In de zaak E LATS van 11 juli 2018 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld over de vraag of onder het begrip ‘gebruikte goederen’ ook gebruikte goederen vallen die edelmetalen of edelstenen bevatten en die worden doorverkocht met het oog op terugwinning van deze metalen of stenen. Zie ook de administratieve voorwaarde in r.o. 38.
19 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 311, lid 1, punt 1, van de btw-richtlijn betreft, zij eraan herinnerd dat volgens deze bepaling onder „gebruikte goederen” wordt verstaan, „roerende lichamelijke zaken die in de staat waarin zij verkeren of na herstelling opnieuw kunnen worden gebruikt, andere dan kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, en andere dan edele metalen of edelstenen als omschreven door de lidstaten”.
20 Hieruit volgt dat een goed aan verschillende voorwaarden moet voldoen om als een gebruikt goed in de zin van die bepaling te kunnen worden beschouwd, namelijk ten eerste een roerende lichamelijke zaak zijn, ten tweede in de staat waarin het verkeert of na herstelling opnieuw kunnen worden gebruikt, en ten derde niet behoren tot de categorie van kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten of die van edelmetalen en edelstenen.
21 Aangaande de eerste en de tweede voorwaarde moet eraan worden herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het begrip „gebruikte goederen” in de zin van artikel 311, lid 1, punt 1, van de btw-richtlijn mede ziet op roerende lichamelijke goederen die in de staat waarin zij verkeren of na herstelling opnieuw kunnen worden gebruikt, wanneer zij worden gedemonteerd uit een ander goed waarin zij als onderdeel waren verwerkt, en dat de kwalificatie als „gebruikt goed” enkel vereist dat het gebruikte goed de functionaliteiten heeft behouden die het had toen het nieuw was, en dat het daarom, in de staat waarin het verkeert of na herstelling, opnieuw kan worden gebruikt (zie in die zin arrest van 18 januari 2017, Sjelle Autogenbrug, C‑471/15, EU:C:2017:20, punten 31 en 32).
22-27 (…)
28 Voorts houdt de uitsluiting van edelmetalen en edelstenen van de winstmargeregeling, zoals de advocaat-generaal in de punten 49 tot en met 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, verband met het feit dat de waarde die men aan edelmetalen en edelstenen hecht niet alleen voortvloeit uit het nut ervan als grondstof voor de vervaardiging van andere goederen, maar in wezen samenhangt met de intrinsieke waarde die eraan kan worden toegekend. Zelfs zonder dat deze metalen en stenen hoeven te worden verwerkt in of omgevormd tot een product met een specifieke functionaliteit, hebben zij dus een eigen functionaliteit – namelijk het vertegenwoordigen van een financiële waarde op de markt voor edelmetaal of edelsteen. Zij verliezen deze intrinsieke waarde trouwens niet wanneer ze meermaals worden hergebruikt, aangezien het materialen zijn die met behoud van hun waarde eenvoudig kunnen worden herwonnen en omgevormd.
29-32 (…)
33 Om onder de categorie „gebruikte goederen” in de zin van artikel 311, lid 1, punt 1, van de btw-richtlijn – die in aanmerking komen voor de bijzondere winstmargeregeling – en niet onder de categorie van de „edele metalen of edelstenen” – die van die regeling zijn uitgesloten – te kunnen vallen, moet een voorwerp dat uit dergelijke metalen of stenen is samengesteld bijgevolg een andere functionaliteit hebben dan die welke inherent is aan de materialen waaruit het is samengesteld, moet het deze functionaliteit hebben behouden en moet het, in de staat waarin het verkeert of na herstelling, opnieuw kunnen worden gebruikt.
34 Wanneer een voorwerp daarentegen geen andere functionaliteit heeft dan die welke inherent is aan de materialen waaruit het is samengesteld of geen dergelijke andere functionaliteit kan vervullen, kan dit voorwerp, zoals de advocaat-generaal in punt 72 van zijn conclusie heeft opgemerkt, niet in aanmerking komen voor de bijzondere winstmargeregeling aangezien zijn economische cyclus eindigt en het voorwerp enkel nog nut heeft om te worden verwerkt tot een nieuw voorwerp dat een nieuwe economische cyclus zal doorlopen. Op die manier verdwijnt het risico op dubbele belasting – reden waarom de winstmargeregeling werd ingevoerd.
35 Om in een specifiek geval uit te maken of een doorverkocht goed tot de categorie „gebruikte goederen” dan wel de categorie „edelmetalen en edelstenen” behoort, moet met name rekening worden gehouden met alle objectieve omstandigheden waarin de doorverkoop tot stand is gekomen. Zoals uit de rechtspraak van het Hof blijkt, hebben de in de btw-richtlijn gehanteerde begrippen immers een objectief karakter en worden zij onafhankelijk van het oogmerk of het resultaat van de betrokken handeling toegepast (zie in die zin arrest van 6 juli 2006, Kittel en Recolta Recycling, C‑439/04 en C‑440/04, EU:C:2006:446, punt 41).
36 Dat factoren zoals de bedoeling van de bij de transactie betrokken belastingplichtige in aanmerking worden genomen, druist dan ook in – behalve in uitzonderlijke gevallen – tegen de doelstellingen van het gemeenschappelijke btw-stelsel, namelijk de rechtszekerheid te waarborgen en de heffing van de btw te vergemakkelijken door af te gaan op de objectieve aard van de betrokken handeling (arrest van 6 juli 2006, Kittel en Recolta Recycling, C‑439/04 en C‑440/04, EU:C:2006:446, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Factoren zoals de manier waarop de betrokken voorwerpen worden aangeboden, de waarderingsmethode voor die voorwerpen en de facturatiemethode – te weten in bulk (bruto/gewicht) of per stuk – zijn daarentegen objectieve kenmerken waarmee bijgevolg rekening kan worden gehouden, zoals de advocaat-generaal in de punten 78 en 82 van zijn conclusie heeft aangegeven.
38 Hieraan moet in dit verband worden toegevoegd dat aangezien de onder de winstmargeregeling bepaalde maatstaf van heffing moet blijken uit een boekhouding die toestaat na te gaan of alle voorwaarden voor de toepassing van die regeling zijn vervuld (arrest van 18 januari 2017, Sjelle Autogenbrug, C‑471/15, EU:C:2017:20, punt 43), de boekhouding van de belastingplichtige wederverkoper en de bijbehorende facturen, behalve in uitzonderlijke gevallen, objectieve informatie kunnen verschaffen over de betrokken transactie en de verkochte voorwerpen.
39 Gelet op al het voorgaande dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 311, lid 1, punt 1, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat gebruikte goederen die edelmetalen of edelstenen bevatten niet onder het begrip „gebruikte goederen” vallen indien zij niet meer geschikt zijn om hun oorspronkelijke functie te vervullen en enkel nog de functionaliteiten overhouden die inherent zijn aan die metalen en stenen, waarbij het aan de nationale rechter staat om dit te verifiëren rekening houdend met alle relevante objectieve omstandigheden van elk specifiek geval.