Conclusie
Datum28 januari 2021
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2010 2010
7.763 17.580
- 153.463 - 212.676
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende, een vennootschap onder firma die handelt in sieraden en edele metalen, voerde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam dat de toepassing van de marge- en globalisatieregeling in de omzetbelasting afwees.
Het Hof had vastgesteld dat de administratie van belanghebbende ernstige gebreken vertoonde, waaronder vervalste inkoopbonnen, onvoldoende kasadministratie en onvolledige goederenadministratie, waardoor niet kon worden voldaan aan de wettelijke administratieve verplichtingen. Hierdoor kon de administratie niet als betrouwbare grondslag dienen voor de omzetberekening en toepassing van de bijzondere regelingen.
De Inspecteur had de omzetbelasting geschat op basis van de inkopen en een brutowinstpercentage van 100%, wat het Hof als een redelijke schatting beoordeelde. Belanghebbende voerde aan dat de administratie wel voldeed en dat de globalisatieregeling van toepassing was, maar het Hof verwierp deze stellingen wegens gebrek aan bewijs en onbetrouwbaarheid van de administratie.
De Hoge Raad bevestigt dat de marge- en globalisatieregeling alleen kunnen worden toegepast indien een betrouwbare administratie aanwezig is die het verband tussen inkoop en verkoop kan aantonen. Ook oordeelt de Hoge Raad dat de goederen van belanghebbende niet onder de in de Uitvoeringsbeschikking genoemde categorieën vallen waarop de globalisatieregeling van toepassing is, en dat er geen aanwijzing door de Inspecteur is gegeven.
Daarmee verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag omzetbelasting en het oordeel van het Hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag omzetbelasting blijft in stand.