Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat geen openbare behandeling van de klaagschriften heeft plaatsgevonden. Daartoe wordt aangevoerd dat de rechtbank de zaak heeft afgedaan op basis van het dossier en de voorhanden schriftelijke standpunten, maar dat daarbij de rechtbank heeft gehandeld “in weerwil van de voorgestelde en gekozen procedure van een schriftelijke afdoening met schriftelijke rondes over en weer”, waaronder ook de gelegenheid tot repliek en dupliek.
2.2 De rechtbank heeft de klaagschriften van de klager ongegrond verklaard. De beschikking van de rechtbank houdt onder meer het volgende in:
“Procesgang
De klaagschriften in de zaken A en B zijn beide op 7 januari 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op 8 januari 2020 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt in beide zaken. Via de e-mail heeft de officier van justitie op 14 april aangegeven dat standpunt te handhaven.
Gelet op de LOVS-richtlijnen betreffende maatregelen ter beperking van verspreiding van het coronavirus is -met instemming van de verdediging en het Openbaar Ministerie- op 1 mei 2020 buiten raadkamer op de verzoekschriften besloten. Dit na partijen de gelegenheid te hebben geboden om, in plaats van de geplande behandeling ter raadkamerzitting van 17 april 2020, schriftelijk het standpunt nader toe te lichten.”
2.3 Op grond van artikel 23 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moeten door de raadkamer het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers worden gehoord, althans hiertoe worden opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven. Op grond van artikel 552a lid 7 Sv dient het klaagschrift tijdens een openbare raadkamerzitting te worden behandeld.
2.4 Uit de beschikking van de rechtbank volgt dat geen openbare raadkamerzitting heeft plaatsgehad. Mede gelet op wat in het cassatiemiddel is aangevoerd leidt dit verzuim tot nietigheid van de beschikking. De door de rechtbank genoemde ‘LOVS-richtlijnen betreffende maatregelen ter beperking van verspreiding van het coronavirus’ - waarmee kennelijk wordt gedoeld op de praktische maatregel van het ‘buiten zitting om’ behandelen van zaken, zoals genoemd in de ‘Tijdelijke regeling strafrecht’ die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.16 deels is weergegeven in de versie van 1 september 2020 - leiden niet tot een ander oordeel.
2.5 De klacht is terecht voorgesteld.”
U ontvangt deze brief van de rechtbank naar aanleiding van het door u ingediende klaagschrift tegen de inbeslagname van goederen d.d. 21 augustus 2020.
binnen 14 dagenna heden aan te geven of u akkoord gaat met een schriftelijke afdoening van uw zaak.
Strafvorderlijk belang bij voortduren beslag + reden Sv 94:vatbaar voor verbeurdverklaring
Reden:
Op 12 augustus 2020 is er tegen [klager] (hierna: klager) een proces-verbaal opgemaakt wegens het besturen van een motorrijtuig terwijl er door de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW) is bepaald dat er met dit voertuig niet op de openbare weg mag worden gereden (artikel 48 lid 7 Wegeverkeerswet Pro 1994).
Gelet op het feit dat klager genoemd feit meermalen heeft gepleegd, is het voertuig in beslag genomen.
- Pleegdatum 10 juni 2020, zaaknummer CJIB 2132542004009303.
- Pleegdatum 13 juli 2020, zaakstatus ter beoordeling OM.
Het voertuig is sinds 02 juni 2020 voorzien van een WOK status (wachten op keuren). Indien er door de RDW is bepaald dat er met een voertuig niet op de openbare weg mag worden gereden, krijgt het voertuig een zogenoemde WOK status. Dit betekent dat er niet met het voertuig op de openbare weg mag worden gereden totdat het technische gebrek is hersteld en het voertuig goedgekeurd is door de RDW.
Gelet op hetgeen hierboven beschreven is, is de mening toebedeeld dat klager niet de verantwoordelijkheid neemt om te zorgen dat het voertuig voldoet aan de gestelde eisen en dat het dager er niet van weerhoudt om te gaan rijden terwijl er is bepaald dat er met het voertuig niet op de openbare weg mag worden gereden.
Recidive gevaar wordt hier aanwezig geacht.
Het is daarom niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen.
Standpunt t.a.v. klaagschrift (gegrond of ongegrond)Ongegrond”
Op 16 september 2020 heb ik het verweerschrift van de officier van justitie ontvangen inzake het door cliënt op 21 augustus 2020 ingediende klaagschrift tegen de inbeslagname van zijn auto. De zaak kan verder schriftelijk worden afgedaan.
De officier van justitie geeft aan dat er meermaals een proces-verbaal tegen cliënt is opgemaakt wegens het besturen van een motorrijtuig terwijl door de RDW is bepaald dat er met dit voertuig niet op de openbare weg mag worden gereden. Volgens de officier is het voertuig sinds 2 juni 2020 voorzien van een WOK-status.
Al met al is de verdediging van mening dat er aanleiding bestaat om het gelegde beslag op te heffen nu cliënt wel degelijk zijn verantwoordelijkheid neemt om te zorgen dat het voertuig voldoet aan de gestelde eisen. Namens cliënt wordt derhalve verzocht om gegrondverklaring van het beklag.”
(i)de rechtbank de klager op 16 september heeft geïnformeerd dat zij voornemens was om de behandeling van het klaagschrift schriftelijk af te doen in verband met de maatregelen tegen verspreiding van het coronavirus;
(ii)dat de rechtbank de raadsman van de verdachte 14 dagen de tijd heeft gegeven om akkoord te gaan met dit voornemen en een nadere onderbouwing van het klaagschrift dan wel een schriftelijke reactie op het standpunt van de officier van justitie te geven; en
(iii)dat de rechtbank daarbij duidelijk heeft gesteld dat het – indien de raadsman akkoord zou gaan met schriftelijke afdoening – de zaak op korte termijn schriftelijk zou kunnen afdoen.
iv)uit de reactie van de raadsman dat deze met het voornemen tot schriftelijke afdoening akkoord is gegaan. Het standpunt van de officier van justitie is in de reactie van de raadsman ook inhoudelijk weersproken. Op grond van deze gang van zaken moet de raadsman hebben begrepen dat na zijn inhoudelijke reactie een beslissing van de rechtbank zou kunnen volgen. Anders dan in de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van 21 juni jl., mocht de raadsman dus ook niet rekenen op een volgende schriftelijke ronde. Van onduidelijkheid over of onkenbaarheid van de gevolgde procedure blijkt in deze zaak in het geheel niets.