Conclusie
verhuurder) heeft een aan hem in eigendom toebehorende woning verhuurd aan verweerster in cassatie (hierna:
huurder). Verhuurder heeft de huurovereenkomst opgezegd op grond van dringend eigen gebruik (art. 7:274 lid 1 sub c BW Pro) en heeft in eerste aanleg gevorderd de einddatum van de huurovereenkomst en de datum van ontruiming vast te stellen (art. 7:272 lid 2 BW Pro). De kantonrechter heeft de vordering afgewezen omdat verhuurder niet heeft bewezen dat sprake is van passende woonruimte voor huurder. De kantonrechter heeft daarop de huurovereenkomst voor bepaalde tijd verlengd tot 29 maart 2019 (art. 7:273 lid 2 BW Pro). Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het heeft daarbij in het midden gelaten of sprake is van passende woonruimte omdat de huurovereenkomst hoe dan ook geëindigd zou zijn op de door de kantonrechter vastgestelde en inmiddels verstreken datum van 29 maart 2019. In cassatie wordt door verhuurder onder meer geklaagd dat het hof heeft miskend dat de beëindigingsvordering niet kan worden toegewezen tegen een voor zijn uitspaak gelegen datum en dat verlenging voor bepaalde tijd op de voet van art. 7:273 lid 2 BW Pro niet tot gevolg heeft dat de overeenkomst na ommekomst van de termijn van rechtswege tot een einde komt. Deze klachten treffen doel.
1.Feiten
2.Procesverloop
het tussenvonnis) heeft de kantonrechter verhuurder opgedragen te bewijzen (i) dat er sprake is van co-ouderschap tussen verhuurder en zijn ex-partner en (ii) dat er voor huurder passende woonruimte beschikbaar is, die voldoet aan de in het vonnis opgesomde eigenschappen.
het eindvonnis) heeft de kantonrechter de tussen partijen geldende huurovereenkomst verlengd voor bepaalde tijd tot 29 maart 2019 en de vordering van verhuurder voor het overige afgewezen (dictum). Daartoe heeft zij als volgt overwogen.
Verhuurder heeft bewezen dat sprake is van co-ouderschap en daarmee de dringendheid van het eigen gebruik van de woning voldoende aannemelijk gemaakt (rov. 2.2). Verhuurder is echter niet geslaagd in het bewijs dat in de omgeving passende woonruimte voor huurder kan worden gevonden, zodat niet aan de vereisten van art. 7:274 lid 1 sub c BW Pro is voldaan (rov. 2.3-2.6). Ingevolge art. 7:273 lid 2 BW Pro wordt de huurovereenkomst van rechtswege verlengd en dient de kantonrechter te beslissen of deze verlenging voor bepaalde of onbepaalde tijd geldt. Gelet op de omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter aanleiding de huurovereenkomst voor bepaalde tijd, voor de duur van 12 maanden, te verlengen. Daarbij is van belang dat de huurovereenkomst tussen partijen in eerste instantie voor bepaalde tijd (voor de duur van 12 maanden) is aangegaan, met daarna een mogelijkheid voor huurder om het huis te kopen. Hieruit volgt dat huurder zich van meet af aan heeft moeten realiseren dat er een moment zou kunnen aanbreken waarop verhuurder er een gerechtvaardigd belang bij zou hebben om de huurovereenkomst te beëindigen. De einddatum zal worden vastgesteld op 29 maart 2019 (rov. 2.7).
eerste griefvan huurder is gericht tegen de verlenging van de huurovereenkomst voor de duur van twaalf maanden met als einddatum 29 maart 2019 (eindvonnis, rov. 2.7). [9]
grief Iis verhuurder opgekomen tegen de door de kantonrechter vastgestelde criteria voor een ‘passende woning’ voor huurder (tussenvonnis, rov. 3.11); met
grief IIkomt hij op tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij niet heeft bewezen dat sprake is van passende woonruimte voor huurder (eindvonnis, rov. 2.5) en biedt hij nader bewijs aan van de aanwezigheid daarvan. [11]
3.Juridisch kader
4.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelwordt aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat zowel bij beëindiging op grond van dringend eigen gebruik als bij toepassing van art. 7:273 lid 2 BW Pro de huurovereenkomst niet langer zou hebben voortgeduurd dan tot 29 maart 2019.
Ten tweedewordt geklaagd dat het hof de huurovereenkomst niet wegens dringend eigen gebruik kon beëindigen per 29 maart 2019 omdat deze datum vóór de datum van de uitspraak ligt. Met het
derde onderdeelwordt betoogd dat het hof ook bij toepassing van art. 7:273 lid 2 BW Pro (opnieuw) had moeten vaststellen tegen welke actuele datum de huurovereenkomst voor bepaalde tijd werd verlengd. Het
vierde onderdeelbetreft een voortbouwklacht.
niet zou hebben voortgeduurd na 29 maart 2019:
niet hetzelfde rechtsgevolghebben; zij leiden niet elk tot
beëindigingvan de huurovereenkomst. Art. 7:274 lid 1 sub c BW Pro heeft tot gevolg dat de huurovereenkomst eindigt op een door de rechter te bepalen datum. Toepasselijkheid van art. 7:273 lid 2 BW Pro betekent echter niet dat de huurovereenkomst van rechtswege eindigt na afloop van de bepaalde tijd maar slechts dat de verhuurder deze na verloop van de bepaalde tijd opnieuw zal moeten opzeggen (en indien huurder niet met de opzegging instemt, beëindiging via de rechter moet proberen te bewerkstelligen). Daarom had het hof niet in het midden mogen laten of sprake is van passende woonruimte voor huurder. Gegrondbevinding van (een van) de incidentele grieven had immers kunnen leiden tot de door verhuurder gevorderde vaststelling van de einddatum en ontruiming, aldus verhuurder. ’s Hofs bekrachtiging van de beslissing van de kantonrechter heeft echter tot gevolg dat verhuurder opnieuw zal moeten opzeggen, mogelijk gevolgd door een gang naar de kantonrechter.
de verlenging van de huurovereenkomst met een periode van een jaar [is] het maximale”) heeft niet tot gevolg dat de huurovereenkomst door enkel tijdsverloop van rechtswege zou zijn geëindigd per 29 maart 2019.
eerste klachtdat het hof – na afwijzing van de vorderingen van verhuurder in incidenteel appel tot beëindiging en ontruiming – ten onrechte heeft nagelaten een eigen/actueel oordeel te geven over de verlenging van de huurovereenkomst ná het gewezen arrest. Het gevolg van dit verzuim is dat in de loop van de appelprocedure de door de kantonrechter voor bepaalde tijd verlengde huurovereenkomst stilzwijgend is overgegaan in een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, aldus verhuurder.
tweede klachtvan onderdeel 3 neemt tot uitgangspunt dat het hof, door de huurovereenkomst niet voor bepaalde tijd tegen een actuele datum te verlengen, de huurovereenkomst impliciet voor
onbepaaldetijd heeft verlengd. Dit oordeel zou onjuist en onbegrijpelijk zijn, omdat het tegenstrijdig is aan rov. 5.7 van het bestreden arrest.