ECLI:NL:PHR:2021:814

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juni 2021
Publicatiedatum
10 september 2021
Zaaknummer
19/04339
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 2 OpiumwetArt. 81 lid 1 ROArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep wegens onvoldoende strafvermindering bij overschrijding redelijke termijn in medeplegen amfetamineproductie

De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 35 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van het vervaardigen van amfetamine, in strijd met artikel 2 onder Pro D van de Opiumwet.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de strafmotivering, specifiek tegen de geringe strafvermindering van slechts één maand vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hof had vastgesteld dat de redelijke termijn met ongeveer zes maanden was overschreden, maar vond een korting van 2,8% passend.

De Hoge Raad oordeelt dat het middel faalt omdat in cassatie niet voor het eerst kan worden geklaagd over de termijnoverschrijding indien ter terechtzitting in hoger beroep geen verweer is gevoerd. De opmerkingen van de raadsvrouw waren onvoldoende als verweer tegen de overschrijding. De conclusie is dat het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf van 35 maanden gevangenisstraf blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/04339
Zitting15 juni 2021
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 16 september 2019 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro D van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaken 19/04267 ( [medeverdachte 1] ), 19/04263 ( [medeverdachte 6] ), 19/04368 ( [medeverdachte 2] ), 19/04445 ( [medeverdachte 3] ) en 19/04296 ( [medeverdachte 4] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.W. Heemskerk, advocaat te Roermond, heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat zich richt tegen de strafmotivering in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

2.Het middel

2.1.
Het middel klaagt dat het oordeel van het hof, dat de op te leggen straf vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met ‘slechts’ een maand (een korting van 2,8 %) dient te worden verminderd, ontoereikend is gemotiveerd. De redelijke termijn is in hoger beroep namelijk tussen de 6 en 7 maanden overschreden waardoor een strafkorting van in ieder geval 5 % passend zou zijn en een korting van 10 % eveneens in de rede zou liggen gelet op de door de Hoge Raad in zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 geformuleerde uitgangspunten.
2.2.
Het hof heeft in zijn arrest van 16 september 2019 de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep als volgt betrokken bij het bepalen van de straf:
“Redelijke termijn
Met betrekking tot de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het navolgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Deze waarborg strekt er onder mee toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Op 6 maart 2017 is immers van de zijde van de verdachte hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ingesteld, terwijl het hof op 16 september 2019 arrest wijst. Het hof stelt vast dat het niet binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen. In hoger beroep is de redelijke termijn met een periode van ongeveer zes maanden overschreden. Bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep rechtvaardigen zijn het hof niet gebleken. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling in hoger beroep binnen een redelijke termijn dan ook geschonden. Het hof is van oordeel dat deze schending van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering.
Zonder deze schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht naar het oordeel van het hof passend en geboden zijn geweest.
Nu de redelijk termijn in hoger beroep is geschonden, zal het hof volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Hetgeen omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht leidt niet tot een ander oordeel.”
2.3.
Het middel stuit reeds af op de omstandigheid dat in cassatie niet voor het eerst over de schending van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak kan worden geklaagd wanneer de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en door of namens de verdachte hierover geen verweer is gevoerd. Dat geldt ook indien het hof ambtshalve heeft vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden. [1] Blijkens de in hoger beroep overgelegde pleitnoties van de raadsvrouw alsmede hetgeen zij aanvullend tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 september 2019 heeft aangevoerd blijkt dat de raadsvrouw uitsluitend heeft opgemerkt dat het een ‘oude zaak’ betreft, dat ‘het ongebruikt verstrijken van de tijd niet te wijten is aan verdachte’ en ‘de advocaat-generaal in haar strafeis slechts een korting van 2 maanden gevangenisstraf [geeft]’. Deze summiere opmerkingen kunnen bezwaarlijk worden aangemerkt als een verweer ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn.
2.4.
Het middel faalt.

3.Conclusie

3.1.
Het middel faalt en kan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,