Conclusie
1.Inleiding
grieven 2 tot en met 5 in principaal appelleggen het geschil in volle omvang aan het hof voor en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
opgeleverd. Ook als [huurder] het gehuurde op die datum al had leeggehaald, hadden [verhuurders] dus niet het recht haar te verhinderen het gehuurde daarna nog te betreden. Het kortgedingvonnis ontzegde haar het gebruik van het gehuurde immers pas vanaf zeven dagen na de betekening daarvan, dus vanaf 6 december 2011.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.3volgt hieruit ook dat – in tegenstelling tot wat het hof in rov. 3.6 zou hebben geoordeeld – de schade door [huurder]
“evident
”bestaat uit de geïncasseerde huurpenningen in de periode 21 november 2011 tot en met de opzegging van de huurovereenkomst per 30 november 2012 [7] .
subonderdeel 1.5is dat dit ook rov. 3.10 aantast, waarin het hof niet 21 november 2011, de datum van de onrechtmatige ontruiming, maar 1 december 2011 tot uitgangspunt neemt.
Het hof heeft uitdrukkelijk onder ogen gezien dat [huurder] heeft aangevoerd dat [verhuurders] na de ontruiming geen recht meer hadden op de geëxecuteerde huurbedragen (vgl. rov. 3.1.1-3.1.2). Het hof heeft dit betoog opgevat als een beroep op
onverschuldigde betalingen dat vervolgens verworpen, niet in rov. 3.6-3.8,
maar in rov. 3.9-3.12 [11] . Daartoe stelt het hof in rov. 3.9 voorop dat in het geval een partij tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit een wederkerige overeenkomst, zoals hier het verschaffen van huurgenot aan [huurder] door [verhuurders] , dat niet vanzelf leidt tot verval van de daartegenover staande verplichting van de wederpartij (hier: huurbetaling). Onder omstandigheden kan die wederpartij zich op een opschortingsrecht beroepen of de overeenkomst (partieel) ontbinden. Het niet (langer) betalen van de huur kan als de uitoefening van een opschortingsrecht worden begrepen volgens het hof, maar dat opschortingsrecht kwam [huurder] in elk geval na 6 december 2011 niet meer toe, omdat zij vanaf dat moment geen opeisbare vordering tot het verschaffen van huurgenot meer had op [verhuurders] Het hof oordeelt verder in rov. 3.9-3.11 dat [huurder] de huur verschuldigd is gebleven tot en met 30 november 2012, ook al is haar het gebruik van het gehuurde ontzegd – tussen 1 en 6 december 2011 onrechtmatig en vanaf 6 december 2011 gelegitimeerd door het kortgedingvonnis. Het hof komt tot dit oordeel, omdat de huurovereenkomst ook na ontruiming is blijven voortduren tot en met 30 november 2012, [verhuurders] vanaf 6 december 2011 geen verplichting meer hadden het gehuurde in gebruik te geven aan [huurder] , [huurder] vanaf in elk geval vanaf 6 december 2011 niet meer bevoegd was tot opschorting van haar huurbetalingsverplichting en het evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was dat [verhuurders] aanspraak maakten op huurbetaling over de resterende looptijd van de huurovereenkomst. [huurder] heeft geen beroep op ontbinding gedaan. Daarmee bleef de verbintenis van [huurder] om huur te betalen opeisbaar en mochten [verhuurders] de huurpenningen ook incasseren, zodat van onverschuldigde betaling door [huurder] of onrechtmatige incasso door [verhuurders] geen sprake is. Voor zover de klachten berusten op een andere lezing van het arrest, ketsen deze daar al op af.
subonderdelen 1.1-1.2zijn gelet op de analyse in 3.4 zodoende tevergeefs voorgesteld en voor zover
subonderdeel 1.3daarop voortbouwt (“hieruit volgt ook dat”) geldt daarvoor hetzelfde. In tegenstelling tot wat subonderdeel 1.3 verder opwerpt, is onjuist dat de schade voor [huurder] bestaat uit de geïncasseerde huurbedragen over de periode 21 november 2011 tot en met 30 november 2002. De verplichting van [huurder] om de huur te betalen is in deze periode [12] immers in stand gebleven, zodat de bedragen die [verhuurders] uit hoofde van die titel hebben geïncasseerd aan hen toekwamen.
rov. 3.6-3.8. Daar bespreekt het hof,
anders dan in rov. 3.9-3.12, de (volgens het middel subsidiaire) vordering tot vergoeding van de schade die [huurder] stelt te hebben geleden als gevolg van wanprestatie zijdens [verhuurders] in de vorm van het geen huurgenot verschaffen vanaf het moment van eigenrichting door de sloten te vervangen tot het einde van de huurovereenkomst (vgl. rov. 3.1.1). In afwijking van de kantonrechter komt het hof tot de conclusie dat [verhuurders] hiermee op 21 november 2011 inderdaad eigenrichting hebben gepleegd (rov. 3.5). Volgens het hof valt uit de stellingen van [huurder] echter niet af te leiden dat zij door deze eigenrichting schade heeft geleden, omdat [huurder] niet duidelijk heeft gemaakt hoe het missen van het huurgenot tot de gestelde financiële schade heeft geleid, nu zij volgens het hof op 21 november 2011 al geen bedrijfsactiviteiten meer ontplooide in het gehuurde (rov. 3.6). Daar komt volgens het hof bij dat de ontzegging van het gebruik vanaf 6 december 2011 werd gelegitimeerd door het kortgedingvonnis. Vanaf die datum was er zodoende van wanprestatie zijdens [verhuurders] dan ook geen sprake meer (rov. 3.7). Dit brengt het hof tot de conclusie dat de schadevergoedingsvordering op grond van wanprestatie niet toewijsbaar is.
vervangendeschadevergoeding van [verhuurders] [13] [14] Naar mij voorkomt is ook aanspraak gemaakt op vervangende schadevergoeding over de periode van onrechtmatige executie van het ontruimingsvonnis. Bedoelde wanprestatie in de vorm van het niet verschaffen van huurgenot in die periode geeft [huurder] op grond van art. 6:74 BW Pro lid 1 BW recht op schadevergoeding. Die kan aanvullend (naast nakoming) of vervangend zijn
.Vervangende schadevergoeding treedt – in onze zaak van rechtswege [15] – in de plaats van de oorspronkelijke prestatie en strekt ter compensatie van wat de schuldeiser aan die prestatie heeft gemist. Uitgangspunt daarbij is dat de schuldeiser recht heeft op vergoeding van de waarde van de uitgebleven prestatie. Een objectieve waarderingsmethode, afgestemd op de vervangingswaarde in het economische verkeer, lig daarbij voor de hand [16] . In onze zaak kan voor de vervangingswaarde van het uitgebleven huurgenot volgens mij worden aangesloten bij de overeengekomen huurprijs.
Maar ook als dat niet zou worden gedeeld, heeft het hof in ieder geval de afwijzing van de (zo nodig met aanvulling van rechtsgronden in te lezen) vordering tot vervangendeschadevergoeding denk ik onvoldoende gemotiveerd [18] . Wat het hof overweegt in rov. 3.6 slot, lijkt mij niet toereikend. Vast staat immers dat [huurder] door toedoen van [verhuurders] het huurgenot in genoemde periode heeft gemist en daarom recht heeft op compensatie hiervoor. Dat [huurder] geen (gevolg)schade heeft geleden als gevolg van het gemiste huurgenot doet daar volgens mij niet aan af.
tweede klacht van subonderdeel 1.5kan alleen al niet slagen, omdat het bestreden oordeel in rov. 3.10 ziet op de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling [19] en niet, zoals de klacht tot uitgangspunt neemt, op de vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie van [verhuurders]
subonderdeel 1.4. We hebben geconstateerd dat naar het oordeel van het hof [verhuurders] vanaf 6 december 2011 niet (meer) toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst door [huurder] geen huurgenot te verschaffen (rov. 3.7). In cassatie wordt dit oordeel op zichzelf niet bestreden. Dat maakt dan ook, anders dan subonderdeel 1.4 aanvoert, niet onbegrijpelijk dat de betalingsverplichting van [verhuurders] doorliep na de ontruiming van het gehuurde. Het hof heeft in rov. 3.9-3.12 namelijk geoordeeld dat de verbintenis van [huurder] om de huur te betalen in stand is gebleven na de ontruiming. Die betalingsverplichting van [huurder] vloeide voort uit de na ontruiming voortdurende huurovereenkomst. In weerwil van de suggestie in subonderdeel 1.4, heeft het hof het voortduren van de betalingsverplichting van [huurder] niet gebaseerd op het ontruimingsvonnis. In zoverre mist subonderdeel 1.4 dan ook feitelijke grondslag.
Na verwijzing zal alsnog, althans beter gemotiveerd, moeten worden beslist op de besproken vordering van [huurder] tot vervangende schadevergoeding.
Vervolgens spitst het hof dit toe op onze zaak met de overweging dat [huurder] geen beroep op ontbinding heeft gedaan en met een onderzoek of [huurder] recht had op opschorting van haar betalingsverplichting: dat laatste in elk geval na 6 december 2011 niet meer oordeelt het hof dan, omdat [huurder] vanaf die datum geen opeisbare vordering op [verhuurders] meer had tot het verschaffen van huurgenot (door de werking van het ontruimingsvonnis). Van tegenstrijdigheid tussen rov. 3.7-3.8 en 3.9 is hier dan ook geen sprake. De klacht faalt.
.
De rechtsklacht faalt ook [24] . In cassatie staat als onbestreden vast dat de huurovereenkomst na de ontruiming is blijven voortduren, [verhuurders] vanaf 6 december 2011 gelegitimeerd door het ontruimingsvonnis [huurder] het gebruik van het gehuurde mochten ontzeggen, terwijl [huurder] haar betalingsverplichting vanaf die datum niet (meer) mocht opschorten [25] . Dit resulteert (mede gelet op het oordeel in rov. 3.11) in een na de ontruiming voortdurende huurovereenkomst met bijbehorende huurbetalingsverplichting zonder dat [verhuurders] het huurgenot hoeven te verschaffen. Van een onjuist oordeel is geen sprake [26] .
Multi Vastgoed/Nethou- arrest [27] , daar juist uit zou volgen dat het op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om in een geval als het onze als verhuurder nakoming te vorderen in plaats van ontbinding en schadevergoeding. De verhuurder vermijdt dan namelijk de bewijslast over de verhuurbaarheid die hij zou hebben als hij ontbinding en schadevergoeding zou vorderen. Het oordeel van kantonrechter en hof in onze zaak leidt er volgens de klacht toe dat een verhuurder straffeloos nakoming kan vorderen van de ontruimde huurder en vervolgens dezelfde ruimte nogmaals kan verhuren aan een derde en daarmee twee keer huur int. Dat is door [huurder] uitdrukkelijk aangevoerd [28] , maar door het hof onbesproken gelaten, aldus de klacht.
Multi Vastgoed/Nethouvolgt niet dat het in onze zaak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [verhuurders] nakoming vorderen van de huurovereenkomst in plaats van ontbinding en schadevergoeding. De rechtsregel uit dit arrest is dat een schuldeiser bij een tekortkoming in beginsel de keuze heeft tussen nakoming, voor zover nog mogelijk, en schadevergoeding. De schuldeiser is hier niet geheel vrij in, omdat deze daarbij is gebonden aan de eisen van redelijkheid en billijkheid, waarbij mede de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij een rol spelen. Waarom die rechtsregel afbreuk zou doen aan het oordeel van het hof in rov. 3.11, zie ik niet. De enkele omstandigheid dat [verhuurders] , anders dan bij een vordering tot schadevergoeding als gevolg van ontbinding van de huurovereenkomst, bij een nakomingsvordering tot betaling van de huur tot het einde van de huurovereenkomst geen schadebeperkingsplicht ex art. 6:101 BW Pro hebben [29] , zoals de klacht lijkt te betogen, is daarvoor in mijn optiek niet voldoende.
Het hof heeft in onze zaak onderzocht of de redelijkheid en billijkheid zich hier verzetten tegen toewijzing van een huurbetalingsvordering terwijl (rechtmatig) is ontruimd en oordeelt dat [huurder]
onvoldoende heeft gesteldom die conclusie te kunnen trekken. In zijn (feitelijke) oordeel betrekt het hof ook dat moet worden aangenomen dat [huurder] een bedrag ter hoogte van de huurbetalingen tot einde huurovereenkomst had moeten betalen als [verhuurders] ontbinding van de huurovereenkomst zouden hebben gevorderd. Daarbij neemt het hof mee dat de bedrijfsruimte pas lang na afloop van de huurovereenkomst aan een derde is verhuurd en [huurder] niet (voldoende gemotiveerd) heeft gesteld dat dit veel eerder had gekund. Dit oordeel geeft volgens mij geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is verweven met waarderingen van feitelijke aard en is voldoende gemotiveerd, zodat ook de vervolgklacht uit onderdeel 4.1 niet opgaat.
schadevergoedingter hoogte van het bedrag aan huur tot einde huurovereenkomst.
subonderdelen 4.3 en 4.4klagen in essentie dat het hof heeft miskend dat [verhuurders] niet daadwerkelijk aanspraak hebben gemaakt op vergoeding van het positieve contractsbelang door de huurovereenkomst te ontbinden en schadevergoeding te vorderen en zij dit ook niet meer kunnen doen, omdat de vordering tot ontbinding is verjaard [30] .
hypothetischegeval dat [verhuurders] wel met succes ontbinding en schadevergoeding zouden hebben gevorderd. Dat is niet onjuist en daar gaan deze klachten al mank.