Conclusie
Kadaster)
[verweerder])
1.Feiten
arrest). [1] Deze feiten komen neer op het volgende.
Anotaris). Anotaris is op 5 juli 2016 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. H. Dulack tot curator (hierna: de
curator).
Wna)) een bijzondere rekening aan te houden, ook wel kwaliteitsrekening genoemd (hierna: de
kwaliteitsrekening). Die rekening staat op zijn naam met vermelding van zijn hoedanigheid en is uitsluitend bestemd voor gelden die de notaris in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt. Ook Anotaris beschikte over een kwaliteitsrekening.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank), en gevorderd, na wijziging van eis en zakelijk weergegeven:
(i) een verklaring voor recht dat de kadastrale rechten zoals gefactureerd en onbetaald gelaten, aan het Kadaster toekomende derdengelden zijn als bedoeld in art. 25 Wna Pro, althans aan het Kadaster toekomen c.q. voor hem zijn bestemd, en aan hem dienen te worden vrijgegeven c.q. uitbetaald;
(ii) [verweerder] te veroordelen tot vrijgave c.q. (uit)betaling van een (voorlopig beperkt) bedrag van € 63.626,90 aan het Kadaster over te gaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;
(iii) [verweerder] te veroordelen tot betaling van de kosten gemaakt over de boedelperiode ter grootte van € 34.373,10, vermeerderd met de wettelijke rente;
eindvonnis) alle vorderingen van het Kadaster afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft in het eindvonnis vooropgesteld dat als het Kadaster ingevolge art. 25 Wna Pro rechthebbende is, hij uitkering kan vorderen van zijn aandeel in het saldo van de kwaliteitsrekeningen(en), maar is tot het oordeel gekomen dat het Kadaster niet als zodanig aan te merken is, waartoe de rechtbank, kort gezegd en voor zover thans nog relevant, heeft overwogen (rov. 2.7-2.8):
Bud) waaruit volgt dat de notaris in bepaalde gevallen gerechtigd is rechtstreeks aan een derde uit te betalen vanaf de kwaliteitsrekening, terwijl die derde geen rechthebbende is ingevolge art. 25 Wna Pro;
KNB), die partij was in die procedure, in die procedure betoogd heeft dat de voor het Kadaster bestemde gelden in formele zin geen derdengelden zijn en daarom niet tot de bewaring horen en moeten worden gezien als kantoorkosten.
hof) van de afwijzing door de rechtbank in het eindvonnis van zijn primaire vorderingen onder (i), (ii) en (iv). Bij memorie van grieven heeft het Kadaster, onder aanvoering van één grief (waarmee het Kadaster betoogt dat de rechtbank onterecht heeft geoordeeld dat het Kadaster niet is aan te merken als rechthebbende ex art. 25 Wna Pro als overwogen en beoordeeld in rov. 2.8-2.9 eindvonnis en dat de primaire vordering van het Kadaster ten onrechte is afgewezen), in welk kader het Kadaster twee opinies van prof. mr. L.C.A. Verstappen in het geding heeft gebracht, [6] geconcludeerd dat het hof voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad het eindvonnis zal vernietigen en de vorderingen van het Kadaster alsnog zal toewijzen met veroordeling van [verweerder] in de kosten van beide instanties, inclusief salaris advocaat en nakosten. [verweerder] heeft bij memorie van antwoord geconcludeerd dat het hof uitvoerbaar bij voorraad het Kadaster in het hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het hoger beroep zal verwerpen c.q. het eindvonnis zal bekrachtigen met veroordeling van het Kadaster in de kosten van het geding in beide instanties.
3.Beantwoording van de prejudiciële vraag
(Achtergrond van) de prejudiciële vraag
Uit art. 3:98 BW Pro volgt dat, tenzij de wet anders bepaalt, al hetgeen in de daar bedoelde afdeling omtrent de overdracht van een goed is bepaald, overeenkomstige toepassing vindt op de vestiging, de overdracht en de afstand van een beperkt recht op een zodanig goed. Dit brengt mee dat, wat betreft de vestiging van een beperkt recht op een registergoed, (ook) het bepaalde in art. 3:89 BW Pro van overeenkomstige toepassing is (zie ook art. 3:227 BW Pro). Ook in dit verband geldt dus de eis van een daartoe bestemde, tussen partijen opgemaakte notariële akte, gevolgd door de inschrijving van die vestigingsakte in de daartoe bestemde openbare registers, [24] in welk verband de notaris eveneens recherches pleegt te verrichten. [25] In het navolgende stel ik, kortheidshalve, de situatie van een overdracht van een registergoed centraal.
de wet(lid 2). Dit is de Kadasterwet, welke naast nadere voorschriften voor de openbare registers een regeling geeft van de basisregistratie kadaster, alsmede nadere regels voor de registratie voor schepen en luchtvaartuigen. [36]
stylesheets, met tekstblokken. In het kort komt het erop neer dat de gegevens van de notaris, partijen, het registergoed en de koopsom (of de hypotheeksom) op eenduidige wijze worden weergegeven. Hierdoor hoeven deze akten niet meer te worden gelezen door een medewerker van het Kadaster, maar kunnen zij geautomatiseerd worden verwerkt in de basisregistratie kadaster. [46] Om gebruik te kunnen maken van KIK moet de notaris een gebruiksovereenkomst met het Kadaster aangaan. [47] Voor het gebruik maken van ‘Web-Elan’ en KIK is verder vereist dat de notaris gebruikmaakt van de overkoepelende dienst ‘Mijn Kadaster’ waarop de algemene leveringsvoorwaarden van het Kadaster van toepassing zijn. De tarieven voor het ter inschrijving aanbieden van akten (dus: de inschrijvingskosten, zie ook onder 3.1 hiervoor) via ‘Web-Elan’ of KIK zijn geregeld in de Tarievenregeling Kadaster. [48]
terstond(uitgelegd als “onmiddellijk” en “meteen” in de wetsgeschiedenis) na aanbieding. [50] Indien het Kadaster vermoedt dat de in de aangeboden stukken vermelde kenmerken niet overeenstemmen met die welke met betrekking tot het registergoed behoren te worden vermeld, of dat de in te schrijven rechtshandeling door een onbevoegde is verricht of onverenigbaar is met een andere rechtshandeling, mag het Kadaster de inschrijving niet weigeren. Hij is in dat geval slechts bevoegd (niet verplicht) de aanbieder en andere belanghebbenden daarop opmerkzaam te maken. [51] Voorts geldt nog dat het Kadaster conform art. 1 lid 2 van Pro de op art. 108 lid 4 Kadasterwet Pro [52] gestoelde Regeling betaling kadastraal recht [53] in bijzondere gevallen (aldus slechts bij wijze van uitzondering) ten gunste en genoegen van het Kadaster kan vorderen dat voorafgaand aan het verrichten van de werkzaamheden zekerheid wordt gesteld voor betaling. [54] Overeenkomstig art. 1 lid 1 van Pro die regeling dient het verschuldigde kadastraal recht binnen drie weken na dagtekening van de nota (factuur), die ter zake van de door het Kadaster verrichte werkzaamheden wordt verstrekt, kort gezegd, te worden betaald op een op de nota (factuur) vermelde bankrekening (van het Kadaster). [55] Over de door het Kadaster berekende tarieven worden geen omzetbelasting (BTW) en/of andere heffingen van overheidswege geheven. [56]
Aanleiding voor de wetgever om in art. 25 Wna Pro een regeling te treffen voor de notariële kwaliteitsrekening vormde het Slis-Stroom-arrest van de Hoge Raad, waarin het geval speelde dat de notaris een onroerendgoedtransactie begeleidde, in dat kader op haar bankrekening gelden had ontvangen en failliet ging voordat ze tot uitkering van het saldo was overgaan. In geschil was aan wie het saldo op de bankrekening toekwam. De Hoge Raad oordeelde dat het saldo in beginsel behoorde tot het vermogen van de notaris en merkte de verkoper aan als concurrent schuldeiser in het faillissement van de notaris. De Hoge Raad overwoog ook dat hierop een uitzondering geldt in geval van “storting van het bedrag op een afzonderlijke rekening ten name van de notaris met vermelding van diens hoedanigheid van opdrachtnemer van de betreffende koper en verkoper,” of “een - voor wat betreft het afgescheiden blijven van het overgemaakte bedrag van het vermogen van de notaris - daarmee gelijk te stellen weg.” [63] Tegen de achtergrond van het Slis-Stroom-arrest wilde de wetgever met de invoering van art. 25 Wna Pro, met het oog op het vertrouwen van het grote publiek in het notariaat, duidelijk maken dat aan de notaris toevertrouwde gelden voortaan niet meer in zijn [64] faillissement zouden kunnen verdwijnen. [65] De ratio hiervan omvat, kort gezegd, dat derden voor wie de notaris in verband met zijn werkzaamheden in zijn hoedanigheid gelden onder zich houdt, beschermd moeten worden tegen het insolventierisico van de notaris. [66] Verder wordt aangenomen dat het doel van het betalingsverkeer via de notaris, kort gezegd, is om partijen tegen elkaars insolventie te beschermen. [67] Ex art. 25 lid 1 Wna Pro is de notaris gehouden op zijn naam en met vermelding van zijn hoedanigheid een (of meer) kwaliteitsrekening(en) aan te houden bij een bank, [68] die uitsluitend bestemd zijn voor gelden die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt. De gelden die aan hem in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden worden toevertrouwd, moeten op de kwaliteitsrekening worden gestort. [69] Wanneer daarop gelden worden gestort, ontstaat er een vordering op de bank welke ex art. 25 lid 3 Wna Pro toebehoort aan de gezamenlijke rechthebbenden. Het aandeel van iedere rechthebbende daarin wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op de kwaliteitsrekening is gestort. De vordering op de bank die uit de kwaliteitsrekening voortvloeit, behoort dus niet tot het vermogen van de notaris. [70] Sprake is daarom van een uitzondering op het in art. 3:276 BW Pro verankerde uitgangspunt dat een schuldenaar in beginsel met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden jegens al zijn schuldeisers. [71] In afwijking op art. 3:170 BW Pro kunnen de rechthebbenden evenwel niet over de gelden op de kwaliteitsrekening beschikken. De notaris is ex art. 25 lid 2 Wna Pro (als lasthebber van de gerechtigden) [72] jegens de bank exclusief bevoegd tot het beheer en de beschikking over de kwaliteitsrekening, terwijl hij tevens bevoegd (en gehouden) is slechts ten behoeve van een rechthebbende betalingen te doen ten laste van de kwaliteitsrekening. Een rechthebbende heeft ex art. 25 lid 4 Wna Pro wel te allen tijde recht op uitkering van zijn aandeel in het saldo van de kwaliteitsrekening, “voor zover uit de aard van zijn recht niet anders voortvloeit”. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat het recht op uitkering steeds toekomt aan de rechthebbenden, maar dat dit recht afhankelijk kan zijn van vervulling van een voorwaarde waaronder een bedrag ten behoeve van hem is gestort (zoals een geslaagde overdracht vrij van beperkingen en lasten, of een voor hem gunstige uitkomst van een geschil). [73] Omdat de vordering op het saldo van de kwaliteitsrekening niet toekomt aan de notaris maar aan de gezamenlijke rechthebbenden, gaat het saldo niet door vermenging op in het vermogen van de notaris en komt het saldo bij een eventueel faillissement van de notaris niet toe aan de faillissementsboedel. [74] Art. 25 Wna Pro bewerkstelligt aldus dat rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening, in de woorden van de wetsgeschiedenis, een “separatisten-positie” krijgen. [75] De rechtvaardiging voor het toekennen van die positie, en daarmee ook het doorbreken van
paritas creditorum, wordt in de wetsgeschiedenis gezocht in de bescherming van het publiek dat erop mag vertrouwen en ook daadwerkelijk pleegt te vertrouwen dat de notaris, wiens wettelijke taak in vele gevallen meebrengt dat hem door derden gelden worden toevertrouwd, deze gelden afgescheiden houdt van zijn eigen vermogen. [76] Ter zake van de vordering op het saldo van de kwaliteitsrekening ontstaat bij de meerderheidsopvatting in de literatuur wat betreft de koopsom geen gemeenschap tussen de koper en verkoper; zij zijn ter zake “spiegelbeeldig gerechtigd” tot het saldo van de kwaliteitsrekening, zodat slechts een gemeenschap bestaat tussen de koper respectievelijk verkoper en overige gerechtigden tot het saldo van de kwaliteitsrekening. [77]
deze partijen(dus bij die koopovereenkomst) op welk moment rechthebbende is van de op de kwaliteitsrekening gestorte, voor de verkoper bestemde
koopsom. [100] , [101] Hiermee is m.i. nog niets gezegd over de gerechtigdheid van anderen dan de koper en de verkoper op eventuele andere op de kwaliteitsrekening gestorte bedragen dan die koopsom, [102] gegeven ook die vooropstelling van de Hoge Raad ten aanzien van de hanteren maatstaf.
Kortmann & Faber merken op: dat door sommige schrijvers wordt verdedigd dat niet de rekeninghouder zelf de schuldeiser is van de vordering op de bankinstelling, maar “degene voor wie de op de rekening gestorte gelden zijn bestemd”, namelijk de belanghebbende; dat als er meerdere belanghebbenden zijn, tussen deze belanghebbenden een gemeenschap bestaat; en dat deze benadering is gekozen voor de notariële kwaliteitsrekening van de Wna. [103] Volgens Steneker moet van geval tot geval worden beoordeeld wie als rechthebbende(n) (“belanghebbende(n)”) [104] moet(en) worden aangemerkt bij een op een kwaliteitsrekening bijgeschreven bedrag, en is de (uiteindelijke) bestemming van het bedrag daarvoor bepalend, niet de herkomst ervan: [105]
Opmerking verdient dat van geval tot geval moet worden beoordeeld wie als belanghebbende(n) moet(en) worden aangemerkt bij een op de kwaliteitsrekening bijgeschreven bedrag. Daarvoor is de (uiteindelijke) bestemming van het bedrag bepalend, en niet de herkomst ervan. Wanneer een bedrag op een kwaliteitsrekening wordt bijgeschreven, zijn er drie mogelijkheden. De persoon die het bedrag deed bijschrijven, kan daarmee zelf de enige belanghebbende bij dat bedrag zijn geworden. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer hij het beheer over dat bedrag tijdelijk aan de tussenpersoon heeft uitbesteed, en het bedrag uiteindelijk weer aan hemzelf zal worden uitgekeerd. De tweede mogelijkheid is dat de persoon die het bedrag deed bijschrijven, samen met één of meer anderen belanghebbende wordt bij dat bedrag. Dit is meestal het geval wanneer de kwaliteitsrekening ten behoeve van die belanghebbenden een meervoudige zekerheidsfunctie vervult, omdat het bedrag waarop de belanghebbenden een voorwaardelijke aanspraak hebben, meestal door één van die belanghebbenden naar de kwaliteitsrekening wordt overgemaakt. De derde mogelijkheid is dat de persoon die een bedrag doet bijschrijven, daarmee zelf geen belanghebbende wordt bij dat bedrag. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand de inning van zijn vorderingen heeft uitbesteed aan een tussenpersoon. Wanneer een schuldenaar in dat geval op de kwaliteitsrekening van de tussenpersoon betaalt, wordt de schuldeiser belanghebbende bij het bijgeschreven bedrag.” [106]
de factoeen positie als separatist zouden krijgen. Het gestorte bedrag aan verschuldigde kosten blijft daarom, ook na een geslaagde overdracht, in beginsel onvoorwaardelijk tot het vermogen van de koper. [117] Zij maken evenwel diverse uitzonderingen: voor notariskosten, nu art. 25 lid 4 Wna Pro bepaalt dat ook de notaris zelf postconcurrent gerechtigd kan zijn tot de kwaliteitsrekening; voor de overdrachtsbelasting, omdat, kort gezegd, de notaris ex art. 42 lid 1 Invorderingswet Pro 1990 naast de koper hoofdelijk aansprakelijk is jegens de fiscus voor de betaling van overdrachtsbelasting die op de door hem gepasseerde akte van levering verschuldigd is; en voor de schulden van de verkoper waarvoor de koper hoofdelijk aansprakelijk wordt, zoals achterstallige erfpachtcanon en de op een appartementsrecht drukkende servicekosten, nu de koper recht heeft het gekochte vrij van deze lasten te verkrijgen. Dat de fiscus zelf, zodra de overdracht is geslaagd, gerechtigd is tot het saldo op de kwaliteitsrekening, kan h.i. “ook” worden afgeleid uit de formulering van art. 25 lid 3 Wna Pro: het bedrag is “te zijnen behoeve” op de rekening overgemaakt. [118] Wolfert, tot slot, neemt een enger standpunt in, waar zij - kennelijk categorisch - schrijft dat partijen die zijn betrokken bij de overdracht van een onroerende zaak anders dan de koper en verkoper geen rechthebbenden van de vordering uit de kwaliteitsrekening zijn, omdat de rechtstreekse uitkeringen aan deze partijen niet terug te voeren zijn op een opdracht van die andere partijen en de noodzaak ontbreekt om die andere partijen aan te merken als rechthebbenden. [119] Een dergelijke strikte, smalle benadering (die [verweerder] in essentie ook voorstaat) ben ik, zoals het voorgaande laat zien, in de literatuur alleen bij haar tegengekomen.
Ingevolge art. 16 Wna Pro berust het verrichten van de wettelijke werkzaamheden en werkzaamheden die de notaris in samenhang daarmee pleegt te verrichten op een overeenkomst tussen de notaris en zijn cliënt(en) (de partijen bij de notariële akte/transactie), zoals bedoeld in titel 5 van Boek 6 BW; aangenomen wordt dat daarbij niet alleen sprake is van een opdrachtrelatie, [126] maar ook lastgeving een rol speelt (zie onder 3.3 hiervoor). [127] Zo schrijft Van Es dat de notaris de aanbieding van de leveringsakte ter inschrijving zoals bedoeld in art. 3:89 lid 1 BW Pro (zie onder 3.2 hiervoor) namens partijen doet, als lasthebber, en dat aangenomen dient te worden dat het niet per se nodig is om uitdrukkelijk in de leveringsakte op te nemen dat partijen de notaris die last geven tot inschrijving of iets van gelijke strekking, nu het adiëren van de notaris voor het maken van een leveringsakte die last omvat. [128] Wat Van Es hier schrijft over het handelen van de notaris ter zake (ook)
namens partijenin het kader van die last, hetgeen tevens een daartoe strekkende volmacht aan de notaris (art. 3:60 lid 1 BW Pro) impliceert, [129] vindt ook bevestiging in andere bronnen. Zo schrijft Huijgen dat ieder der partijen geheel zelfstandig, en doorgaans de notaris
namens hen, de inschrijving van een afschrift van de leveringsakte in de openbare registers kan doen plaatsvinden. [130] Zo schrijft Van Velten dat de vervreemder of de verkrijger de akte kan doen inschrijven in de openbare registers, maar dat in de praktijk altijd de notaris
namens partijenvoor inschrijving, en dus voor overdracht, zorgdraagt. [131] En zo schrijft Van Drunen dat de notaris de leveringsakte
namens zowel de verkoper als de koperaanbiedt aan het Kadaster ter inschrijving in de openbare registers. [132] Dit vindt ook steun in de gangbare modelakte tot levering van een onroerende zaak van de Modellen voor de Rechtspraktijk, waarin in art. 17 is Pro opgenomen: [133]
De zaken liggen wat mij betreft anders met betrekking tot de recherchekosten. Art. 3:89 lid 1 BW Pro (in verbinding met art. 3:98 BW Pro) vergt op zichzelf niet dat de notaris recherchewerkzaamheden verricht, dit laatste is geen constitutief vereiste voor een rechtsgeldige overdracht van een registergoed (of vestiging daarop van een beperkt recht). Iets anders is dat normaliter de koper en verkoper in de koopovereenkomst overeenkomen dat de verkoper verplicht is het registergoed vrij van beslagen en beperkte rechten aan de koper over te dragen, gevolgd door een overeenkomst (van opdracht) met de notaris met het oog op de nakoming van die contractuele verplichting, welke overeenkomst mede erop gericht is dat de notaris rechercheert of conform die contractuele verplichting het registergoed vrij van beslagen en beperkte rechten door de verkoper kan worden overgedragen (zie ook onder 3.2 en 3.4 hiervoor), welke recherche door de notaris als aspect van de opdracht dermate essentieel wordt geacht dat zij niet kan worden ‘weg-gecontracteerd’. [145] Bij zijn werkzaamheden dient de notaris de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen (art. 7:401 BW Pro). Voorts rust op hem beroepsmatig een zorgplicht uit hoofde van art. 17 lid 1 Wna Pro en heeft hij blijkens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een zwaarwegende zorgplicht ter zake wat nodig is voor het intreden van de rechtsgevolgen welke zijn beoogd met de in de notariële akte opgenomen rechtshandelingen, waaronder het onderzoek doen in registers. [146] Uit de door mij bestudeerde bronnen is mij niet gebleken dat de notaris in het kader van deze recherchewerkzaamheden, die dus ook nauw samenhangen met zijn taak als notaris en genoemde beroepsmatige zorgplicht (uit hoofde van art. 17 lid 1 Wna Pro), geacht wordt namens zijn cliënten daarmee verband houdende rechtshandelingen te verrichten (zoals het verzoeken aan het Kadaster om inzagen in de openbare registers) wat ook niet vereist is, dit niettegenstaande het feit dat dergelijke werkzaamheden, net als het ter inschrijving in de openbare registers aanbieden door de notaris (dus namens partijen, zie hiervoor) aan het Kadaster van de desbetreffende leveringsakte (of vestigingsakte), verband houden met, en een standaardonderdeel zijn van, genoemde transactie (overdracht van een registergoed, althans bezwaring daarvan). Illustratief is dat ook in de door het Kadaster in hoger beroep overgelegde opinies van prof. mr. L.C.A. Verstappen nadrukkelijk en ongeclausuleerd ervan wordt uitgegaan dat met dergelijke inzageverzoeken verband houdende recherchekosten, anders dan genoemde inschrijvingskosten, door (het kantoor van) de notaris aan het Kadaster verschuldigd zijn en dat de notaris het daarmee verband houdende bedrag zoals gestort zijdens partijen bij de notariële akte/transactie op de kwaliteitsrekening mag overboeken van die rekening naar zijn kantoorrekening, wat veronderstelt dat de notaris dergelijke inzageverzoeken op eigen naam geacht wordt te doen bij het Kadaster (waarbij tussen het Kadaster en partijen bij de notariële akte/transactie dus niet (ook) een rechtsverhouding ter zake tot stand komt). [147] Dit strookt ook met het ontbreken van een volmachtbepaling ter zake in de gangbare modelakte tot levering van een onroerende zaak van de Modellen voor de Rechtspraktijk (waarvan art. 17, zoals hiervoor geciteerd, dus wel een bepaling bevat met betrekking tot het ter inschrijving in de openbare registers aanbieden door de notaris (dus namens partijen) aan het Kadaster van de desbetreffende leveringsakte) en in de gangbare vestigingsakten van de Modellen voor de Rechtspraak als genoemd in noot 137 hiervoor (waarin dus ook met art. 17 van Pro de modelakte tot levering van een onroerende zaak vergelijkbare volmachtbepalingen zijn opgenomen), alsmede met het ontbreken van enige verwijzing door het Kadaster naar een bron die in een andere richting wijst. [148]
Wat betreft de te onderscheiden vraag naar het moment waarop het Kadaster dan ter zake rechthebbende wordt, [157] komt mij als een hanteerbaar aanknopingspunt voor, kort gezegd, het moment waarop het Kadaster de werkzaamheden heeft voltooid (dus de inschrijving) waarop de kosten zien die hij in rekening brengt (dus de inschrijvingskosten) en aldus aan zijn verplichting ter zake heeft voldaan waardoor die kosten verschuldigd worden, per welk moment het Kadaster dan ter zake, dus ten belope van het desbetreffende bedrag, rechthebbende op het saldo van de kwaliteitsrekening zou worden, oftewel de notaris dat bedrag als beheerder van de kwaliteitsrekening voor het Kadaster zou houden. [158] Het ligt voor de hand dat de notaris als beheerder van de kwaliteitsrekening eerst overgaat tot uitkering van het desbetreffende aandeel van het Kadaster in dat saldo van de kwaliteitsrekening aan het Kadaster (dus het corresponderende bedrag overboekt naar de door het Kadaster opgegeven rekening, door art. 25 lid Pro 2, tweede zin Wna “betaling” genoemd) op een later moment, want, in essentie, na een daartoe strekkende opdracht (van het Kadaster) zoals bedoeld in art. 25 lid Pro 2, tweede zin Wna en met inachtneming ook van art. 25 lid Pro 4, eerste zin Wna (welke opdracht m.i. besloten kan liggen in een nota (factuur) van het Kadaster inzake inschrijvingskosten gericht aan (het kantoor van) de notaris, waarover ook onder 3.4 en 3.13 hiervoor), op welk moment de onderliggende transactie waarmee die kosten verband houden (de overdracht van het registergoed, althans de vestiging van een beperkt recht daarop) normaliter zal zijn afgewikkeld, volgend op de voltooide inschrijving.