ECLI:NL:PHR:2021:797

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2021
Publicatiedatum
6 september 2021
Zaaknummer
20/00277
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 511h SvArt. 36e Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-indienen middelen in zaak profijtontneming medeplegen cocaïnehandel

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 15 januari 2020 vastgesteld dat de verdachte een wederrechtelijk voordeel van €25.014,00 heeft verkregen uit medeplegen van handel in cocaïne en heeft hem verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen.

De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak, maar heeft geen schriftuur met cassatiemiddelen ingediend binnen de wettelijke termijn. De aanzegging van het cassatieberoep is rechtsgeldig betekend op het adres waar de verdachte destijds stond ingeschreven.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert daarom dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, in samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd.

De zaak hangt samen met andere zaken tegen medeverdachten, maar dit cassatieberoep wordt afzonderlijk behandeld en afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/00277 P
Zitting8 juni 2021

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de betrokkene.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel bij uitspraak van 15 januari 2020 vastgesteld op € 25.014,00 en hem de verplichting opgelegd tot betaling van dat geldbedrag aan de Staat.
De zaak hangt samen met de zaken met zaaknummers 20/00154 ( [medeverdachte 1] ), 20/00153 ( [medeverdachte 1] ) en 20/00272 ( [medeverdachte 3] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
De aanzegging in cassatie is op 12 september 2020 in persoon aan de betrokkene uitgereikt op het adres [a-straat 1] te [plaats] . [1] Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 36e, eerste lid, onder b, Sv rechtsgeldig betekend.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, in samenhang met art. 511h Sv niet in acht genomen, zodat de betrokkene niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Uit een bevraging BRP van de betrokkene blijkt dat de betrokkene destijds op dat adres stond ingeschreven.