Conclusie
1.Ecuaflor Holding B.V.(hierna: ‘Ecuaflor’)
[eiser 2](hierna: ‘ [eiser 2] ’)
[eiseres 3]
1.[verweerster 1] B.V.(hierna: ‘ [verweerster 1] ’)
[verweerster 2] B.V.(hierna: ‘ [verweerster 2] ’)
[verweerder 3](hierna: ‘ [verweerder 3] ’)
[verweerster 4]
KJC Mastershausen B.V.(hierna: ‘ Mastershausen ’)
KJC Springe-Bennigsen B.V.
KJC Invest B.V.
KJC Company B.V.
De Hunnenschans Beheer B.V.
[verweerder 10](hierna: ‘ [verweerder 10] ’)
[verweerder 11]
1.Feiten
soft commitment”.
senior investment manager energy & climatevoor AEF, in een email aan onder meer [eiser 2] (Ecuaflor) het volgende geschreven: [5]
soft commitmentvan AEF plaatsgevonden (randnummer 1.3 hiervoor). De transacties zijn op 10 mei 2012 in de Duitse openbare registers geregistreerd.
Beëindiging overeenkomsten
Betaling Ecuaflor
Afwikkeling (…) Büren
Finale kwijting
19 juli 2013”. Deze datum is met de hand doorgestreept en veranderd in “
12 augustus 2013”. [12]
Steuerberater(belastingadviseur) [betrokkene 3] [13] in een brief aan [eiser 2] laten weten dat Ecuaflor, [verweerster 1] en Mastershausen ieder een bedrag van € 20.523,24 dienen te betalen terzake van
Gewerbesteuer(bedrijfsbelasting) (artikelen 4.2 en 4.3 van Vaststellingsovereenkomst III, randnummer 1.12 hiervoor). [14]
2.Procesverloop
soft commitmentvan AEF de in 2011 door [verweerster 1] en Mastershausen verstrekte leningen van ieder € 1.233.573 zou terugbetalen (rov. 3.25);
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Grief 3in het principaal hoger beroep slaagt derhalve. Grieven 1 en 2 in het principaal hoger beroep behoeven gelet op het voorgaande geen (nadere) bespreking.
grief 1in het incidenteel hoger beroep. (…).”
subonderdelen 2.1.1 en 2.1.2-Iklagen Ecuaflor c.s. dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend, althans een onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven. Volgens Ecuaflor c.s. heeft het hof met betrekking tot de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slechts overwogen omtrent de gronden die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag had gelegd en onbesproken gelaten wat Ecuaflor c.s. in dit kader in eerste aanleg nog meer hadden gesteld. Deze stellingen komen – samengevat – op het volgende neer: (i) het was niet de bedoeling van Vaststellingsovereenkomst III om bij een overschrijding van slechts twee dagen al een directe opeisbaarheid van de totale € 3 miljoen af te spreken; omdat Ecuaflor niet ineens € 2 miljoen kon betalen, was het juist de bedoeling dat Ecuaflor, in ruil voor gespreide betaling, in totaal € 1 miljoen méér zou betalen dan de in 2011 door [verweerster 1] en Mastershausen verstrekte bedragen, (ii) [verweerders] zijn in aanloop naar de eerste betaling
incommunicadogebleven, terwijl Ecuaflor c.s. vragen hadden over een opeisbare tegenvordering van Ecuaflor en [eiser 2] op [verweerders] (de
Gewerbesteuer) en het Duitse
Finanzamtten laste van [verweerster 1] beslag had gelegd, waardoor Ecuaflor c.s. – voordat zij tot betaling zouden overgaan – moesten onderzoeken of zij de eerste betalingstermijn wel bevrijdend konden voldoen en daarbij geen risico liepen op dubbele betaling en (iii) [verweerders] hebben Vaststellingsovereenkomst III als een valstrik gebruikt door reeds vóór het opeisbaar worden van de eerste betalingstermijn verlof voor het leggen van beslag te vragen en tot beslaglegging over te gaan nádat de eerste betaling van ruim € 1 miljoen al was ontvangen.
opgeschrevendat (elke) te late betaling tot directe en volledige opeisbaarheid leidt, maar dat ze in werkelijkheid
bedoelden(of [verweerders] hadden moeten begrijpen dat het de bedoeling van Ecuaflor c.s. was) dat alleen
ernstigeoverschrijdingen van een betalingstermijn tot directe en volledige opeisbaarheid zouden leiden en dat een
geringeoverschrijding van een betalingstermijn dat gevolg niet had. Evenmin hebben Ecuaflor c.s. feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat partijen bij het aangaan van Vaststellingsovereenkomst III (in werkelijkheid) hebben bedoeld dat [verweerders] bij een geringe termijnoverschrijding door Ecuaflor slechts de oorspronkelijke lening direct en volledig zouden mogen opeisen en niet (ook) de circa € 1 miljoen extra, die Ecuaflor naar eigen zeggen aan [verweerster 2] en Mastershausen diende te betalen in ruil voor gespreide betaling. Bij een dergelijke stand van zaken kon het hof niet anders dan oordelen dat uitleg van artikel 2.6 van Vaststellingsovereenkomst III, conform de tekst van die bepaling, meebrengt dat [verweerders] na de te late betaling door Ecuaflor gerechtigd waren de uit hoofde van Vaststellingsovereenkomst III verschuldigde betalingsverplichtingen van Ecuaflor c.s. direct en volledig op te eisen.
incommunicadozijn gebleven – heeft het hof eveneens in zijn beoordeling betrokken. Dit blijkt uit de een na laatste volzin van rov. 3.7 van het tussenarrest, waarin het hof heeft overwogen dat Ecuaflor wel op tijd kón betalen, maar ervoor koos om te wachten op beantwoording van een aan [verweerders] uitstaande vraag. Hoewel het hof de stellingen van Ecuaflor c.s. op dit punt kort heeft afgedaan (met één enkele zin), maakt dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Dat geldt temeer nu, ook volgens Ecuaflor c.s., [23] de vragen van Ecuaflor c.s. op 11 september 2013 (de laatste dag van de eerste betaaltermijn, randnummer 1.16 hiervoor) door
Steuerberater[betrokkene 3] zijn beantwoord en Ecuaflor dus – als zij voor een spoedoverboeking had gekozen – alsnog tijdig (namelijk uiterlijk op 11 september 2013) de eerste termijn aan [verweerster 2] en Mastershausen had kunnen betalen.
subonderdeel 2.1.2-IIbetogen Ecuaflor c.s. dat, nu het hof de stellingen van Ecuaflor c.s. in eerste aanleg ten aanzien van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid onbesproken heeft gelaten, daarvan in cassatie als hypothetische feitelijke grondslag moet worden uitgegaan. Bij dat uitgangspunt is het volgens Ecuaflor c.s. rechtens onjuist of onbegrijpelijk dat het hof het beroep van Ecuaflor c.s. op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft verworpen.
subonderdeel 2.1.3-Iklagen Ecuaflor c.s. dat het hof de devolutieve werking heeft miskend, omdat Ecuaflor c.s. in eerste aanleg hebben gesteld dat het niet de bedoeling van partijen was om bij een overschrijding van slechts twee dagen al een directe opeisbaarheid van in totaal € 3 miljoen af te spreken. Partijen waren juist een betalingsregeling in termijnen overeengekomen, omdat Ecuaflor niet in één keer € 2 miljoen kon betalen. Daarnaast hebben Ecuaflor c.s., anders dan het hof heeft geoordeeld, wel degelijk voldoende gesteld om tegenbewijs te mogen leveren.
subonderdeel 2.1.3-IIbetogen Ecuaflor c.s. dat, anders dan het hof heeft overwogen, het niet noodzakelijkerwijs het geval is dat bij onderhandelingen tussen professionele partijen groot gewicht aan de letterlijke tekst wordt toegekend. En als er wél groot gewicht aan de letterlijke tekst wordt toegekend, staat er volgens Ecuaflor c.s. nog altijd tegenbewijs open. Omdat Ecuaflor c.s. (tegen)bewijs hebben aangeboden, had het hof niet tot zijn oordeel kunnen komen zonder Ecuaflor c.s. in de gelegenheid te stellen het (tegen)bewijs te leveren.
altijdgroot gewicht aan de letterlijke tekst moet worden toegekend. Het hof heeft overwogen dat [verweerders] en Ecuaflor als professionele partijen, met behulp van hun advocaten, uitvoerig en in detail over de inhoud van (artikel 2.6 van) Vaststellingsovereenkomst III hebben onderhandeld, waardoor
in dit gevalgroot gewicht aan de taalkundige bewoordingen toekomt. Deze overweging is niet onjuist.
subonderdeel 2.1.3-IIvoorts dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk in het midden heeft gelaten dat [verweerders] Ecuaflor c.s. nooit eerder aan een betalingstermijn hebben gehouden. Gelet op deze omstandigheid hadden Ecuaflor c.s. immers niet bedacht hoeven zijn op de onmiddellijke opeising na de korte termijnoverschrijding van de eerste betaling.
eerstebetalingstermijn op grond van Vaststellingsovereenkomst III. Het gaat derhalve om een betaling op grond van een nieuwe vaststellingsovereenkomst, waarin partijen expliciet hebben afgesproken dat al hetgeen Ecuaflor c.s. op grond van Vaststellingsovereenkomst III aan [verweerders] zijn verschuldigd direct en volledig opeisbaar wordt als Ecuaflor te laat betaalt. Het valt, gelet op deze nieuwe afspraak en zonder nadere toelichting, niet in te zien waarom Ecuaflor c.s. niet op directe en volledige opeising bedacht hadden hoeven zijn. Dat [verweerders] Ecuaflor c.s. voorheen – op basis van oude/andere afspraken – niet (strikt) aan betalingstermijnen zouden hebben gehouden, maakt dit niet anders. In dit kader is ook relevant dat Ecuaflor, in cassatie onbestreden, wist dat [verweerders] het geld zeer dringend nodig hadden en voortdurend op spoedige afwikkeling en betaling aandrongen (rov. 3.7 van het tussenarrest). Ook gelet hierop had Ecuaflor c.s. erop bedacht moeten zijn dat [verweerders] tot directe en volledige opeising zouden overgaan als Ecuaflor te laat zou betalen.
subonderdeel 2.1.4betogen Ecuaflor c.s. dat het slagen van één of meer klachten van onderdeel 2.1 ook diverse andere rechtsoverwegingen in de bestreden arresten raakt. Deze voortbouwklacht faalt, omdat de klachten in onderdeel 2.1 niet opgaan.
grief 1in het incidenteel hoger beroep. Bij deze beoordeling dient als uitgangspunt dat de eerste betaling door Ecuaflor niet tijdig is voldaan en dat [verweerders] in beginsel gerechtigd zijn de uit vaststellingsovereenkomst III voortvloeiende betalingsverplichtingen van Ecuaflor direct en volledig op te eisen. In artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst is voorzien in de wijze waarop de eventueel nog bestaande belastingverplichtingen tussen partijen zouden worden afgewikkeld. Uit deze bepaling vloeit voort dat eventueel een aanspraak op betaling of verrekening zou ontstaan nadat de Duitse belastingdeskundige [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) daarover een schriftelijk oordeel had gegeven. Gelet op het karakter van een vaststellingsovereenkomst, die juist strekt tot beëindiging en ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen partijen rechtens geldt, moet ook de onzekerheid over deze mogelijke belastingschulden en het moment waarop die definitief zouden worden vastgesteld geacht worden in de vaststellingsovereenkomst te zijn verdisconteerd en levert dat geen grond op voor opschorting van de eerste betalingstermijn. De omstandigheid dat [verweerders] niet reageerde op de vraag of zij rechtstreeks aan de desbetreffende crediteur (Triodos Investment Management) zou betalen of dat Ecuaflor die betalingsverplichting kon verrekenen met haar betalingen aan [verweerders] , levert in het licht van de in artikel 4 van Pro vaststellingsovereenkomst III gemaakte afspraken evenmin een opschortingsbevoegdheid op, temeer niet nu gesteld noch gebleken is dat [betrokkene 3] op het moment dat Ecuaflor deze vraag aan [verweerders] stelde zijn (bindend) advies had uitgebracht. Grief 1 in het incidenteel hoger beroep faalt.”
subonderdeel 2.2.1klagen Ecuaflor c.s. dat het slagen van één of meer klachten van onderdeel 2.1 ook rov. 3.9 van het tussenarrest raakt. Deze voortbouwklacht faalt, omdat de klachten in onderdeel 2.1 niet opgaan (randnummers 3.3 tot en met 3.21 hiervoor).
subonderdelen 2.2.2 en 2.2.3-Ibetogen Ecuaflor c.s. dat het hof ten onrechte onbesproken heeft gelaten dat Ecuaflor c.s. in eerste aanleg een beroep hebben gedaan op de onzekerheidsexceptie van art. 6:37 BW Pro. In dat kader hebben zij gesteld dat ten laste van [verweerster 1] beslagen waren gelegd, waardoor Ecuaflor c.s. eerst onderzoek moesten verrichten om er zeker van te zijn dat Ecuaflor de eerste betalingstermijn bevrijdend kon voldoen.
Finanzamtten laste van [verweerster 1] [29] diverse beslagen had gelegd en het daarom voor Ecuaflor niet duidelijk was of zij de eerste termijn wel bevrijdend kon betalen. Deze stellingen van Ecuaflor c.s. behoefden nadere uitwerking. Niet valt immers in te zien waarom beslagen ten laste van
[verweerster 1]zouden meebrengen dat Ecuaflor niet meer bevrijdend zou kunnen betalen aan
[verweerster 2]en
Mastershausen, aan wie de eerste betalingstermijn moest worden voldaan (artikel 2.2 van Vaststellingsovereenkomst III, randnummer 1.12 hiervoor). [30] Daarbij komt dat Ecuaflor c.s. naar eigen zeggen op 11 september 2013 te horen kregen dat wél bevrijdend aan [verweerster 2] en Mastershausen kon worden betaald. [31] Indien Ecuaflor gelijk op die dag door middel van een spoedoverboeking de eerste betalingstermijn had voldaan, zou zij nog op tijd hebben betaald. Ook om deze reden hadden Ecuaflor c.s. nader moeten uitwerken waarom Ecuaflor door de ten laste van [verweerster 1] gelegde beslagen gerechtigd was om betaling van de eerste termijn op te schorten. Nu Ecuaflor c.s. dit hebben nagelaten, heeft het hof aan de stellingen van Ecuaflor c.s. mogen voorbijgaan.
subonderdeel 2.2.2dat het hof had moeten ingaan op de stellingen van Ecuaflor c.s. over het bij voorbaat ingediende beslagrekest van [verweerders] en de ‘valstrik’ die [verweerders] met Vaststellingsovereenkomst III voor Ecuaflor c.s. hebben opgezet. Deze klacht betreft een herhaling van stelling (iii) in subonderdelen 2.1.1 en 2.1.2-I en faalt om dezelfde reden (randnummer 3.10 hiervoor).
subonderdeel 2.2.3-IIklagen Ecuaflor c.s. dat, anders dan het hof heeft overwogen, het wel degelijk van belang is dat [verweerders] in aanloop naar de eerste betaling niet op de communicatie van Ecuaflor c.s. reageerden. Volgens Ecuaflor c.s. is het in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 BW Pro en de gerechtvaardigde belangen van Ecuaflor c.s. dat [verweerders]
incommunicadozijn gebleven met de kennelijke bedoeling om vervolgens alles in één keer te kunnen opeisen. Ecuaflor, [verweerster 1] en Mastershausen hebben bij het sluiten van Vaststellingsovereenkomst III niet voorzien dat ten laste van [verweerster 1] beslag zou worden gelegd, waardoor ze daarvoor geen regeling hebben getroffen. Om onderzoek te kunnen doen naar deze nieuwe, onvoorziene omstandigheid waren Ecuaflor c.s. op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid gerechtigd om voldoening van de eerste betalingstermijn zeer korte tijd op te schorten.
niet van belangis dat [verweerders] in aanloop naar de eerste betaling niet op de communicatie van Ecuaflor c.s. hebben gereageerd. Het hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat [verweerders] niet reageerden op een vraag van Ecuaflor c.s. over de belastingschulden
geen opschortingsbevoegdheid oplevert. Dat oordeel is, voor zover het in cassatie – als verweven met waarderingen van feitelijke aard – kan worden getoetst, niet onjuist of onbegrijpelijk. [verweerders] en Ecuaflor c.s. hebben namelijk, zoals het hof ook heeft overwogen, in artikel 4 van Pro Vaststellingsovereenkomst III voorzien in een duidelijke wijze waarop eventuele belastingverplichtingen tussen partijen zouden worden afgewikkeld, namelijk via
Steuerberater[betrokkene 3] . Het antwoord op de vragen van Ecuaflor c.s. over de belastingverplichtingen lag dan ook besloten in de (niet mis te verstane) procedureafspraken die partijen in artikel 4 van Pro Vaststellingsovereenkomst III hebben gemaakt. Het hof heeft daarom terecht geoordeeld dat het onbeantwoord laten van de vragen van Ecuaflor c.s. door [verweerders] niet maakt dat Ecuaflor betaling van de eerste termijn mocht opschorten. Van strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid en/of de gerechtvaardigde belangen van Ecuaflor c.s. is in dit verband geen sprake.
subonderdeel 2.2.3-IIIklagen Ecuaflor c.s. dat rov. 3.9 van het tussenarrest rechtens onjuist en onbegrijpelijk is, omdat het enkele feit dat Ecuaflor, [verweerster 1] en Mastershausen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten (Vaststellingsovereenkomst III) niet maakt dat zij daarbij alle denkbare geschillen hebben (kunnen) voorzien. Er zijn immers ook geschillen die niet worden bestreken door de rechtszekerheid die de vaststellingsovereenkomst beoogt te bieden. Wanneer zich een discussiepunt voordoet, eist de redelijkheid en billijkheid die op grond van art. 6:2 lid 1 BW Pro tussen partijen geldt dan ook dat partijen daarover met elkaar in gesprek treden.
alle denkbaregeschillen hebben voorzien en geregeld. Het hof heeft geoordeeld dat de [verweerders] en Ecuaflor c.s. in artikel 4 van Pro Vaststellingsovereenkomst III hebben voorzien in de wijze waarop de eventueel nog bestaande belastingverplichtingen tussen partijen zouden worden afgewikkeld – namelijk via
Steuerberater[betrokkene 3] – en dat onzekerheid over deze mogelijke belastingschulden dus moet worden geacht in Vaststellingsovereenkomst III te zijn verdisconteerd. Dat oordeel – dat specifiek op de belastingschulden ziet en niet op alle denkbare geschillen – is niet onjuist of onbegrijpelijk.
subonderdeel 2.2.4betogen Ecuaflor c.s. dat het slagen van één of meer klachten van onderdeel 2.2 ook diverse andere rechtsoverwegingen in de bestreden arresten raakt. Deze voortbouwklacht faalt, omdat de klachten in dit onderdeel niet opgaan.
subonderdeel 2.3.1klagen Ecuaflor c.s. dat het slagen van één of meer klachten van onderdeel 2.1 ook rov. 3.10 van het tussenarrest raakt. Deze voortbouwklacht faalt, omdat de klachten in onderdeel 2.1 niet opgaan (randnummers 3.3 tot en met 3.21 hiervoor).
subonderdeel 2.3.2betogen Ecuaflor c.s. dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend en ten onrechte de stellingen van Ecuaflor c.s., genoemd in subonderdeel 2.1.2-I, onbesproken heeft gelaten (afgezien van de stelling dat [verweerders] door de te late betaling geen schade hebben geleden). Deze klacht betreft een herhaling van de klachten in subonderdelen 2.1.1 en 2.1.2-I en faalt om dezelfde redenen (randnummers 3.4 tot en met 3.10 hiervoor).
subonderdeel 2.3.3klagen Ecuaflor c.s. dat het slagen van één of meer klachten in onderdeel 2.3 ook diverse andere rechtsoverwegingen in de bestreden arresten raakt. Deze voortbouwklacht faalt, omdat de klachten in dit onderdeel niet opgaan.
subonderdeel 2.4.1klagen Ecuaflor c.s. dat het slagen van één of meer klachten van onderdeel 2.1 ook rov. 3.11 van het tussenarrest raakt. Deze voortbouwklacht faalt, omdat de klachten in onderdeel 2.1 niet opgaan (randnummers 3.3 tot en met 3.21 hiervoor).
subonderdeel 2.4.2betogen Ecuaflor c.s. dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend en ten onrechte de stellingen van Ecuaflor c.s., genoemd in subonderdeel 2.1.2-I, onbesproken heeft gelaten (afgezien van de stelling dat [verweerders] door de te late betaling geen schade hebben geleden). Volgens Ecuaflor c.s. is daarnaast in het bijzonder de laatste zin van rov. 3.11 van het tussenarrest onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, omdat onduidelijk is waarop het hof met deze zin doelt.
subonderdeel 2.4.3betogen Ecuaflor c.s. dat het slagen van één of meer klachten in onderdeel 2.4 ook diverse andere rechtsoverwegingen in de bestreden arresten raakt. Deze voortbouwklacht faalt, omdat geen van de klachten in dit onderdeel opgaat.
subonderdelen 2.5.1, 2.5.2 en 2.5.3klagen Ecuaflor c.s. dat het slagen van één of meer klachten van de onderdelen 2.1 tot en met 2.4 ook diverse andere rechtsoverwegingen in de bestreden arresten raakt. De voortbouwklachten falen, omdat de klachten in de subonderdelen 2.1 tot en met 2.4 niet opgaan.
Grief 2in het incidenteel hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.9 dat het beroep van [verweerders] op bedrog slaagt en dat vast staat dat Ecuaflor en [eiser 2] toerekenbaar tekort zijn geschoten dan wel zich onrechtmatig hebben gedragen jegens [verweerster 1] en Mastershausen . Deze grief behoeft geen inhoudelijke bespreking omdat, ook indien deze slaagt, die niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis, nu het hof het op grond van de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep hierna te bespreken beroep van [verweerders] op vernietiging van vaststellingsovereenkomst II en op partiële vernietiging van vaststellingsovereenkomst III wegens dwaling als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 aanhef Pro en onder b BW gegrond acht.
Grief 3in het incidenteel hoger beroep, waarin de klacht wordt geformuleerd dat de rechtbank ten onrechte causaal verband heeft aangenomen tussen het bedrog van Ecuaflor en [eiser 2] en de gestelde schade, kan om deze reden evenmin tot vernietiging leiden.
subonderdeel 2.6.1klagen Ecuaflor c.s. dat het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dat het hof in rov. 3.16 van het tussenarrest heeft geoordeeld dat de grieven 2 en 3 in het incidentele hoger beroep geen inhoudelijke bespreking behoeven, omdat ze niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het feit dat een andere grondslag (dwaling) slaagt, moet immers tot gevolg hebben dat het vonnis van de rechtbank op de grondslag bedrog moet worden vernietigd. Volgens Ecuaflor c.s. is het daarnaast onjuist en onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat Ecuaflor c.s. geen belang hebben bij vernietiging van het oordeel van de rechtbank dat zij bedrog hebben gepleegd. Bedrog is namelijk een zware aantijging en Ecuaflor c.s. hebben er recht op en belang bij dat komt vast te staan dat daarvan geen sprake is geweest.
nietaan haar oordeel ten grondslag gelegde rechtsgrond (dwaling) in elk geval juist is (rov. 3.20 tot en met 3.23 van het tussenarrest). Bij die stand van zaken mag het hof, gelet op de devolutieve werking, de grief die tegen de door de rechtbank gehanteerde grond (bedrog) is gericht bij gebrek aan belang buiten behandeling laten. [34] Dat bedrog een zware aantijging is, maakt dit niet anders. Dat maakt immers niet dat Ecuaflor c.s. ineens wel – rechtens te respecteren – belang bij beoordeling van de grief heeft.
subonderdelen 2.6.2-I en 2.6.2-IIIbetogen Ecuaflor c.s. dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend, dan wel een onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven, door het verweer van Ecuaflor c.s. op het punt van dwaling buiten beschouwing te laten. Dit verweer komt kort gezegd erop neer dat Ecuaflor c.s. geen onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven. Ecuaflor c.s. hebben namelijk altijd aangegeven dat AEF wél van de
soft commitmentgebruik wilde maken, maar dat niet duidelijk was
wanneerzij dat wilde doen. Er bestond dus onzekerheid over het tijdstip van de uitvoering van de transactie. Deze onzekerheid bestond ook nog ná de e-mails van 13 en 16 februari 2012 (randnummers 1.5, 1.6 en 1.7 hiervoor). Ecuaflor c.s. waren dus niet gehouden deze emails aan [verweerders] door te sturen; ze bevatten immers geen nieuwe informatie. Ecuaflor c.s. waren ook niet verplicht om alles aan [verweerders] door te sturen. Het is, gelet op het voorgaande, onbegrijpelijk dat het hof uit de e-mails van 13 en 16 februari 2012 heeft opgemaakt dat Ecuaflor en/of [eiser 2] reeds vóór 5 maart 2012 wist(en) dat AEF van haar optierecht ging gebruikmaken en op korte termijn de koopprijs zou voldoen. Ecuaflor c.s. wisten dit niet. Met het aangaan van Vaststellingsovereenkomst II hebben [verweerster 1] en Mastershausen simpelweg de bestaande onzekerheid over het tijdstip van de transactie afgekocht. In aanvulling hierop hebben Ecuaflor c.s. zich tegen het beroep op dwaling door [verweerders] verweerd door aan te voeren dat hoogstens sprake kan zijn van een tekortkoming in de nakoming van (artikel 9 van Pro) Vaststellingsovereenkomst I als Ecuaflor c.s. [verweerders] niet of onjuist hebben geïnformeerd. Ook hebben Ecuaflor c.s. betoogd dat AEF een “
slechte partner” was, waardoor overeenstemming over de koopprijs niet betekende dat AEF de transactie ook daadwerkelijk zou doorzetten. Volgens Ecuaflor c.s. maakt dit alles dat het onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat het beroep op (partiële) vernietiging van Vaststellingsovereenkomst II en III wegens dwaling slaagt.
soft commitmentvan AEF. Zo was in de conceptovereenkomst onder meer bepaald dat de effectieve datum van de aandelenoverdracht aan AEF 1 januari 2012 zou zijn (randnummer 1.5 hiervoor). In aanvulling hierop geldt dat, zoals het hof ook heeft overwogen (in de slotzin van rov. 3.21 van het tussenarrest), de transactie met AEF voor [verweerster 1] en Mastershausen tot een hogere opbrengst zou leiden dan zij op grond van Vaststellingsovereenkomst II zouden ontvangen. Doordat [verweerster 1] en Mastershausen met het aangaan van Vaststellingsovereenkomst II als het ware een ‘verlies’ namen, is nog duidelijker dat Ecuaflor c.s. [verweerders] vóór het sluiten van Vaststellingsovereenkomst II van de informatie in de emails hadden moeten voorzien. Dan hadden zij op basis van een volledig beeld kunnen besluiten of zij de transactie met AEF wilden afwachten of toch Vaststellingsovereenkomst II wilden sluiten. Het is gelet op dit alles allerminst onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het aannemelijk is dat [verweerders] Vaststellingsovereenkomst II en III niet (op deze wijze) zouden hebben gesloten indien zij wél op juiste en volledige wijze door Ecuaflor c.s. waren geïnformeerd.
slechte partner” was (randnummer 3.47 hiervoor), geldt dat deze stelling niet afdoet aan het oordeel van het hof dat de informatie in de e-mailberichten van 13 en 16 februari 2012 dusdanig concreet en van belang was voor [verweerders] dat Ecuaflor c.s. daarvan mededeling hadden moeten doen. Ook als AEF een ‘slechte partner’ zou zijn, maakt dat de informatie immers niet minder concreet of van belang. Het hof was derhalve niet gehouden deze (niet essentiële) stelling van Ecuaflor c.s. kenbaar in zijn beoordeling te betrekken.
subonderdeel 2.6.2-IIklagen Ecuaflor c.s. dat het hof ten onrechte onbesproken heeft gelaten dat Ecuaflor c.s. hebben aangevoerd dat er sprake is van een vaststellingsovereenkomst, die een onzekerheid regelt en waarbij het leerstuk van de dwaling zeer terughoudend moet worden toegepast.
soft commitmentvan AEF. Door de informatie in de emails van 13 en 16 februari 2012 niet met [verweerders] te delen, beschikten Ecuaflor c.s. over zoveel betere/meer informatie dan [verweerders] over het al dan niet binnen afzienbare tijd uitoefenen van de
soft commitmentdoor AEF, dat Ecuaflor c.s. zich – ook al is sprake van een vaststellingsovereenkomst – een beroep op dwaling door [verweerders] moeten laten welgevallen. [38] Dat het hof bij dit oordeel onvoldoende terughoudendheid heeft betracht, blijkt nergens uit. Ecuaflor c.s. lichten ook niet toe waaruit dit zou moeten blijken. Anders dan Ecuaflor c.s. betogen, was het hof ook niet gehouden om dit argument van Ecuaflor c.s. kenbaar in zijn beoordeling te betrekken. Zoals ik al meerdere keren heb aangehaald, is de rechter niet gehouden op alle aangevoerde stellingen en argumenten van partijen in te gaan (randnummer 3.10 hiervoor). Uit rov. 3.20 van het tussenarrest blijkt voldoende duidelijk dat het hof de toets van art. 6:228 BW Pro met betrekking tot Vaststellingsovereenkomst II en III niet onjuist of onvoldoende terughoudend heeft toegepast.
subonderdeel 2.6.2-IVklagen Ecuaflor c.s. dat het hof ten onrechte het door Ecuaflor c.s. gedane (tegen)bewijsaanbod onbesproken heeft gelaten. Een dergelijk aanbod hoeft niet te worden gespecificeerd en het hof had Ecuaflor c.s. moeten toelaten tot het leveren van (tegen)bewijs ten aanzien van hun verweer dat de e-mail van 5 maart 2012 van [eiser 2] (randnummer 1.8 hiervoor) onderstreept dat [verweerders] een juiste voorstelling van zaken hadden bij het tekenen van Vaststellingsovereenkomst II.
wéleen juiste voorstelling van zaken hadden, ondanks dat zij
nietbeschikten over de emails van 13 en 16 februari 2012 en derhalve
nietwisten van (onder meer) de conceptovereenkomst met AEF. Het hof mocht, ter onderbouwing van dit betoog, van Ecuaflor c.s. verwachten dat zij (meer/concrete) feiten en omstandigheden zouden aanvoeren, waaruit blijkt dat [verweerders] , hoewel niet
vollediggeïnformeerd, toch een
juistevoorstelling van zaken hadden. Ecuaflor c.s. hebben dit niet gedaan, anders dan door te verwijzen naar de email van 5 maart 2012. Het hof heeft dit onvoldoende mogen achten.
subonderdeel 2.6.3klagen Ecuaflor c.s. dat het slagen van één of meer klachten van onderdeel 2.6 ook diverse andere rechtsoverwegingen in de bestreden arresten raakt. Deze voortbouwklacht faalt, omdat de klachten in dit onderdeel niet opgaan.
grieven 8 en 9in het principaal hoger beroep, na de (partiële) vernietiging van vaststellingsovereenkomst II en III, in wezen op nakoming van artikel 3 van Pro vaststellingsovereenkomst I, te weten terugbetaling van de door [verweerster 1] en Mastershausen aan Ecuaflor verstrekte bedragen van ieder € 1.223.573,00. Zulks volgt ook uit hetgeen [verweerders] in eerste aanleg hebben gesteld (…). Waar haar beroep op (partiële) vernietiging van vaststellingsovereenkomst II en III hiervoor gegrond is bevonden, kan [verweerders] aanspraak maken op nakoming van de betalingsverplichtingen van Ecuaflor c.s. uit vaststellingsovereenkomst I.
subonderdeel 2.7.1klagen Ecuaflor c.s. dat het slagen van één of meer klachten van onderdeel 2.6 ook de in dit onderdeel bestreden rechtsoverwegingen raakt. Deze voortbouwklacht faalt, omdat de klachten in onderdeel 2.6 niet opgaan (randnummers 3.44 tot en met 3.59 hiervoor).
subonderdeel 2.7.2betogen Ecuaflor c.s. dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven door het in eerste aanleg gevoerde verweer van Ecuaflor c.s. niet in zijn oordeel te betrekken. Dit verweer houdt kort gezegd in dat Vaststellingsovereenkomst I door professionele partijen is gesloten om een geschil of onzekerheid te beëindigen, zodat de tekst van de overeenkomst doorgaans doorslaggevend is.
Haviltex-maatstaf ook bij de uitleg van artikel 3 van Pro Vaststellingsovereenkomst I heeft toegepast.
subonderdeel 2.7.3-Iklagen Ecuaflor c.s. dat het onjuist en/of onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat Ecuaflor c.s. de door [verweerders] voorgestane uitleg van artikel 3 van Pro Vaststellingsovereenkomst I onvoldoende hebben weersproken. Ecuaflor c.s. hebben namelijk gesteld dat het om een vaststellingsovereenkomst tussen professionele partijen gaat (subonderdeel 2.7.2) en daarnaast dat (i) [verweerders] (en het hof) ten onrechte van een geldlening zijn uitgegaan, terwijl het een investering van [verweerster 1] en Mastershausen betrof, (ii) [verweerders] zeer ervaren ondernemers zijn en het erg onwaarschijnlijk is dat zij Vaststellingsovereenkomst I niet goed hebben gelezen, (iii) vernietiging heeft plaatsgevonden omdat sprake zou zijn van misbruik van omstandigheden, terwijl er nu dwaling wordt gesteld en (iv) er geen andere wil bij Ecuaflor c.s. is geweest dan er in artikel 3 van Pro Vaststellingsovereenkomst I staat.
subonderdeel 2.7.3-IIbetogen Ecuaflor c.s. dat het hof ten onrechte zonder meer de getuigenverklaring van [betrokkene 2] , een voormalig werknemer van Ecuaflor, voor waar heeft aangenomen en daarbij onbesproken heeft gelaten dat Ecuaflor c.s. de geloofwaardigheid van die verklaring in twijfel hebben getrokken, onder meer omdat sprake is geweest van een ernstig arbeidsconflict tussen [betrokkene 2] en Ecuaflor.
zonder meer” van de geloofwaardigheid van de verklaring van [betrokkene 2] uitgegaan. Het hof heeft geoordeeld dat het, anders dan Ecuaflor c.s. betoogt, de duidelijke verklaring van [betrokkene 2] voldoende betrouwbaar acht. Uit die woordkeus blijkt dat het hof de bezwaren van Ecuaflor c.s. tegen de verklaring van [betrokkene 2] in zijn beoordeling heeft meegenomen, maar niet zwaar genoeg heeft bevonden. Dat is niet onbegrijpelijk, aangezien het hof de uitleg die Ecuaflor c.s. aan artikel 3 van Pro Vaststellingsovereenkomst I hebben gegeven – anders dan de voldoende betrouwbare verklaring van [betrokkene 2] – “
niet goed denkbaar” acht (zie ook stelling (iv) in randnummer 3.65 hiervoor).
subonderdeel 2.7.3-IIvoorts dat Ecuaflor c.s. tegenbewijs hebben aangeboden tegen de stelling van [verweerders] dat er een ‘fout’ in artikel 3 van Pro Vaststellingsovereenkomst I zou staan. Omdat het hof dit aanbod onbesproken heeft gelaten, heeft het miskend dat een dergelijk aanbod niet hoeft te worden gespecificeerd. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het gedane aanbod niet relevant was, omdat de gestelde feiten voldoende waren komen vast te staan, is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft de stellingen namelijk geheel onbesproken gelaten en de verklaring van [betrokkene 2] overgenomen.
anders dan Ecuaflor c.s. betoogt” de duidelijke verklaring van [betrokkene 2] voldoende betrouwbaar acht (randnummer 3.67 hiervoor). Ook hoeft de rechter niet op een aanbod tot tegenbewijs in te gaan als onvoldoende feiten zijn gesteld door de partij die het aanbod doet (randnummer 3.15 hiervoor). Zoals uit het slot van rov. 3.25 van het tussenarrest blijkt, heeft het hof geoordeeld dat Ecuaflor c.s. de door hen voorgestane uitleg van artikel 3 van Pro Vaststellingsovereenkomst I nader hadden moeten motiveren en zij dat niet hebben gedaan, ook niet nadat zij daartoe ter zitting in hoger beroep in de gelegenheid waren gesteld. Bij deze stand van zaken mocht het hof het tegenbewijsaanbod van Ecuaflor c.s. passeren.
subonderdeel 2.7.4klagen Ecuaflor c.s. dat het rechtens onjuist is dat het hof in rov. 3.24 van het tussenarrest, bij de uitleg van de grieven 8 en 9 in het principaal hoger beroep, ten onrechte stellingen van [verweerders] uit eerste aanleg heeft betrokken, terwijl [verweerders] appellanten waren en de devolutieve werking voor hen in dit geval niet geldt.
blijkens de (toelichting op) grieven 8 en 9 in het principaal hoger beroep” [verweerders] zich op nakoming van artikel 3 van Pro Vaststellingsovereenkomst I hebben beroepen. Slechts in aanvulling daarop – en derhalve ten overvloede – heeft het hof overwogen dat “
zulks” ook volgt uit hetgeen [verweerders] in eerst aanleg hebben gesteld.
subonderdeel 2.7.4voorts dat het hof op verboden wijze de rechtsgronden heeft aangevuld en buiten het debat van partijen is getreden. Ecuaflor c.s. hebben de stellingen, waarop het hof in rov. 3.24 het oog heeft gehad, namelijk opgevat als een beroep primair op oneigenlijke dwaling en subsidiair op wederzijdse dwaling.
in wezen” zo heeft opgevat. Blijkens het petitum van de memorie van grieven van [verweerders] , onder H., vorderden [verweerster 1] en Mastershausen betaling van Ecuaflor van tweemaal € 1.223.573, verminderd met de reeds in dit kader door Ecuaflor (terug)betaalde bedragen. Dit is exact het bedrag van de leningen die Ecuaflor op grond van artikel 3 van Pro Vaststellingsovereenkomst I aan [verweerster 1] en Mastershausen diende terug te betalen na uitoefening van de
soft commitmentdoor AEF (randnummer 1.4 hiervoor). In (hun toelichting op) grieven 8 en 9 in het principaal hoger beroep hebben [verweerders] zich onder meer beroepen op (partiële) vernietiging van Vaststellingsovereenkomst II en III, [42] hetgeen (uiteraard) de weg zou vrijmaken voor nakoming van Vaststellingsovereenkomst I. Het is dan ook niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof grieven 8 en 9 in principaal beroep en de vordering, onder H., van [verweerders] – enigszins welwillend gelezen – aldus heeft opgevat dat [verweerders] zich in wezen op nakoming van artikel 3 van Pro Vaststellingsovereenkomst I hebben beroepen.
subonderdeel 2.7.5betogen Ecuaflor c.s. dat het slagen van één of meer klachten van de onderdelen 2.1 tot en met 2.7 ook diverse andere rechtsoverwegingen in de bestreden arresten raakt. Deze voortbouwklacht faalt, omdat de klachten in deze onderdelen niet opgaan.
subonderdeel 2.8.1klagen Ecuaflor c.s. dat het onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof Vaststellingsovereenkomst III niet aan de hand van het
Haviltex-criterium heeft uitgelegd en derhalve niet heeft vastgesteld wat partijen ten aanzien van Windpark Büren hebben beoogd. In dit kader hebben Ecuaflor c.s. betoogd dat het nooit de bedoeling is geweest dat er allerlei wijzigingen binnen de structuur of het bestuur van Windpark Büren zouden worden aangebracht. Partijen zijn uitsluitend overeengekomen dat moest worden afgewikkeld volgens de opstelling van
Steuerberater[betrokkene 3] en dat vervolgens de overdracht van de aandelen tegen € 1 aan Ecuaflor zou plaatsvinden. [verweerders] hebben in strijd met deze partijbedoeling gehandeld door de aandelen niet aan Ecuaflor over te dragen, [verweerster 1] als bestuurder van Windpark Büren te benoemen onder ontslag van [eiser 2] en vervolgens nota’s ten behoeve van eigen vennootschappen te betalen.
Haviltex-maatstaf moet worden uitgelegd (randnummer 3.3 hiervoor). Uit niets blijkt dat het hof in rov. 3.34 en 3.48 van het tussenarrest en rov. 2.4 en 2.6 van het eindarrest een andere, van de
Haviltex-maatstaf afwijkende, maatstaf heeft gehanteerd bij de uitleg van artikel 4 van Pro Vaststellingsovereenkomst III. Ecuaflor c.s. lichten ook niet toe waaruit dit zou blijken.
de opstelling van” [betrokkene 3] moet worden afgewikkeld en [verweerster 1] c.s in strijd met deze partijbedoeling hebben gehandeld door, ondanks de opstelling van [betrokkene 3] , niet tot levering van de aandelen in Windpark Büren aan Ecuaflor over te gaan. Zoals het hof in rov. 2.4 van het eindarrest heeft overwogen, heeft [betrokkene 3] verklaard dat Ecuaflor het op grond van Vaststellingsovereenkomst III verschuldigde bedrag aan Windpark Büren heeft voldaan. Hij heeft daarnaast een aantal berekeningen gemaakt voor de vereffening van het gemeenschappelijk vermogen van Windpark Büren, met nabetaling van geldbedragen aan de aandeelhouders. Naar het oordeel van het hof heeft [betrokkene 3] hiermee echter (nog) niet verklaard overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.7 van Vaststellingsovereenkomst III. Daarin is namelijk bepaald dat [betrokkene 3] , na afronding van de in artikel 4.1 van Vaststellingsovereenkomst III bedoelde volledige juridische en financiële afwikkeling tussen partijen, schriftelijk zal verklaren of de vermogens- en liquiditeitspositie van Windpark Büren na de financiële afwikkeling in overeenstemming is met die welke zij behoort te hebben bij volledige en juiste afwikkeling van de verkoop door Windpark Büren en de ter zake geldende afspraken tussen partijen (randnummer 1.12 hiervoor). Nu [betrokkene 3] (nog) geen schriftelijke verklaring met een dergelijke inhoud heeft afgegeven – en derhalve (nog) niet aan de procedureafspraken van artikel 4 van Pro Vaststellingsovereenkomst III is voldaan – is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat [verweerders] voldoende belang hebben bij het (nog) niet overgaan tot levering van de aandelen in Windpark Büren aan Ecuaflor.
subonderdeel 2.8.2herhalen Ecuaflor c.s. de klachten van subonderdeel 2.8.1 en betogen daarnaast dat de stelplicht en bewijslast van de van artikel 4 van Pro de Vaststellingsovereenkomst III afwijkende partijbedoeling op [verweerders] rusten. Het getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof in rov. 3.34 van het tussenarrest heeft geoordeeld dat hetgeen Ecuaflor c.s. hebben gesteld onvoldoende is voor het oordeel dat de benoeming van [verweerster 1] tot bestuurder van Windpark Büren als zodanig geen tekortkoming oplevert in de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van Vaststellingsovereenkomst III en niet jegens Ecuaflor en/of [eiser 2] onrechtmatig is.
subonderdeel 2.8.3herhalen Ecuaflor c.s. de klachten van subonderdeel 2.8.1 en klagen zij dat het hof heeft miskend dat [verweerders] ten onrechte nadere eisen aan de overdracht van de aandelen aan Ecuaflor c.s. hebben gesteld.
subonderdeel 2.8.4-Iklagen Ecuaflor c.s. dat het onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof de vordering tot overdracht van de aandelen aan Ecuaflor heeft afgewezen, terwijl aan alle voorwaarden voor de overdracht van de aandelen is voldaan. [betrokkene 3] heeft immers vastgesteld dat de betalingsverplichting van Ecuaflor € 485.657,54 betrof en Ecuaflor dat bedrag heeft betaald. Volgens Ecuaflor c.s. heeft het hof daarnaast miskend dat het in dezen om professionele partijen gaat, die een bindend advies regeling zijn overeengekomen, waardoor het hof geen nadere eisen aan de overdracht van de aandelen mocht stellen en/of zijn medewerking aan de overdracht mocht onthouden.
subonderdeel 2.8.4-IIbetogen Ecuaflor c.s. dat het rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat er nog geen financiële afwikkeling heeft plaatsgevonden. Het is volgens Ecuaflor c.s. voor de nakoming van Vaststellingsovereenkomst III ook niet van belang of een financiële afwikkeling heeft plaatsgevonden: de aandelen moeten worden overgedragen zodra Ecuaflor zou hebben betaald wat [betrokkene 3] heeft vastgesteld en aan die verplichting heeft Ecuaflor voldaan.
na afronding van de in lid 1 bedoelde afwikkeling”, schriftelijk zal verklaren over de vermogens- en liquiditeitspositie van Windpark Büren. Deze afwikkeling betreft, kort gezegd, “
de volledige juridische en financiële afwikkeling tussen partijen” (randnummer 3.80 hiervoor). Anders dan Ecuaflor c.s. betogen, is het dus wel degelijk van belang of reeds een financiële afwikkeling heeft plaatsgevonden.
subonderdeel 2.8.4-IIIherhalen Ecuaflor c.s. de klachten in subonderdeel 2.8.1 en klagen zij daarnaast dat het onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 2.4 van het eindarrest heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4.1, in verbinding met artikel 4.7, van Vaststellingsovereenkomst III. Volgens Ecuaflor c.s. heeft het hof miskend dat (i) Ecuaflor c.s. de geldigheid en de noodzaak van de door Windpark Büren geëntameerde procedure hebben betwist, omdat Ecuaflor niet weigerachtig was om te betalen, (ii) [verweerders] zelf de afwikkeling hebben gefrustreerd en een onnodige procedure zijn begonnen en (iii) [betrokkene 3] als bindend adviseur heeft verklaard dat aan de betalingsverplichting richting Windpark Büren is voldaan.
subonderdeel 2.8.5betogen Ecuaflor c.s. dat het slagen van één of meer klachten van onderdeel 2.8 ook rov. 2.6 en het dictum van het eindarrest raakt. Deze voortbouwklacht faalt, omdat de klachten in dit onderdeel niet opgaan.
in conventie
dattotaalbedrag moet worden afgetrokken. Indien het dictum inderdaad zo moet worden uitgelegd, heeft het hof volgens Ecuaflor c.s. art. 6:119 BW Pro miskend, althans een onbegrijpelijk dictum gegeven. Er dient immers alleen wettelijke rente te worden berekend over hetgeen per saldo onbetaald is gebleven.
over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest”. Dit betekent, vanzelfsprekend, dat Ecuaflor en [eiser 2] niet zijn gehouden om óók wettelijke rente te (blijven) betalen over de bedragen die zij reeds aan [verweerster 1] , Mastershausen en [verweerster 2] hebben voldaan. Over deze reeds voldane bedragen zijn Ecuaflor en [eiser 2] slechts wettelijke rente verschuldigd tot de datum waarop zij de betreffende bedragen aan [verweerster 1] , Mastershausen en/of [verweerster 2] hebben betaald.
uit het dictum van het eindarrest en de overwegingen waarop dit berust[blijkt]
evenmin dat het hof is uitgegaan van de in het onderdeel bedoelde rechtsopvatting omtrent de berekening van de wettelijke rente.” [46]