Conclusie
[eiser])
[verweerster 1])
[verweerster 2])
[verweersters])
1.Feiten
[A]).
holding) 80%-aandeelhouder en bestuurder van [A] .
[C]), waar [eiser] dan in dienst zou treden.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
[E]) gedagvaard voor de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de
rechtbank), en gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair: [eiser] te veroordelen tot betaling aan [verweersters] - des dat aan de een betaald is [eiser] jegens de ander is gekweten - van een bedrag van € 211.387,27, te vermeerderen met de dagrente van € 33,97 vanaf 22 februari 2017, alsmede te verhogen met rente conform de regels voor samengestelde interest;
Subsidiair: [E] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [verweersters] - des dat aan de een betaald is [E] jegens de ander is gekweten - van een bedrag van € 211.387,27, te vermeerderen met de dagrente van € 33,97 vanaf 22 februari 2017, alsmede te verhogen met rente conform de regels voor samengestelde interest, althans van een bedrag als door de rechtbank in goede justitie vast te stellen, verhoogd met de renteschade van € 17.237 plus lopende rente, althans een bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vaststellen, met een maximum als voormeld;
eindvonnis), kort gezegd: verstaan dat de procedure tegen de holding is geschorst, de vorderingen tegen [eiser] en [A] afgewezen, [verweerster 1] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 4.078,00, en aan de zijde van [A] tot op heden begroot op nihil, en iedere verdere beslissing aangehouden. [4]
hof). [5] Bij memorie van grieven hebben [verweersters] , onder aanvoering van vijf grieven en onder wijziging van eis, gevorderd dat het hof bij arrest - uitvoerbaar bij voorraad - het eindvonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
eindarrest) vernietigt het hof het eindvonnis en:
going concerngewaardeerd terwijl [A] haar andere activa overdroeg en haar onderneming medio 2015 liquideerde, de machines eigenlijk geen marktwaarde meer hadden, en de debiteurenstand gebaseerd was op een actuele debiteurenlijst zonder enig analyse van ouderdom en incasseerbaarheid, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de resterende, niet verkochte activa van [A] nauwelijks meer enige waarde hadden, zelfs geen liquiditeitswaarde; (rov. 4.6)
onrechtmatige daad
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Ik maak, voor zover relevant, eerst enkele opmerkingen over de aard van het appelprocesrecht. Het hoger beroep dient niet alleen tot het bestrijden van het oordeel van de eerste rechter, maar geeft ook de mogelijkheid tot verbetering en aanvulling van hetgeen een partij in eerste aanleg gedaan heeft; het hoger beroep biedt aldus, kort gezegd, een integrale herkansing. De appelrechter is - behoudens, in essentie, regels van openbare orde - gebonden aan de door de memorie van grieven, de (eventueel gewijzigde) vordering en, als dit zich voordoet, het incidenteel beroep aangegeven grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep, binnen welke grenzen de appelrechter zelfstandig opnieuw moet beoordelen en beslissen. In de kern kent het hoger beroep twee fasen van beoordeling: (i) het beoordelen van de grieven; en (ii) bij het slagen van een of meer van de grieven, het beoordelen van het geschil voor zover dat door deze grieven is ontsloten in hoger beroep. [9] M.i. blijkt uit het eindarrest niet dat het hof dit miskent, ook niet in de door de klacht “aangevallen overwegingen van het Hof”.
Het hof overweegt onder “3 Het geschil, de beslissing in eerste aanleg en de grieven” in rov. 3.3 eindarrest, in cassatie onbestreden, dat de rechtbank in haar eindvonnis het tegen [eiser] wegens bestuurdersaansprakelijkheid gevorderde heeft afgewezen op de gronden (i) “dat bestuurdersaansprakelijkheid in de (door de faillietverklaring) geschorste procedure tegen de holding niet kon worden vastgesteld” (dit ziet op rov. 4.10 eindvonnis) [10] en (ii) “dat verder niet vaststond wie van de [vennootschappen] [ [verweersters] , A-G] als gelduitlener moest worden aangemerkt” (dit ziet op rov. 4.11-4.12 eindvonnis), en in rov. 3.4, eveneens in cassatie onbestreden, dat [verweersters] in hun hoger beroep “daartegen op[komen] met vijf grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen”, gevolgd door de vaststelling dat zij ( [verweersters] ) daarbij, zonder bezwaar van [eiser] , hun vordering hebben gewijzigd, zoals weergegeven in het vervolg van rov. 3.4.
[verweersters] zijn (i) met grief 1 [11] opgekomen tegen rov. 4.10 eindvonnis en (ii) met grieven 2-5 [12] opgekomen tegen rov. 4.11-4.12 eindvonnis. Mede gelet op rov. 3.3-3.4 eindarrest beoordeelt het hof deze grieven, zoals verstaan door het hof in het licht ook van het eindvonnis, waarover zo-even, wat betreft (i) grief 1 in rov. 4.1 (“
gevolgen van schorsing ex artikel 29 Faillissementswet Pro”) en (ii) grieven 2-5 in rov. 4.2 (“
wie van beide [vennootschappen] is de gelduitlener?”), waarover onder 2.7 hiervoor. De uitkomst van deze beoordeling (dus: fase (i)) is kenbaar dat [verweersters] met deze (door het hof gezamenlijk behandelde) grieven de genoemde oordelen van de rechtbank in het eindvonnis met succes hebben bestreden, reden waarom het hof vervolgens, met inachtneming (ook) daarvan, in rov. 4.3-4.15, 5 en 6 komt tot een beoordeling van de op onrechtmatige daad gebaseerde vordering van [verweersters] jegens [eiser] in privé als middellijk bestuurder van [A] , zoals in hoger beroep gewijzigd (zonder bezwaar van [eiser] ) en weergegeven in rov. 3.4, waarover onder 2.7-2.13 hiervoor (dus: fase (ii)).
Ik keer nu terug naar de klacht. Anders dan deze aanvoert, beoordeelt het hof in het eindarrest de door [verweersters] ingediende grieven 1-5 dus wel degelijk op hun gegrondheid, waarbij ’s hofs oordeel over de gegrondheid van die aangevoerde grieven dus wel degelijk afdoende kenbaar is. Dat het hof hierbij deze grieven niet uitdrukkelijk noemt (na rov. 3.4), en niet met zoveel woorden oordeelt dat deze (door het hof gezamenlijk behandelde) grieven slagen (zie overigens wel rov. 5.1 over het slagen van het hoger beroep, volgend op ‘s hofs beoordeling t/m rov. 4.15), doet aan het voorgaande logischerwijs niet af. Kortom, de door de klacht veronderstelde situatie dat de “aangevallen overwegingen” van het hof onjuist, althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zouden zijn, omdat, kort gezegd, het hof zou hebben miskend dat het grievenstelsel in hoger beroep toegepast moet worden, doet zich in werkelijkheid niet voor.
Hierop stuit de klacht af.
Voor zover de onderhavige klacht voortbouwt op de daaraan voorafgaande klacht in het onderdeel, [13] die faalt, waarover onder 3.2-3.3 hiervoor, deelt de onderhavige klacht in het lot van die daaraan voorafgaande klacht. Ook overigens strandt de onderhavige klacht.
Ik start met [A] en rov. 4.6 eindvonnis, waaruit de klacht deels citeert. De volledige tekst van rov. 4.6 eindvonnis luidt als volgt:
Ten aanzien van de vordering jegens [A]
[cursivering in origineel, A-G]
subsidiairevordering van [verweersters] , te weten de vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad (waarover ook rov. 3.1, 3.3-3.7 en 4.4-4.5 eindvonnis): de daarop gebaseerde vorderingen jegens holding en [eiser] behandelt de rechtbank in rov. 4.7-4.8 respectievelijk rov. 4.9-4.13, die jegens [A] dus in rov. 4.6. [14] Lezing van rov. 4.6 eindvonnis leert dat, wat betreft deze subsidiaire vordering van [verweersters] (tot schadevergoeding uit
onrechtmatige daad) jegens [A] , hetgeen de rechtbank overweegt in rov. 4.6 erop neerkomt: (i) dat [verweersters] geen omstandigheden hebben gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie leiden dat [A]
onrechtmatig heeft gehandeldjegens [verweersters] ; (ii) dat “dit” (dus: (i)) tot de conclusie leidt dat “het beroep op aansprakelijkheid van [A] ” (dus: dat beroep van [verweersters] in het kader van hun subsidiaire vordering op aansprakelijkheid van [A] jegens hen uit hoofde van
onrechtmatige daad, wat het enige beroep van [verweersters] op aansprakelijkheid van [A] is dat de rechtbank onderkent) [15] faalt; en (iii) dat “de vordering jegens [A] ” (dus: deze subsidiaire vordering van [verweersters] (tot schadevergoeding uit
onrechtmatige daad) jegens [A] ) “reeds daarom” (dus: (i) en (ii)) dient te worden afgewezen, wat er ook zij van de juridische merites van deze grondslag.
In hoger beroep gaat het hof, blijkens rov. 2.1 eindarrest, uit van de feiten zoals beschreven door de rechtbank in rov. 2.1-2.12 eindvonnis, welke feiten blijkens rov. 2.2 eindarrest volgens het hof neerkomen op hetgeen het daar omtrent deze feiten vaststelt, alles in cassatie onbestreden. Onderdeel van die vaststelling is: dat in 2013/2014 een van [verweersters] [16] viermaal gelden, in totaal € 200.000, tegen contractuele rente en opeisbaar eind 2013 respectievelijk eind 2014, [17] heeft uitgeleend aan [A] ; dat [A] na de verkoop en levering medio 2015 van haar bedrijfspand (en de omgevingsvergunning) direct haar activiteiten beëindigde, in feite in staat van liquidatie verkeerde en op 3 september en 5 oktober 2015 nog € 10.000 en € 20.000 op deze leningen van [verweersters] (van in totaal € 200.000) heeft terugbetaald; [18] dat [A] verder uit de activaverkoopopbrengst al haar andere destijds openstaande schulden heeft voldaan; [19] en dat [A] later op eigen aangifte in staat van faillissement is verklaard, welk faillissement werd opgeheven bij gebrek aan baten op 4 september 2018.
is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis jegens [verweerster 1] tot (tijdige) aflossing onder de geldleningen. [20] Dit laatste brengt als uitgangspunt mee dat alleen [A] jegens [verweerster 1] deswege - kort gezegd: genoemde tekortschieten door [A] - aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade van [verweerster 1] (welke aansprakelijkheid het hof dan ook betrekt in zijn analyse in het eindarrest, in lijn met het voorgaande), maar laat onverlet dat onder bijzondere omstandigheden, naast aansprakelijkheid van [A] , ook ruimte is voor aansprakelijkheid van een (middellijk) bestuurder van die vennootschap jegens [verweerster 1] op grond van onrechtmatige daad, voor het aannemen waarvan is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, hetgeen het hof in het eindarrest (dus) uitgebreid gemotiveerd aanneemt ten aanzien van [eiser] als middellijk bestuurder van [A] in verhouding tot haar benadeelde schuldeiser [verweerster 1] (zie ook onder 3.3 hiervoor). [21] Hieraan staat niet in de weg dat [verweersters] in hoger beroep met hun grieven niet (ook) zijn opgekomen tegen rov. 4.6 eindvonnis. Uit hetgeen de rechtbank daar overweegt, waarover ook hiervoor, volgt immers - anders dan de klacht suggereert, en naar ’s hofs geenszins onbegrijpelijke uitleg van het eindvonnis - niet dat [A] ongeacht de grondslag “(nog) niet aansprakelijk” was jegens [verweerster 1] en/of [verweerster 2] voor schade vanwege de onbetaald en onverhaalbaar gebleven vordering uit hoofde van de geldleningen, ook uitsluitend aansprakelijkheid in verband met, kort gezegd, een tekortschieten door [A] in de nakoming van haar verbintenis jegens [verweerster 1] tot (tijdige) aflossing onder de geldleningen
(waarover de rechtbank zich daar, of elders in het eindvonnis, evenwel niet uitlaat), maar, zoals gezegd, hooguit: dat [verweersters] in eerste aanleg geen omstandigheden hebben gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie leiden dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld jegens hen; dat daarom dát beroep van [verweersters] in het kader van hun subsidiaire vordering op aansprakelijkheid van [A] jegens hen uit hoofde van onrechtmatige daad, wat het enige in eerste aanleg gedane beroep van [verweersters] op aansprakelijkheid van [A] is dat de rechtbank onderkent, faalt; en dat hieruit volgt dat deze subsidiaire vordering van [verweersters] (tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad) jegens [A] dient te worden afgewezen, nog afgezien van de juridische merites van deze grondslag.
Slechts
in zoverre, dus voor zover naar ’s hofs geenszins onbegrijpelijke uitleg volgend uit rov. 4.6 eindvonnis, zou dan ook gezegd kunnen worden dat het hof als tussen partijen vaststaand moest beschouwen dat van aansprakelijkheid van [A] jegens [verweersters] (nog) geen sprake was, [22] hetgeen dus niet verder reikt dan die op onrechtmatige daad gebaseerde aansprakelijkheid van [A] jegens [verweersters] waarop de rechtbank doelt, aanmerkelijk beperkter is dan datgene waarvan de klacht uitgaat (“Het Hof had daarom, als tussen partijen vaststaand moeten beschouwen”, etc.), en naar de aard niet prohibitief is voor de door het hof aangehouden lijn in het eindarrest wat betreft, kort gezegd, de te onderscheiden aansprakelijkheid van [A] jegens gelduitlener [verweerster 1] in verband met een tekortschieten door [A] in de nakoming van haar verbintenis jegens [verweerster 1] tot (tijdige) aflossing onder de geldleningen. [23] Daarmee valt reeds de bodem weg onder het betoog in de klacht dat het hof “daarom”, in het bijzonder vanwege rov. 4.6 eindvonnis, als tussen partijen vaststaand had moeten beschouwen dat [A] (nog) niet aansprakelijk was jegens [verweersters] vanwege de door het hof vastgestelde verhaalsschade. Dit werkt dan logischerwijs op evenzeer fatale wijze door in het vervolgbetoog in de klacht dat “[h]et gevolg daarvan” ook had moeten zijn dat [eiser] , in zijn hoedanigheid van middellijk bestuurder van [A] , “daarom evenmin (nog niet) aansprakelijk gehouden kon worden” voor de door het hof vastgestelde verhaalsschade.
Van de door de klacht bedoelde miskenning door het hof, [24] althans een onbegrijpelijke dan wel onvoldoende motivering door het hof waarom [eiser] toch voor de verhaalsschade van [verweersters] aansprakelijk moet worden gehouden, is dan a fortiori evenmin sprake. Daaraan doet niet af het aan het slot van de klacht nog gedane beroep op het door [eiser] in zijn memorie van antwoord gevoerde verweer, [25] in de woorden van het onderdeel:
Hierop stuit de klacht af.
Gelet op de door het onderdeel genoemde vindplaats [32] en de portee van de klacht, heeft deze het oog op de volgende passage uit de memorie van antwoord: [33]
dat hij bekend was met de financiële problemen van [A] en dat de gelden zijn verstrekt om [A] te ondersteunen.”N.B. tegen deze rechtsoverweging is geen grief ingesteld!”