Conclusie
- Prof. mr. G.A. van der Veen (voorzitter);
- dhr. drs. G.F. Böttcher (aangewezen door de Gemeente);
- dhr. K. van Buiren (aangewezen door Amstelboats).”
2. bepaald dat de op grond van dit vonnis door de gemeente aan Amstelboats verschuldigde geldsommen dienen te worden verrekend met de door de gemeente aan Amstelboats betaalde som van € 120.000,–;
3. de vorderingen van [eiser 1] in persoon afgewezen;
4. de vorderingen jegens verweerster in cassatie onder 2, Stichting Waternet, afgewezen;
5. het meer of anders gevorderde afgewezen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
[eiser 1] heeft aangevoerd dat de arbiters zich niet aan de opdracht hebben gehouden door niet onpartijdig en onafhankelijk te oordelen. Artikel 11 lid 2 NAI Pro Arbitragereglement, dat arbiters tot onafhankelijke en onpartijdige taakuitoefening verplicht, maakt ex artikel 1020 lid 6 Rv Pro deel uit van de overeenkomst van arbitrage en bepaalt aldus mede de inhoud van de opdracht aan de arbiters. Het beroep hierop van [eiser 1] bij conclusie van repliek houdt een nadere motivering van de vernietigingsgrond van artikel 1065 lid 1 sub c Rv Pro in en niet een nieuwe grond, zoals door de gemeente gesteld.
Het hof oordeelt met betrekking tot de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de arbiters dat Van Buiren als directeur van SEO door [eiser 1] is gevraagd in het scheidsgerecht plaats te nemen ‘omdat dit instituut in opdracht van de gemeente reeds goed onafhankelijk onderzoek heeft gedaan naar de rondvaartsector en dus vereiste expertise in huis heeft’. [eiser 1] kan vervolgens niet de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van Van Buiren op dezelfde grond ter discussie stellen. Daar komt bij dat Van Buiren geen auteur is van het rapport ‘De impact van de bezoekerseconomie op Amsterdam’ van oktober 2017 en rapporten waar hij niet als auteur bij betrokken is niet op zijn cv hoeft te vermelden. Met betrekking tot de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van arbiter Van der Veen merkt het hof op dat hij eerst nadat de opdracht aan het scheidsgerecht is geëindigd als advocaat van Stromma Nederland aanwezig was op een door de gemeente georganiseerde ‘expertmeeting’ inzake het juridisch kader van het nieuwe rondvaartbeleid in Amsterdam. Dit is onvoldoende om aan de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van Van der Veen te twijfelen.Omtrent de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van arbiter Böttcher is het hof van oordeel dat het van Böttcher wellicht niet verstandig was dat hij na de arbitrage telefonisch contact met [eiser 1] heeft opgenomen en hem heeft laten weten dat er geen geld meer in depot zat en dat [eiser 1] meer had gekregen dan waarvoor hij had betaald, maar dat dit geen omstandigheden zijn die doen twijfelen aan zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid.”
In cassatie is niet bestreden (i) dat [eisers] hebben aangevoerd dat de arbiters zich niet aan de opdracht hebben gehouden door niet onpartijdig en onafhankelijk te oordelen; (ii) dat deze vernietigingsgrond is opgenomen in art. 1065 lid 1 onder Pro c Rv en (iii) mede wordt bepaald door artikel 11 van Pro het NAI Arbitragereglement.
Waterschappen/Milieutechbeheer [22] ,waarin de Hoge Raad met betrekking tot het rechtsmiddel van rekest-civiel tegen een arbitraal vonnis op de grond dat bedrog is gepleegd, het volgende overwoog:
Areb/Ameg. [23] De rechter heeft dan ook niet de bevoegdheid om ambtshalve, zonder dat een daarop gericht partijdebat heeft plaatsgevonden, te onderzoeken of zich dit geval voordoet. De Hoge Raad overwoog in dit arrest tevens dat het voorschrift van art. 1065 lid 4 Rv Pro ertoe strekt om zoveel mogelijk te voorkomen dat een arbitraal vonnis moet worden vernietigd op de grond dat het scheidsgerecht met schending van zijn opdracht uitspraak heeft gedaan. Dit brengt mee dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het in art. 1065 lid 4 Rv Pro genoemde geval rusten op de partij die vernietiging vordert van het arbitraal vonnis wegens overschrijding van de opdracht en dat deze partij, indien de wederpartij een aan die bepaling ontleend verweer voert, dient te stellen en bij gemotiveerde betwisting dient te bewijzen dat zij hetzij in het arbitraal geding zich wel degelijk erop heeft beroepen dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht hield, hetzij dat zij daarmee niet voldoende tijdig bekend was om daarop in het arbitraal geding een beroep te kunnen doen teneinde te voorkomen dat het scheidsgerecht met schending van zijn opdracht uitspraak doet. [24]
Het hof heeft overwogen dat [eisers] Van Buiren als directeur van SEO hebben gevraagd in het scheidsgerecht plaats te nemen met als reden dat “dit instituut in opdracht van de gemeente reeds goed onafhankelijk onderzoek heeft gedaan naar de rondvaartsector en dus vereiste expertise in huis heeft”. Het hof oordeelt dan dat [eisers] vervolgens niet de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van Van Buiren
op dezelfde grondter discussie kunnen stellen. Met andere woorden: wetende als partij dat Van Buiren directeur is van een instituut dat in opdracht van de wederpartij al eerder onderzoek heeft gedaan in de sector waar het om draait, hetgeen de reden is om die persoon als partijarbiter aan te wijzen, kan de desbetreffende partij zich naderhand niet beroepen op het ontbreken van onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de partijarbiter omdat ‘zijn’ instituut in het verleden onderzoek heeft gedaan voor de wederpartij.
in het geheelniet meer de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van Van Buiren ter discussie kunnen stellen of dat [eisers] met hun keuze voor de voordacht van Van Buiren als arbiter welbewust hebben gekozen voor dan wel ingestemd met de beslechting van het geschil door een scheidsgerecht met een niet-onafhankelijke en niet-onpartijdige arbiter. Evenmin heeft het hof geoordeeld dat [eisers] geacht worden (vooraf) afstand te hebben gedaan van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige arbiter.
Het subonderdeel faalt mitsdien.
waren er echter niet van op de hoogte dat SEO (i) in 2016 in opdracht van de gemeente twee rapporten en een notitie heeft opgeleverd en (ii) in oktober 2017, dus tijdens de arbitrageprocedure, in opdracht van de gemeente het rapport “de impact van de bezoekerseconomie op Amsterdam” heeft opgeleverd.
Volgens [eisers] heeft Van Buiren verzuimd om te vermelden dat de gemeente een vaste klant is van SEO. Van onafhankelijkheid van Van Buiren kan derhalve geen sprake zijn. [27]
Voorts hebben [eisers] gesteld dat zij pas na het arbitrale vonnis wisten dat SEO regelmatig in opdracht van de gemeente werkt en dat het op de weg van Buiren had gelegen om de rapporten van SEO met de gemeente als opdrachtgever te vermelden op zijn cv. Juist het cv vormt mede het bewijs dat Van Buiren informatie heeft achtergehouden: geen enkel van de door [eisers] in de dagvaarding genoemde rapporten uitgebracht door SEO onder de verantwoordelijkheid van Van Buiren zijn genoemd op zijn cv. [28]
waren bekend, of het valt hen toe te rekenen dat zij niet bekend waren, met het feit dat de gemeente met enige regelmaat SEO inschakelde om onafhankelijk onderzoek te doen en dat arbiter Van Buiren betrokken was bij eerder onderzoek van SEO in opdracht van de gemeente. [29]
Het hof heeft deze stelling klaarblijkelijk verworpen. Dit oordeel is gelet op het weergegeven partijdebat niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
subonderdeel 1.5gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.3 over de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van arbiter Van der Veen . Voor de leesbaarheid citeer ik het desbetreffende oordeel hier nogmaals:
expertmeeting’ inzake het juridisch kader van het nieuwe rondvaartbeleid in Amsterdam. Dit is onvoldoende om aan de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van Van der Veen te twijfelen.”
Dit oordeel is niet onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. [eisers] hebben slechts gesteld dat Van der Veen als arbiter niet onpartijdig en niet onafhankelijk heeft geoordeeld op de grond dat hij “naar verluidt” aanwezig was op een bijeenkomst van de gemeente, en dat hij “naar verluidt” thans advocaat is van die concurrent.
De bijeenkomst vond plaats na afloop van de arbitrageprocedure en bedoelde concurrent was daarin geen partij. Daarmee is de stelling dat “sprake is van ernstige twijfel aan de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van Van der Veen ”, te zeer gebaseerd op omstandigheden “naar verluidt” en dus te vaag, om als voldoende gesubstantieerd te kunnen worden aangemerkt.
De overige stellingen van [eisers] kon het hof op dezelfde grond (onvoldoende onderbouwd) onbesproken laten.
Nordström/ Van Nievelt Goudriaan & Co [33] heeft geformuleerd (in het citaat door mij onderstreept):
Nadat het arbitraal vonnis is gewezen, is wraking of verschoning niet meer mogelijk. In de dan ontstane situatie, waarin partijen de arbitrale procedure ten einde toe hebben gevoerd en arbiters hun opdracht hebben voltooid, moet, mede gelet op het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging, bij de beantwoording van de vraag of het arbitraal vonnis vernietigbaar is wegens strijd met de openbare orde een strengere maatstaf worden aangelegd dan wanneer het gaat om wraking of verschoning.
Voor vernietiging van het vonnis wegens strijd met de openbare orde in verband met een beroep op het niet onpartijdig of onafhankelijk zijn van een arbiter is dan alleen plaats wanneer feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen op grond waarvan moet worden aangenomen dat hetzij een arbiter bij het geven van de arbitrale beslissing in feite niet onpartijdig dan wel niet onafhankelijk was, hetzij omtrent diens toenmalige onpartijdigheid of onafhankelijkheid in zo ernstige mate twijfel mogelijk is dat het, de overige omstandigheden van het geval mede in aanmerking genomen, onaanvaardbaar zou zijn van de partij die in de arbitrage in het ongelijk is gesteld, te vergen dat zij zich bij de uitspraak neerlegt.Een partij kan in een zodanige vordering tot vernietiging slechts slagen, indien de door hem aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden hem gedurende de arbitrale procedure niet bekend zijn geweest en het hem niet valt toe te rekenen dat hij daarmee in dat stadium niet bekend was. Valt dit hem wel toe te rekenen of was hij daarmee reeds vóór het arbitraal vonnis bekend, dan heeft voor hem de weg van wraking van de betreffende arbiter opengestaan, hetgeen een vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis op grond van deze feiten en omstandigheden uitsluit.”
In de slotalinea van het arrest
Nordström/ Van Nievelt Goudriaan & Cois door de Hoge Raad, zakelijk weergegeven, geoordeeld dat een vernietigingsvordering wegens strijd met de openbare orde niet kan slagen indien de partij die de vordering instelt, daaraan feiten en omstandigheden ten grondslag legt die hem tijdens de arbitrale procedure (toerekenbaar) bekend waren. M.i. vertoont deze maatstaf gelijkenis met de maatstaf van art. 1065 lid 4 Rv Pro die geldt bij een beroep op schending van de opdracht door het scheidsgerecht (zie hiervoor onder 2.10-2.15).
Nordström/ Van Nievelt Goudriaan & Co.
Nordström/ Van Nievelt Goudriaan & Cois overwogen, geen feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen op grond waarvan moet worden aangenomen dat hetzij Van der Veen als arbiter bij het geven van de arbitrale beslissing in feite niet onpartijdig dan wel niet onafhankelijk was, hetzij omtrent diens toenmalige onpartijdigheid of onafhankelijkheid in zo ernstige mate twijfel mogelijk is dat het, de overige omstandigheden van het geval mede in aanmerking genomen, onaanvaardbaar zou zijn van de partij die in de arbitrage in het ongelijk is gesteld, te vergen dat zij zich bij de uitspraak neerlegt.
Nordström/ Van Nievelt Goudriaan & Co. Het hof kon in rov. 4.14 daarom volstaan met de verwijzing naar rov. 4.3.
subonderdelen 2.1en
2.2zijn gericht tegen rov. 4.6 waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
Het hof heeft, in cassatie niet bestreden, in rov. 4.2, overwogen, zakelijk weergegeven, dat de eerste, door het hof te beantwoorden vraag is of het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden als bedoeld in art. 1065 lid 1 onder Pro c Rv en dat [eisers] in dat verband een viertal redenen hebben aangevoerd. De vierde reden is:
Het hof heeft dan ook in de aangevallen rechtsoverweging, in cassatie terecht niet bestreden, geoordeeld dat het scheidsgerecht ten aanzien van de toelaatbaarheid van bewijsmiddelen een discretionaire bevoegdheid heeft en tot toelating niet zonder meer is verplicht.
Uit de ‘kan-bepaling’ volgt dat ook deze bevoegdheid een discretionaire bevoegdheid is.
Hierop stuit het subonderdeel reeds af.
subonderdelen 2.4en
2.5klagen in de kern dat het hof niet (voldoende kenbaar) heeft gerespondeerd op de (essentiële) stelling van [eisers] dat het scheidsgerecht de afwijzing van het verzoek van [eisers] om de gemeente te bevelen het rapport van de rekenkamer te laten overleggen, niet toereikend heeft gemotiveerd.
Inmiddels vaste rechtspraak [35] is dat de rechter een arbitraal vonnis uitsluitend op de in art. 1065 lid Pro 1, aanhef en onder d, Rv vermelde grond mag vernietigen indien (i) een motivering ontbreekt, of (ii) indien een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld. Aan de rechter komt niet de bevoegdheid toe om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen.
In de afwijzing valt, anders dan [eisers] betogen, dus wel degelijk “enige steekhoudende verklaring” te onderkennen.