zijn vijf casus besproken. Vervolgens heeft [betrokkene 6] een definitief oordeel als externe deskundige gegeven.
Algemene opmerkingen;De belangrijkste problemen in het functioneren van [verweerster] zijn: de slordigheid, miscommunicatie met patiënten, niet nakomen van afspraken, verkeerde therapiekeuzes, en onoplettendheid met betrekking tot laboratoriumuitslagen. In het gesprek met [verweerster] werd mij duidelijk dat ze onvoldoende inzicht heeft in het eigen functioneren en dat anderen altijd de schuld hebben. Ik sta volledig achter de beoordeling en categorie indeling zoals weergegeven in de Excel lijst en in bijlage 2.”
Ondergetekende verklaartDat hij gefungeerd heeft als onafhankelijk deskundig internist-oncoloog,Heeft kennisgenomen van het Rapport en de daarbij behorende bijlagen 1 t/m 7Instemt met de inhoud van de bijlagen 1 (procesbeschrijving), 2 (analyse stafleden en [betrokkene 6] voor en na wederhoor SR) en 7 (verslag wederhoor [betrokkene 6] ).
[betrokkene 7]), van 20 mei 2020. [10] [betrokkene 7] is van oordeel dat de twee door Radboud gedane onderzoeken van onvoldoende kwaliteit zijn, onder meer omdat de norm voor een goed functionerend medisch specialist/internist-oncoloog van de afdeling Medische Oncologie van Radboudumc niet is gedefinieerd, onduidelijk is met welke data is gewerkt en hoe het beoordelingsproces was ingericht, er geen geblindeerde beoordeling van onderzoeksdata heeft plaatsgevonden en geen referentiegroep is gedefinieerd. Zij doet suggesties voor een onderzoeksopzet, op basis waarvan het functioneren van een medisch specialist/internist-oncoloog van de afdeling van Radboud wel kan worden beoordeeld. Dat is op basis van de twee door Radboudumc gedane onderzoeken niet mogelijk, aldus [betrokkene 7] . Op p. 9 van het rapport staat onder meer:
De verwachting is dat bij een ieder die zo tegen het licht wordt gehouden, fouten en verbeterpunten worden gevonden. Het is dan ook van groot belang dat er een duidelijke norm wordt geformuleerd. Ook van belang is het om te weten dat gemotiveerd afwijken van de richtlijn niet altijd fout is, integendeel. Er zal dus met een open blik moeten worden gekeken.”
[betrokkene 8]) in een brief van 18 juni 2020 [11] aan de advocaat van Radboudumc aan de hand van een aantal argumenten uit, dat de door [betrokkene 7] genoemde methodische uitgangspunten weliswaar bij het doen van wetenschappelijk onderzoek in acht moeten worden genomen, maar niet bij de kwalitatieve beoordeling van verleende zorg aan oncologische patiënten. Bovendien meent [betrokkene 8] dat wel degelijk een norm is gedefinieerd.
dat fouten uit de categorieën 3 en 4 bij andere artsen in het Radboudumc niet voorkomen’.
3.Procesverloop
het hof). Dit beroepschrift bevat tevens een wijziging van de ontslaggronden en verzoeken. Zo grondt Radboudumc in hoger beroep haar ontbindingsverzoek mede op disfunctioneren als bedoeld in art. 7:669 lid 1 en Pro lid 3,
onder d, BW (als subsidiaire grondslag, waarbij de g-grond meer subsidiair wordt voorgesteld en het verzoek primair gegrond blijft op de e-grond). Daarnaast verzoekt Radboudumc in hoger beroep kort gezegd om [verweerster] te veroordelen tot terugbetaling van het aan haar betaalde loon over de periode van 26 augustus 2019 (de datum waarop haar non-actiefstelling was ingegaan) tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst, althans een door het hof te bepalen vergoeding als ongedaanmakingsverbintenis.
Indien sprake is van een vermoeden van niet goed functioneren, dan zal dat met de werknemer moeten worden besproken in een zo vroeg mogelijk stadium, dus zo spoedig mogelijk na het opkomen van een kritiekpunt. Heel concreet zal kenbaar gemaakt moeten worden welk handelen of nalaten verbetering behoeft. De wet bepaalt niet op welke wijze de werkgever de werknemer in de gelegenheid moet hebben gesteld zijn functioneren te verbeteren. Gelet op de ingrijpende gevolgen die een ontbinding op grond van disfunctioneren voor een werknemer kan hebben, moet worden aangenomen, mede gelet op de eisen van goed werkgeverschap, dat de werkgever aan de werknemer serieus en reëel gelegenheid tot verbetering moet hebben geboden. In dat verband moet bijvoorbeeld ook duidelijk zijn welke termijn de werknemer krijgt om zich te verbeteren, hoe de werkgever de werknemer daarbij zal helpen en wat de consequenties zijn als de werknemer er niet in slaagt zich te verbeteren binnen de gestelde termijn. Het contact moet gericht zijn op verbetering en niet op het registreren of rapporteren van disfunctioneren. Deze eisen gelden ook voor een werkgever als Radboudumc die - overigens volstrekt begrijpelijk - steeds de nadruk legt op patiëntenzorg.”
in de hoogste versnelling [is] gegaan om bewijzen tegen [verweerster] te verzamelen die dat vermoeden zouden schragen’en (v) daarbij de tussenstap van een verbetermogelijkheid heeft overgeslagen. [15] Een en ander wordt vervolgens geconcretiseerd aan de hand van dossierstukken (rov. 5.16). Tot slot overweegt het hof dat de beoordelingsruimte van de werkgever ten aanzien van de vraag of een werknemer ongeschikt is tot het verrichten van de bedongen arbeid niet zó groot is dat het alleen aan de werkgever is om te beslissen of een werknemer wel of niet de gelegenheid dient te krijgen zijn functioneren te verbeteren. Radboud had als goed werkgever zich niet zonder meer mogen verlaten op het advies van de Commissie Onderzoek, die zich voor een belangrijk deel heeft gebaseerd op de inbreng die vanuit het Radboudumc werd gegeven bij monde van [betrokkene 1] , maar had een eigen inschatting dienen te maken en een verbetertraject moeten opzetten. Daarbij konden de zorg en de veiligheid voor patiënten zeker worden gesteld. De stelling dat [verweerster] niet coachbaar is, is gebaseerd op een niet beproefd vermoeden. [verweerster] zal nog in de gelegenheid moeten worden gesteld haar functioneren te verbeteren, waarbij alles moet worden gericht op het behoud van [verweerster] voor de afdeling in plaats van op het verzamelen van bewijs tegen [verweerster] met het doel zo spoedig mogelijk afscheid van haar te nemen (rov. 5.17).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel IIricht zich tegen overwegingen en beslissingen over het functioneren van [verweerster] en de al dan niet geboden mogelijkheid tot verbetering daarvan.
Onderdeel IIIkomt op tegen het oordeel van het hof over het handelen van [verweerster] rondom haar registratie als medisch specialist.
Onderdeel IVbevat een voortbouwklacht.
5.12 (…) [betrokkene 6] heeft het over “rommeldingen” en heeft geen medische missers vastgesteld. (…)”
nietdraait om de vraag óf [verweerster] medische missers heeft begaan, maar enkel om de vraag of [betrokkene 6] zulks – anders dan het hof overweegt – heeft vastgesteld.
Er zijn weinig echt grote calamiteiten…bijna eigenlijk… amper calamiteiten. Weinig echt grote fouten. Maar met name allemaal enorm veel kleine rommeldingetjes. En veel verwijten van patiënten.”
de slordigheid, miscommunicatie met patiënten, niet nakomen van afspraken, verkeerde therapiekeuzes, en onoplettendheid met betrekking tot laboratoriumuitslagen’.
Op de meeste punten leverde het verweer van [verweerster] geen rechtvaardiging op voor haar behandelkeuze en de daarbij geconstateerde (ernstige) tekortkomingen in de geleverde zorg.”
het rapport en advies van de Commissie onderzoek van 12 september 2019’) en maar gedeeltelijk op pijler d. (‘
de constateringen van [betrokkene 1] tijdens de periode vanaf 23 augustus 2019’).
De acht klachten over [verweerster] hebben betrekking op de bejegening van patiënten, het stelselmatig niet reageren op vragen van patiënten, het stelselmatig niet nakomen van met de patiënten gemaakte afspraken en het verlenen van kwalitatief onvoldoende zorg.”
aanvullende voorwaardelijke’ klachten (cassatieverzoekschrift, ingesprongen tekst op p. 9 en 10). Radboudumc richt een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen de overweging van het hof dat de e-grond dient te worden geconcretiseerd en feitelijk te worden onderbouwd aan de hand van waarschuwingsbrieven, gespreksverslagen, interne memo’s en/of e-mailberichten (rov. 5.8, slot).
Primair verzoekt Radboudumc ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] . Bij een verzoek om ontbinding op de e-grond moet de werkgever aannemelijk maken dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer en dat dit zodanig ernstig is dat van hem in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het moet gaan om daden of gedragingen van de werknemer waarbij sprake is van toerekenbare verwijtbaarheid in de zin van schuld aan dat handelen. De mate van verwijtbaar handelen of nalaten is bepalend voor de vraag of sprake is van een redelijke grond. Het gaat hier dus niet om onkunde of onmacht. Op de werkgever rusten de stelplicht en de bewijslast ter zake van de feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan het verwijtbaar handelen. Deze ontslaggrond dient te worden geconcretiseerd en feitelijk te worden onderbouwd aan de hand van waarschuwingsbrieven, gespreksverslagen, interne memo’s en/of e-mailberichten. (…)”
onderscheid’ is gemaakt ‘
tussen wat nu als disfunctioneren en wat als verwijtbaar handelen in de zin van de e-grond moet worden gezien’. Het hof zegt hiermee in wezen dat Radboudumc een keuze zou hebben moeten maken omdat de beide gronden elkaar zouden uitsluiten. De onjuiste rechtsopvatting van het hof heeft tot gevolg dat het hof ofwel heeft nagelaten de bevindingen uit het rapport van 18 maart 2020 aan de e-grond te toetsen, ofwel heeft verzuimd die bevindingen te toetsen aan de d-grond, aldus Radboudumc. Dit laatste is het onderwerp van de in dit subonderdeel aangevoerde motiveringsklacht.
De maatstaf voor beoordeling van het medisch-inhoudelijk functioneren van [verweerster] in de sleutel van de d- en de e-grond’ en richt zich tegen gedeeltes van rov. 5.10, 5.12 en 5.21, welke laatste overweging onderdeel is van de door het hof gegeven redenen waarom niet is voldaan aan de g-grond. Het subonderdeel bevat een rechtsklacht en een motiveringsklacht.
Mediant-beschikking, [24] dat de werkgever de aan zijn ontbindingsverzoek ten grondslag liggende feiten en omstandigheden moet stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting door de werknemer, zal moeten bewijzen. Ook benadrukt het hof dat niet steeds is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar dat ermee kan worden volstaan deze aannemelijk te maken. Toegespitst op de door Radboudumc primair verzochte ontbinding op de egrond heeft het hof in rov. 5.8 overwogen dat de werkgever aannemelijk moet maken dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer en dat dit zodanig ernstig is dat van hem in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Langs deze lijnen heeft het hof vervolgens beoordeeld of de situatie als bedoeld in art. 7:669 lid Pro 3, onder e, BW zich voordoet (rov. 5.10-5.12). Uiteindelijk is het hof op dit punt tot de slotsom gekomen dat Radboudumc niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] dat niet langer van Radboudumc gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (rov. 5.12).
onder meer gelet op hetgeen [betrokkene 7] heeft aangevoerd’ (rov. 5.12).
De ‘beginperiode’ en het bieden van mogelijkheden tot verbetering’ en het richt zich op enkele vaststellingen van het hof over de periode vanaf het jaargesprek van [verweerster] van 15 februari 2019 (zie 0) tot na kennisneming van de bevindingen van de Commissie Onderzoek van 12 september 2019 (zie 0).
Poli’s boek je in principe vol en worden in principe niet gesloten. Ga je één of twee weken op vakantie, dan boek je een extra poli. Bij drie weken vakantie boek je twee extra poli’s.Wanneer je een ernstig zieke patiënt hebt, dan bespreek je die met [betrokkene 1] .”
dat wij ons zorgen maken over jouw functioneren als medisch specialist’ (eerste volzin uit citaat) en de door collega’s doorgegeven klachten (tweede gedachtestreepje) kennelijk niet opgevat als een uiting van
serieuze zorgen. Dat een andere uitleg van dit gespreksverslag evenzeer mogelijk zou zijn geweest, betekent niet dat de gegeven uitleg onbegrijpelijk is.
zorgen’ over haar ‘
functioneren als medisch specialist’, waaronder uitdrukkelijk moest worden begrepen de door [verweerster] verleende patiëntenzorg.
in rov. 5.15 beschreven’ tussenstap heeft overgeslagen. Daar plaatst het hof een aantal algemene vooropstellingen voor gevallen waarin sprake is van een vermoeden van niet goed functioneren. Het hof overweegt onder meer dat – gelet op de ingrijpende gevolgen die een ontbinding op grond van disfunctioneren voor een werknemer kan hebben en mede gelet op de eisen van goed werkgeverschap – moet worden aangenomen ‘
dat de werkgever aan de werknemer serieus en reëel gelegenheid tot verbetering moet hebben geboden.’ Hieraan voegt het hof toe dat bijvoorbeeld ook duidelijk moet zijn welke termijn de werknemer krijgt om zich te verbeteren, hoe de werkgever de werknemer daarbij zal helpen en wat de consequenties zijn als de werknemer er niet in slaagt zich te verbeteren binnen de gestelde termijn. Ook overweegt het hof dat het contact gericht moet zijn op verbetering en niet op het registreren of rapporteren van disfunctioneren.
onvoldoendemogelijkheden tot verbetering heeft geboden althans onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wat zij van [verweerster] precies verwachtte. Dit oordeel van het hof miskent wat in van een werkgever als Radboudumc mag worden verwacht aan hulp, ondersteuning en begeleiding ter verbetering van het functioneren van een werknemer als [verweerster] , een hooggekwalificeerd medisch specialist in een academisch ziekenhuis. Het kennelijke oordeel is in elk geval zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
Ecofys-beschikking van de Hoge Raad. [29] Radboudumc betoogt dat in bepaalde gevallen vooral initiatief van de werknemer zélf mag worden verwacht en dat de werkgever primair een signalerende en faciliterende functie heeft. Radboudumc brengt naar voren dat zij zich expliciet en herhaaldelijk heeft beroepen op de eigen verantwoordelijkheid van [verweerster] door herhaaldelijk te hebben gewezen op het document ‘De Radboud manier van werken’, op de binnen de afdeling Medische Oncologie gemaakte afspraken en op de, mede hieruit sprekende, eigen verantwoordelijkheid van [verweerster] . Het hof heeft deze omstandigheden van het geval nergens kenbaar betrokken in zijn beoordeling van hetgeen in de bewuste periode van [verweerster] mocht worden verwacht. Dat getuigt van een miskenning van de
Ecofys-maatstaf, althans is het oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk, aldus Radboudumc.
Ecofys-beschikking ten aanzien van een ontbinding op de dgrond het volgende overwogen (mijn onderstreping en ingevoegde romeinse cijfers, A-G):
4.1.2 (…) is onder meer vereist dat de werkgever de werknemer in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en dat de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer. (…)
Ecofys-beschikking. Anders dan Radboudumc stelt, is geen sprake van te categorische formuleringen. De overwegingen van het hof bieden immers voldoende ruimte om alle omstandigheden van het geval te laten meewegen. Ter illustratie: dat het hof overweegt dat bijvoorbeeld ook duidelijk moet zijn hoe de werkgever de werknemer zal helpen, betekent niet dat het hof bepaalde algemene eisen zou stellen aan de
inhoudvan de ondersteuning. Gelet de
Ecofys-beschikking is het nu juist van de omstandigheden van het geval afhankelijk welke hulp, ondersteuning en begeleiding in een concreet geval van de werkgever mag worden verwacht. Evenmin bieden de overwegingen van het hof een aanknopingspunt voor de gedachte dat werknemers geen eigen verantwoordelijkheid zouden hebben.
de hiervoor in 5.15 beschreven tussenstap van een verbetermogelijkheid [heeft] overgeslagen’. Daarbij heeft te gelden – ook in cassatie, nu de klachten uit subonderdeel II.A niet slagen – dat er slechts een betrekkelijk korte periode van ongeveer twee maanden zit tussen de eerste uiting van serieuze zorgen over [verweerster] ’s functioneren in de patiëntenzorg (op 20 juni 2020, na zeven jaar dienstverband met goede beoordelingen) en de aanzegging van haar op non-actiefstelling op 23 augustus 2022.
om het functioneren van [verweerster] objectief en onafhankelijk te toetsen om tot concrete verbeterdoelstellingen te komen, waarbij [verweerster] ondersteuning zal ontvangen die gefaciliteerd wordt door de afdeling.’ In het vervolg van rov. 5.16 ligt besloten dat het nimmer tot concrete verbeterdoelstellingen is gekomen, hoewel [verweerster] op 22 juni 2019 om een formeel begeleidingstraject heeft gevraagd. De volgende stap is immers de brief van 4 juli 2019 aan de Commissie Onderzoek, waarna [betrokkene 1] op 16 augustus 2019 tegen de Commissie Onderzoek heeft gezegd dat zij meent dat een verbeterplan moet worden opgesteld op basis van het inhoudelijke advies van die commissie. Mijns inziens ligt in het voorgaande besloten dat kennelijk op 16 augustus 2019 nog steeds niet een serieuze en reële gelegenheid aan [verweerster] was geboden. Het zal met de vakantie van [verweerster] te maken hebben dat de bestreden beschikking, net als het cassatieverzoekschrift, geen enkel aanknopingspunt biedt dat in de week tussen dit gesprek en de op non-actiefstelling op 23 augustus 2019 nog in dit kader relevante gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Mijns inziens stranden reeds hierop alle klachten uit subonderdeel II.C.
Ecofys-beschikking echter ‘slechts’ ter invulling van het in de dgrond besloten liggende vereiste dat
de werkgeveraan de werknemer serieus en reëel gelegenheid tot verbetering moet hebben geboden. Of in bepaalde gevallen de werkgever primair een signalerende en faciliterende functie heeft (zoals Radboudumc in cassatie stelt), [32] kan in het midden blijven nu deze functies niet in de plaats kunnen komen van het
Ecofys-vereiste dat
de werkgeveraan de werknemer serieus en reëel gelegenheid tot verbetering moet hebben geboden. Het primaat ligt bij de werkgever en die kan die verantwoordelijkheid niet eenzijdig afschuiven op de werknemer. [33] Zo bezien heeft het hof in rov. 5.14 voldoende aandacht besteed aan de betreffende stellingen van Radboudumc, zodat de klacht over het passeren daarvan faalt.
op dit punt’, [34] waarmee naar ik aanneem wordt gedoeld op het van [verweerster] te verwachten initiatief om haar functioneren te verbeteren. Van de in het cassatieverzoekschrift genoemde vindplaatsen [35] zijn enkel in de pleitaantekeningen in eerste aanleg stellingen te vinden die deze klacht van een feitelijke grondslag zouden kunnen voorzien. Daar wordt onder meer gesteld dat het voor de hand zou hebben gelegen dat [verweerster] ‘
zelf met een concreet verbeterplan was gekomen in plaats van de verantwoordelijkheid hierover uitsluitend bij een ander te willen leggen.’ Het komt mij voor dat deze stellingen in een ander verband zijn ingenomen, namelijk ter onderbouwing van hetgeen Radboudumc aan [verweerster] verwijt in het kader van de egrond, of wellicht (mede) in het kader van de ggrond. In eerste aanleg heeft immers geen debat plaatsgevonden over de vereisten voor een ontslag wegens disfunctioneren (d-grond), zodat het hof niet met recht kan worden verweten niet op de op deze vindplaats geponeerde stellingen te zijn.
Ecofys-beschikking aangedragen gezichtspunten betrokken. De hierna door mij aangehaalde overwegingen van het hof zijn overigens niet uitputtend (zo geeft het hof op veel meer plaatsen in zijn beschikking er blijk van te hebben onderkend dat [verweerster] een medisch specialist is). De nummering hieronder sluit aan bij de invoegingen in het citaat weergegeven hiervoor in 0:
De aard, de inhoud en het niveau van de functie. Het hof overweegt dat het logisch is dat Radboudumc hoge eisen stelt aan al haar medewerkers, dus ook aan stafleden zoals [verweerster] (rov. 5.14);
De bij de werknemer aanwezige opleiding en ervaring. Het hof overweegt dat [verweerster] zeven jaar lang goede beoordelingen heeft ontvangen (rov. 5.10 en 5.16);
De aard en de mate van de ongeschiktheid van de werknemer. Het hof onderkent dat het gaat om serieuze zorgen over het functioneren van [verweerster] in de patiëntenzorg, maar dat niet is gebleken van medische missers van zodanige ernst dat verbetering niet meer te verwachten was (rov. 5.16) en overweegt dat niet vaststaat dat [verweerster] een slechte arts is (rov. 5.17);
De duur van het onvoldoende functioneren vanaf het moment dat de werknemer daarvan op de hoogte is gesteld. Tussen de eerste uiting van serieuze zorgen over het functioneren van [verweerster] in de patiëntenzorg en de non-actiefstelling zit een betrekkelijk korte periode van ongeveer twee maanden (rov. 5.16);
De duur van het dienstverband. Zie hiervoor onder (ii);
Wat er in het verleden reeds is ondernomen ter verbetering van het functioneren. Tijdens de jaargesprekken in 2019 is wel gesproken over verbeterpunten, maar uit de verslaglegging is niet duidelijk dat het om meer ging dan enkele toen besproken punten. In de periode van ongeveer twee maanden sinds de eerste uiting van serieuze zorgen over het functioneren van [verweerster] in de patiëntenzorg (dus tot aan de non-actiefstelling) is ten onrechte geen verbetertraject ingezet ten aanzien van die zorgpunten (rov. 5.16);
De mate waarin de werknemer openstaat voor kritiek en zich inzet voor verbetering. Het hof heeft overwogen dat [verweerster] sommige punten direct na de jaargesprekken heeft opgepakt. Ook heeft het hof onder ogen gezien dat [betrokkene 1] zich in het gesprek met de Commissie Onderzoek op 16 augustus 2019 heeft afgevraagd of [verweerster] coachbaar is en of zij zelfreflectie zal krijgen. Eveneens heeft het hof bij zijn oordeelsvorming betrokken dat [verweerster] op 22 juni 2019 om een formeel begeleidingstraject zou hebben gevraagd (rov. 5.16); en
De aard en omvang van het bedrijf van de werkgever.Radboudumc is een academisch ziekenhuis voor wie de zorg voor patiënten centraal staat (rov. 5.14).
in elk geval’ blijk zou hebben gegeven van de ‘
wil om problemen aan te pakken’. De stelling dat [verweerster] ‘
niet coachbaar is’, zo vervolgt het hof, ‘
gebaseerd op een niet beproefd vermoeden endaaromonvoldoende onderbouwd’.
als (lees: reeds om de enkele reden dat) een werknemer om een verbetertrajectvraagt, een verbetertraject moet wordengeboden, en datnooitvan een verbetertraject mag worden afgezien als de mogelijkheid van verbetering niet is beproefd.’ Ook zou uit de bestreden overwegingen blijken dat het hof heeft miskend dat onder omstandigheden van een verbetertraject kan worden afgezien, waartoe Radboudumc wijst op gevallen waarin sprake is van onvoldoende zelfreflectie bij de werknemer waardoor een verbetertraject bij voorbaat zinloos is en dus ook een met de mond beleden bereidheid tot het ondergaan van een verbetertraject niet hoeft te worden gehonoreerd.
Ecofys-beschikking: de mate waarin de werknemer openstaat voor kritiek en zich inzet voor verbetering.
ex nuncdiende te beoordelen. Radboudumc wijst daartoe op (i) een verklaring van [betrokkene 1] bij de Commissie Onderzoek, (ii) een verklaring van [betrokkene 1] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, (iii) het advies en rapport van de Commissie Onderzoek, (iv) een constatering van [betrokkene 6] , en (v) uitlatingen van [verweerster] . [36]
om het functioneren van [verweerster] objectief en onafhankelijk te toetsen om tot concrete verbeterdoelstellingen te komen, waarbij [verweerster] ondersteuning zal ontvangen die gefaciliteerd wordt door de afdeling.’Ten overvloede wijs ik er nog op dat er geen rechtsregel bestaat op grond waarvan bij een (gebleken) gebrek aan zelfreflectie nimmer een serieuze en reële gelegenheid tot verbetering van het functioneren van een werknemer zou hoeven te worden geboden: ook dan zal dit afhangen van de omstandigheden van het geval.
kennelijk’ de bevestiging heeft gezien van haar vermoedens ten aanzien van de kwaliteit van de door [verweerster] geleverde zorg en vervolgens ‘
in de hoogste versnelling gegaan’ is om ‘
bewijzen tegen [verweerster] te verzamelen die dat vermoeden zouden schragen’. In dit oordeel ligt een devaluering besloten van de door Radboudumc in de onderhavige procedure aangevoerde bewijzen, en/of een argument ter onderbouwing van het oordeel dat Radboudumc ten onrechte zou hebben nagelaten (voldoende) verbetermogelijkheden aan [verweerster] te bieden, aldus Radboudumc. Geklaagd wordt dat de overweging van het hof onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting, die ontbreekt. In de processtukken van partijen is namelijk geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de stelling dat Radboudumc na 9 april 2019 actief op zoek zou zijn gegaan naar materiaal dat een reeds bestaand vermoeden zou kunnen bevestigen. Het betreft hier een pure en ontoelaatbare speculatie van het hof, aldus Radboudumc.
dat zij zich niet goed op het gesprek had voorbereid, terwijl vast staat dat de zeer korte toegang [die haar door Radboudumc was gegund tot (slechts) haar inbasket] [40] [verweerster] daarbij parten had gespeeld’ (rov. 5.17). Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is deze overweging onbegrijpelijk, aldus Radboudumc. Het hof gebruikt dit punt om vraagtekens te plaatsen bij de bevindingen en conclusies van de Commissie Onderzoek, terwijl het verwijt van die commissie in de kern was dat [verweerster] zich niet éérder op het gesprek had voorbereid en aldus los stond van de zeer korte toegang tot de relevante systemen vlak vóór het gesprek, aldus Radboudumc.
lijkt’), die niet redengevend is voor zijn oordelen. Dat volgt genoegzaam uit de beschikking: in rov. 5.17 overweegt het hof dat werkgevers een zekere vrijheid toekomt in de beoordeling of sprake is van onvoldoende functioneren (eerste volzin), maar dat die beoordelingsruimte niet zo groot is dat het alleen aan de werkgever is om te beslissen of een werknemer wel of niet de gelegenheid dient te krijgen zijn functioneren te verbeteren (tweede volzin). Vervolgens overweegt het hof – eveneens onbestreden – dat dit niet anders wordt door het enkele feit dat de interne regels meebrengen dat Radboudumc in beginsel is gehouden het advies van de Commissie Onderzoek te volgen, gevolgd door een eerste overweging ten overvloede: ‘
te minder omdat de Commissie Onderzoek zich voor een belangrijk deel heeft gebaseerd op de inbreng die vanuit Radboudumc zelf werd gegeven bij monde van [betrokkene 1] .’ (derde volzin). In aansluiting hierop geeft het hof de met dit subonderdeel bestreden overweging ten overvloede over [verweerster] ’s voorbereiding op haar gesprek met de Commissie Onderzoek op 29 augustus 2019 (vgl. 2.16 hiervoor), daags na haar op non-actiefstelling. Reeds hierom kan deze klacht niet slagen.
Registratieperikelen’, valt uiteen in drie subonderdelen. Het richt zich met diverse rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 5.11. Voordat ik de klachten weergeef en bespreek, citeer ik eerst deze rechtsoverweging:
5.11 Vast staat dat [verweerster] een verwijt kan worden gemaakt ter zake van de registratiekwestie bij het RGS- en het BIG-register. Zij erkent ook dat zij op dit punt niet goed heeft gehandeld. Zij had ervoor moeten zorgdragen dat de registraties in orde waren en had in elk geval Radboudumc moeten laten weten dat door haar toedoen problemen met de registratie waren ontstaan. Anderzijds mocht [verweerster] er op vertrouwen dat dit nalaten geen consequenties zou hebben voor haar dienstverband. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. Uit de e-mailwisseling van 5 en 6 februari 2018 (zie hiervoor onder 3.7) blijkt dat zowel de HR medewerkster [betrokkene 5] , de bedrijfsleider [betrokkene 3] als de vroegere afdelingsvoorzitter [betrokkene 2] in februari 2018 wisten, althans konden weten, dat iets niet in orde was met de registratie van [verweerster] . Het e-mailbericht van 6 februari 2018 heeft als onderwerp: ‘Herregistratie nog niet rond’. [betrokkene 1] heeft ter zitting erkend dat Radboudumc hiermee destijds iets had moeten doen. Inmiddels is het zo dat door Radboudumc dagelijks in plaats van maandelijks kan worden nagegaan of de registratie van haar werknemers in het BIG-register in orde is. Daarbij komt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 4] in maart 2019 het formulier “Checks jaargesprek i.v.m. kwaliteit en veiligheid patiëntenzorg” voor akkoord hebben ondertekend. In het kader van het jaargesprek wordt elk jaar een bevoegdhedencheck uitgevoerd. De registraties waren blijkens deze check in orde. De registratie(s) is (zijn) vervolgens geen onderwerp van gesprek geweest tijdens de jaargesprekken en evenmin bij het gesprek in juni 2019. De registratie is wat betreft de inschrijving in het RGS-register sinds 6 februari 2018 en wat betreft de BIG-registratie sinds 3 april 2018 weer in orde. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat Radboudumc de registratiekwestie en daarmee direct samenhangend, de onjuiste verklaring van [verweerster] van 10 juli 2017, waarin zij verklaart bevoegd te zijn alle nodige handelingen te kunnen verrichten, destijds kennelijk niet als ernstig heeft beoordeeld en dan gaat het niet aan deze kwestie ten grondslag te leggen aan het gestelde verwijtbaar handelen in een procedure die maanden later wordt opgestart.”
destijds kennelijk niet als ernstig heeft beoordeeld’ onbegrijpelijk is omdat vast staat dat Radboudumc de registratiekwestie destijds (dus: om en nabij 5 en 6 februari 2018) niet in volle omvang heeft beoordeeld. Dat heeft het hof vastgesteld in rov. 5.10, door te overwegen dat [betrokkene 1] pas ‘
tijdens het voorbereiden van het gesprek met de Commissie Onderzoek’ (augustus/september 2019) de door [verweerster] gemaakte registratiefouten ‘
had geconstateerd’.
[betrokkene 1]pas in augustus of september 2019 de gemaakte registratiefouten constateerde, betekent niet noodzakelijkerwijs dat
Radboudumcde kwestie niet eerder zou hebben beoordeeld.
in volle omvang’ zou hebben beoordeeld. Daarentegen heeft het hof het oog op de beoordeling zoals die in februari 2018 heeft plaatsgevonden, dus inclusief het destijds achterwege blijven van enig nader onderzoek. Dat feitelijke oordeel kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. In elk geval is het niet onbegrijpelijk, gelet op de overweging van het hof dat destijds zowel een HR medewerkster, de toenmalig bedrijfsleider als de vroegere afdelingsvoorzitter wisten, althans konden weten, dat iets niet in orde was met de registratie van [verweerster] (eveneens rov. 5.11). Het oordeel van het hof wordt nader gemotiveerd, evenmin onbegrijpelijk, door de vaststellingen ten aanzien van het in maart 2019 ingevulde formulier ‘Checks jaargesprek i.v.m. kwaliteit en veiligheid patiëntenzorg’ en het feit dat de registratie(s) vervolgens geen onderwerp van gesprek is/zijn geweest tijdens de jaargespreken 2019 en het gesprek in juni 2019. Om die reden faalt subonderdeel III.A.
geen consequenties zou hebben voor haar dienstverband’. Dit omdat reeds uit de eigen stellingen van [verweerster] volgt dat zij
wistdat Radboudumc om en nabij 5 en 6 februari 2018 niet volledig op de hoogte was van de registratiekwestie, aangezien [verweerster] stelt dat zij zélf pas op 29 maart 2018 heeft ontdekt dat met de registratie in het specialistenregister de BIG-registratie niet was hersteld. Het oordeel van het hof is te meer onbegrijpelijk nu het [verweerster] zélf was die Radboudumc in eerste instantie – naar later bleek: ten onrechte – gerust had gesteld met de woorden: ‘
Het is nu opgelost’, aldus Radboudumc. Daarnaast klaagt Radboudumc dat het hof heeft nagelaten om te responderen op haar essentiële stelling dat [verweerster] in de periode van 29 maart tot 13 april 2018 feitelijk voorbehouden handelingen heeft verricht en heeft nagelaten Radboudumc over haar ontbrekende BIG-registratie te informeren.
de registratiekwestie’ omvat dit dus mede het verrichten van voorbehouden handelingen zonder daartoe bevoegd te zijn. Daar doet mijns inziens niet aan af dat het hof bij de aan [verweerster] te maken verwijten van ‘de registratiekwestie’ niet uitdrukkelijk het verwijt heeft opgenomen dat [verweerster] zich had moeten weerhouden van het onbevoegd verrichten van voorbehouden handelingen (rov. 5.11, eerste en derde volzin).
maanden later wordt opgestart’ is onbegrijpelijk omdat het hof niet motiveert waarom het, zonder dat partijen op dit punt in appel nieuwe feiten hadden aangevoerd, afwijkt van het oordeel van de kantonrechter dat het registratieverwijt ‘
in ondersteunende zin’ een rol kan spelen.