ECLI:NL:HR:1999:AA1063
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Roelvink
- Heemskerk
- Herrmann
- Van der Putt-Lauwers
- De Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Huurbetaling en schadebeperking bij tussentijdse beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte
De zaak betreft een geschil tussen verhuurder en huurder over de betaling van huurpenningen na een tussentijdse opzegging van een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte. De huurder had de huurovereenkomst opgezegd tegen 30 juni 1993, terwijl de verhuurder stelde dat de huur nog tot 1 september 1994 doorliep en dat de huurder de huurpenningen over die periode verschuldigd was.
De kantonrechter en de rechtbank oordeelden dat de huurder slechts een bedrag gelijk aan zes maanden huur hoefde te betalen omdat de verhuurder onvoldoende schadebeperkende maatregelen had getroffen. De verhuurder stelde ook dat de huurder het gehuurde in slechte staat had achtergelaten, maar dit speelde geen doorslaggevende rol.
De Hoge Raad oordeelde dat de plicht tot schadebeperking niet geldt bij vorderingen tot nakoming van een contractuele verplichting, zoals huurbetaling, maar alleen bij schadevergoeding. Daarom vernietigde de Hoge Raad de eerdere vonnissen en veroordeelde de huurder tot betaling van de huurpenningen over de periode van 30 juni 1993 tot en met 31 augustus 1994, met wettelijke rente en veroordeling in de proceskosten.
De uitspraak benadrukt dat bij huurbetalingen de verhuurder recht heeft op volledige nakoming, ook als hij geen pogingen heeft gedaan om het pand opnieuw te verhuren, en dat de huurder niet kan worden gekort op de huurbetaling wegens het ontbreken van schadebeperking.
Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot betaling van huurpenningen tot 31 augustus 1994 zonder toepassing van schadebeperking.