ECLI:NL:PHR:2021:697

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 mei 2021
Publicatiedatum
9 juli 2021
Zaaknummer
19/01996
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 2 EVRMArt. 6:1:16.2 SvArt. 36e SrArt. 511i SvArt. 80a RO
Verwijzingen
10 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake profijtontneming uit hennepteelt

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vastgesteld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft behaald uit hennepteelt ter hoogte van € 9.079,68. Na matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn is de betalingsverplichting vastgesteld op € 8.000,00.

De betrokkene stelde in cassatie dat het hof ten onrechte de voordeelberekening baseerde op een strafbaar feit dat gedeeltelijk verjaard was, wat in strijd zou zijn met de onschuldpresumptie uit artikel 6 lid 2 EVRM Pro. Deze klacht werd echter verworpen omdat het onderliggende cassatiemiddel in de strafzaak faalde.

Daarnaast werd een middel voorgesteld over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie, die met ruim zes maanden was overschreden. Hoewel deze overschrijding terecht werd erkend, leidde dit niet tot vernietiging van het arrest, mede omdat in de samenhangende strafzaak ook sprake was van termijnoverschrijding en compensatie werd toegepast.

De procureur-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep, waarbij geen gronden werden gevonden voor vernietiging van het bestreden arrest. Daarmee blijft de verplichting tot betaling van € 8.000,00 aan de staat in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de betalingsverplichting tot ontneming van € 8.000,00 blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/01996 P
Zitting11 mei 2021

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de betrokkene.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 10 april 2019 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 9079,68. Na matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep, heeft het hof aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van € 8000,00 aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de strafzaak 19/01995. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het
eerste middelklaagt dat het hof de voordeelberekening ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, rechtstreeks heeft gebaseerd op een strafbaar feit dat in de strafzaak (gedeeltelijk) is verjaard. Derhalve is de betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk voordeel strijdig met de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM Pro en de uitleg die daaraan in de (post-) Geerings-jurisprudentie is gegeven, aldus het middel.
5. In de toelichting op het middel wordt verwezen naar een cassatieklacht in de strafzaak die inhoudt dat het hof het OM ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, ontvankelijk heeft geacht in zijn vervolging van het strafbare feit waarop de ontnemingsvordering berust, en wel voor zover het de periode van 15 mei 2012 tot 26 juni 2012 betreft.
6. De steller van het middel doelt op het eerste cassatiemiddel in de samenhangende strafzaak. Dat middel in de strafzaak faalt op de gronden bij de bespreking van dat middel uiteengezet, waarnaar ik hier kortheidshalve wil verwijzen.
7. Nu de cassatieklacht over de vermeende verjaring in de strafzaak niet kan slagen, komt daarmee de grond onder het voorliggende eerste middel in de ontnemingszaak te vervallen.
8. Het middel kan daarom nergens toe leiden.
9. Het
tweede middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
10. Op 19 april 2019 is namens de betrokkene beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 1 juli 2020 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim zes maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep zijn verstreken.
11. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden. Nu de redelijke termijn ook is overschreden in de eveneens bij de Hoge Raad aanhangige en met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, kan de compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, worden toegepast in de hoofdzaak en kan in de onderhavige zaak worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
12. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld, maar met die enkele constatering kan worden volstaan.
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG