Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2021:867

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2021
Publicatiedatum
24 september 2021
Zaaknummer
20/03154
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:101 lid 1 BWArt. 24 RvArt. 2:11 BWArt. 29 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onrechtmatige onttrekking activa en onverhaalbare geldleningen

In deze zaak stond de vraag centraal of de middellijk bestuurder van een vennootschap aansprakelijk kon worden gehouden voor onrechtmatige onttrekkingen uit de vennootschap, waardoor een schuldeiser schade leed. De feiten betroffen leningen van in totaal € 200.000 aan de vennootschap, waarvan slechts een deel werd terugbetaald. De vennootschap verkeerde in slechte financiële toestand en was na verkoop van activa in liquidatie.

De rechtbank wees de vorderingen grotendeels af, maar in hoger beroep vernietigde het hof dit vonnis. Het hof oordeelde dat de bestuurder onverplichte betalingen had gedaan aan zichzelf en zijn partner, waardoor de schuldeiser als enige onbetaald bleef. Dit was onzorgvuldig en vormde een ernstig verwijt, waardoor persoonlijke aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad ontstond.

Het hof veroordeelde de bestuurder tot betaling van € 166.500 plus wettelijke rente en kosten. In cassatie werden klachten over de toepassing van het grievenstelsel en het ontbreken van een motivering over eigen schuld verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat het hof de grieven voldoende had beoordeeld en dat geen sprake was van een essentieel verweer dat onbehandeld bleef.

De uitspraak bevestigt de mogelijkheid van bestuurdersaansprakelijkheid bij onrechtmatige onttrekking van activa die leidt tot onverhaalbare vorderingen van schuldeisers, mits een ernstig verwijt aan de bestuurder kan worden gemaakt.

Uitkomst: De bestuurder is persoonlijk aansprakelijk gesteld voor € 166.500 schadevergoeding plus rente en kosten wegens onrechtmatige onttrekkingen uit de vennootschap.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/03154
Zitting24 september 2021
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
[eiser] (hierna:
[eiser])
tegen
1. [verweerster 1] B.V. (hierna:
[verweerster 1])
2. [verweerster 2] B.V. (hierna:
[verweerster 2])
(hierna tezamen:
[verweersters])
In deze procedure heeft het hof geoordeeld dat de middellijk bestuurder van een vennootschap misbruik heeft gemaakt van zijn positie door, ten koste van een schuldeiser (gelduitlener) van de vennootschap, vermogen aan de vennootschap te onttrekken en dat hem daarvan onder de gegeven omstandigheden persoonlijk een ernstig verwijt te maken valt, zodat hij uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de verhaalsschade van die schuldeiser. Het oordeel van het hof wordt in cassatie hoofdzakelijk met appelprocesrechtelijke klachten aangevallen. M.i. kan het arrest in stand blijven.

1.Feiten

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gaat in zijn arrest van 7 juli 2020 uit van de feiten zoals beschreven in rov. 2.1-2.12 van het eindvonnis van de rechtbank Gelderland van 31 januari 2018, die neerkomen op het volgende: [1]
1.1
In 2013/2014 heeft een van [verweersters] viermaal gelden, in totaal € 200.000, tegen contractuele rente en opeisbaar eind 2013 respectievelijk eind 2014, uitgeleend aan [A] B.V (hierna:
[A]).
1.2
[eiser] was via [de holding] (hierna: de
holding) 80%-aandeelhouder en bestuurder van [A] .
1.3
Begin 2015 was de financiële positie van [A] qua liquiditeit en solvabiliteit slecht.
1.4
Per 1 augustus 2015 heeft ( [eiser] namens) [A] haar bedrijfspand voor € 200.000 en de omgevingsvergunning (met handelsnaam) voor € 800.000 verkocht aan [C] B.V. (hierna:
[C]), waar [eiser] dan in dienst zou treden.
1.5
[C] heeft op 28 april 2015 een deel van de koopsom, € 25.000, aan (een advocaat van) [eiser] vooruitbetaald opdat hij daarmee diverse schuldeisers van [A] , waaronder de belastingdienst, van zich af kon houden.
1.6
Begin juli 2015 heeft [C] nog eens € 100.000 vooruitbetaald aan de holding. Die € 100.000 heeft de holding vervolgens uitgeleend aan [eiser] levenspartner [betrokkene 1] voor het op 1 juli 2015 geplande transport van de door haar aangekochte woning.
1.7
Bij het transport van het bedrijfspand c.a. op 31 juli 2015 is uit de restantkoopprijs van € 875.000 aan Rabobank € 572.313,27 onder haar hypotheekrecht uitgekeerd en het restant aan [A] . Daarvan is € 45.000 in mindering op een schuld van [eiser] bij Rabobank terecht gekomen en is in augustus 2015, aldus het voormalige accountantskantoor van [A] ( [D] ), nog eens € 51.500 ten goede gekomen aan [eiser] .
1.8
[A] behield de voorraden, machines en handelsdebiteuren. Zij beëindigde na de verkoop en levering van het bedrijfspand (en de omgevingsvergunning) direct haar activiteiten, verkeerde in feite in staat van liquidatie en heeft op 3 september en 5 oktober 2015 nog € 10.000 en € 20.000 op de leningen van [verweersters] terugbetaald. Verder heeft zij uit de activaverkoopopbrengst al haar andere destijds openstaande schulden voldaan.
1.9
Later is [A] op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard. Het faillissement werd opgeheven bij gebrek aan baten op 4 september 2018. Doordat de inkomsten van de holding uit [A] volledig wegvielen, was de holding al op 14 maart 2017 (eerder dan [A] ) in staat van faillissement verklaard.

2.Procesverloop

In eerste aanleg

2.1
Op 24 februari 2017 hebben [verweersters] [eiser] , de holding en [A] (hierna tezamen:
[E]) gedagvaard voor de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de
rechtbank), en gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad:
-
Primair: [eiser] te veroordelen tot betaling aan [verweersters] - des dat aan de een betaald is [eiser] jegens de ander is gekweten - van een bedrag van € 211.387,27, te vermeerderen met de dagrente van € 33,97 vanaf 22 februari 2017, alsmede te verhogen met rente conform de regels voor samengestelde interest;
-
Subsidiair: [E] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [verweersters] - des dat aan de een betaald is [E] jegens de ander is gekweten - van een bedrag van € 211.387,27, te vermeerderen met de dagrente van € 33,97 vanaf 22 februari 2017, alsmede te verhogen met rente conform de regels voor samengestelde interest, althans van een bedrag als door de rechtbank in goede justitie vast te stellen, verhoogd met de renteschade van € 17.237 plus lopende rente, althans een bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vaststellen, met een maximum als voormeld;
- alsmede [eiser] , althans [E] , hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de kosten van beslagen en betekening en het nasalaris, onder de bepaling dat wettelijke rente verschuldigd is vanaf 8 dagen na betekening van het vonnis.
2.2
[verweersters] hebben aan de primaire vordering, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat [verweerster 1] € 200.000 ter leen aan [eiser] in privé heeft verstrekt. In vier schuldbekentenissen zijn geldleenovereenkomsten neergelegd. De schuldbekentenissen zijn door [eiser] in privé ondertekend. Ondanks dat de betaaltermijnen als neergelegd in de schuldbekentenissen zijn verstreken, heeft [eiser] € 170.000 niet terugbetaald. Aan de subsidiaire vordering hebben zij, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat [E] jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld doordat de positie die gepaard gaat met een pandrecht niet is gerespecteerd en gelden aan verhaal van schuldeisers van [A] zijn onttrokken. [eiser] heeft verweer gevoerd.
2.3
Na bij tussenvonnis van 19 juli 2017 [2] een comparitie van partijen te hebben bevolen, welke comparitie van partijen op 9 november 2017 heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 31 januari 2018 [3] (hierna: het
eindvonnis), kort gezegd: verstaan dat de procedure tegen de holding is geschorst, de vorderingen tegen [eiser] en [A] afgewezen, [verweerster 1] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 4.078,00, en aan de zijde van [A] tot op heden begroot op nihil, en iedere verdere beslissing aangehouden. [4]
In hoger beroep
2.4
Bij dagvaarding van 30 april 2018 zijn [verweersters] van het eindvonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het
hof). [5] Bij memorie van grieven hebben [verweersters] , onder aanvoering van vijf grieven en onder wijziging van eis, gevorderd dat het hof bij arrest - uitvoerbaar bij voorraad - het eindvonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
1. zal verklaren voor recht dat [eiser] jegens [verweerster 1] , althans [verweerster 2] , onrechtmatig heeft gehandeld door als middellijk bestuurder van [A] uit de opbrengst van de verkoop van activa van die vennootschap
a. onverplicht een geldlening van € 100.000 te verstrekken aan de holding met het enkele oogmerk dat geld uit te lenen aan diens partner teneinde de aankoop door haar van een woonhuis te financieren en/of
b. uit diezelfde opbrengst aan zichzelf € 51.500 uit te keren en/of
c. uit diezelfde opbrengst een niet door hypotheek op het verkochte onroerend goed gesecureerde privé-schuld aan Rabobank ad € 45.000 af te lossen;
alles paulianeuze, want onverplichte handelingen, terwijl [eiser] bekend was met de schuld van [A] aan de geldgeefster en ook persoonlijk had toegezegd aan de geldgeefster om tot aflossing over te gaan uit de opbrengst van de verkoop van activa;
2. [eiser] zal veroordelen tot schadevergoeding aan [verweerster 1] , althans [verweerster 2] , namelijk € 211.387,27, te vermeerderen met de dagrente ad € 33,97 vanaf 22 februari 2017, alsmede te verhogen met rente conform de regels voor samengestelde interest telkens na bijschrijving bij de hoofdsom van rente, alsmede verhoogd met de renteschade ad € 17.237 plus lopende rente,
althans zal bepalen dat de schade nader zal worden vastgesteld bij staat en onder gelijktijdige veroordeling tot betaling van een voorschot op de schade ten belope van € 150.000, althans een bedrag als het hof in goede justitie zal bepalen;
3. [eiser] zal veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met beslagkosten en daarmee samenhangende betekeningskosten, nasalaris en betekeningskosten indien betekening van het te wijzen arrest nodig mocht blijken te zijn.
Bij memorie van antwoord heeft [eiser] geconcludeerd dat het hof het eindvonnis zal bekrachtigen waarbij tevens wordt besloten dat appellanten niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen met veroordeling van appellanten in de kosten in hoger beroep.
2.5
Bij tussenarrest van 10 december 2019 [6] heeft het hof een (meervoudige) comparitie van partijen gelast, welke comparitie op 6 mei 2020 heeft plaatsgevonden via Skype-verbinding.
2.6
Bij eindarrest van 7 juli 2020 (hierna: het
eindarrest) vernietigt het hof het eindvonnis en:
- verklaart het hof voor recht dat [eiser] jegens [verweerster 1] onrechtmatig heeft gehandeld door als middellijk bestuurder van [A] uit de opbrengst van de verkoop van activa van [A]
a. onverplicht een geldlening van € 100.000 te verstrekken aan de holding met het enkele oogmerk dat geld uit te lenen aan diens partner teneinde de aankoop door haar van een woonhuis te financieren en/of
b. uit diezelfde opbrengst aan zichzelf € 51.500 uit te keren en/of
c. uit diezelfde opbrengst een niet door hypotheek op het verkochte onroerende goed gesecureerde privé-schuld aan Rabobank ad € 45.000 af te lossen,
alles onverplichte handelingen, terwijl [eiser] bekend was met de schuld van [A] aan [verweerster 1] als geldgeefster en ook persoonlijk had toegezegd aan de geldgeefster om tot aflossing over te gaan uit de opbrengst van de verkoop van activa;
- veroordeelt het hof [eiser] tot betaling van schadevergoeding aan [verweerster 1] van € 166.500, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2015 tot de dag der voldoening;
- veroordeelt het hof [eiser] in de kosten in beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [verweerster 1] wat betreft de eerste aanleg inclusief de beslagkosten vastgesteld op € 5.174,35 voor verschotten en op € 10.000 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 5.352,57 voor verschotten en op € 7.838 voor salaris conform het liquidatietarief;
- veroordeelt het hof [eiser] in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan en betekening heeft plaatsgevonden;
- verklaart het hof de veroordelingen van dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het hof het meer of anders gevorderde af.
2.7
Het hof legt hieraan allereerst ten grondslag [7] een oordeel omtrent de gevolgen van schorsing ex art. 29 Fw Pro, en oordelen omtrent de vragen wie van [verweersters] de gelden heeft uitgeleend aan [A] en of de geldleningen converteerbaar of achtergesteld waren, neerkomend op het volgende:
- anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, staat een schorsing van de procedure tegen een gedaagde rechtspersoon ex art. 29 Fw Pro er niet aan in de weg om tussen andere partijen te oordelen over aansprakelijkheid van haar (bedoeld zal zijn: zijn) bestuurder; (rov. 4.1)
- [eiser] heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken, en als vaststaand moet worden aangenomen, dat het [verweerster 1] is geweest die de gelden heeft uitgeleend; (rov. 4.2)
- [eiser] heeft ter betwisting onvoldoende gemotiveerd aangevoerd dat de geldlening converteerbaar was in aandelen en onvoldoende gesteld dat de geldlening achtergesteld was, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan. (rov. 4.3)
2.8
Het hof overweegt voorts in rov. 4.5 als volgt, na in rov. 4.4 te hebben verwezen naar de vorderingen zoals weergegeven in rov. 3.4 voor de verwijten van [verweerster 1] aan het adres van [eiser] :
“Voor zover het zou gaan om selectieve betaling van schuldeisers oriënteert het hof zich op de arresten HR 12 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2669 (Coral/Stalt) en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:73.
Hier gaat het om een (privé)doorlening (van € 100.000) en privéonttrekkingen (van € 45.000 en € 51.500) die er tezamen toe hebben geleid dat de vordering van [verweerster 1] destijds als enige onbetaald en onverhaalbaar is gebleven. [eiser] kan als de betrokken bestuurder ter zake van deze benadeling persoonlijk aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van [verweerster 1] in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.”
2.9
Vervolgens oordeelt het hof, zakelijk weergegeven, als volgt omtrent de liquidatie van [A] :
- [A] had na de activaverkoop aan [C] en de ontvangst van de koopprijs nog voorraden, debiteuren en machines, maar die waren door haar accountant Te Brake in zijn liquiditeitsberekening
going concerngewaardeerd terwijl [A] haar andere activa overdroeg en haar onderneming medio 2015 liquideerde, de machines eigenlijk geen marktwaarde meer hadden, en de debiteurenstand gebaseerd was op een actuele debiteurenlijst zonder enig analyse van ouderdom en incasseerbaarheid, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de resterende, niet verkochte activa van [A] nauwelijks meer enige waarde hadden, zelfs geen liquiditeitswaarde; (rov. 4.6)
- aan die liquiditeitsberekening, waarin de afbetaling van de geldleningen voor € 203.075 was opgenomen, mocht [eiser] in redelijkheid dan ook niet de verwachting ontlenen dat [A] de geldleningen kon aflossen en zelfs nog € 311.531 (+PM) zou overhouden, af te dragen aan de holding; (rov. 4.7)
- deze berekening klopte namelijk ook al niet met de jaarcijfers van [A] over eind 2014 (te vinden in de jaarrekening 2015), waaruit bleek dat het vermogen van [A] eind 2014 flink negatief was (- € 356.563); dit, en dat haar positie alleen maar verder verslechterde, kon [eiser] destijds in redelijkheid niet ontgaan zijn; (rov. 4.8)
- volgens [eiser] verwachtte hij destijds wel loon en bonussen uit zijn nieuwe dienstverband bij [C] , waaruit hij dan [verweersters] dacht te gaan terugbetalen, maar dit betreft privéinkomsten die nu eenmaal geen deel zouden gaan uitmaken van het vermogen van [A] ; (rov. 4.9)
- vanaf de activaoverdracht en het daarmee duidelijk ingetreden liquidatiestadium behoorde [eiser] als middellijk bestuurder van [A] ervoor te waken dat alle beschikbare middelen en de middelen uit de activatransactie werden aangewend voor de betaling van de schuldeisers, waaronder de opeisbare geldvorderingen van [verweerster 1] , maar hij heeft destijds, begin augustus 2015, alle openstaande schuldeisers van [A] voldaan behalve [verweerster 1] en is in plaats daarvan voorrang gaan geven aan zijn privébelangen boven de rechten van [verweerster 1] . (rov. 4.10)
2.1
Aansluitend bespreekt het hof de onttrekkingen door [eiser] aan het vermogen van [A] en [eiser] toezeggingen om de geldleningen terug te betalen, neerkomend op het volgende:
- de betaling van € 100.000 aan de holding ter doorlening aan [betrokkene 1] betrof een onverplichte rechtshandeling met als gevolg onttrekking van liquiditeiten aan het vermogen van [A] voor onbepaalde tijd en zonder zekerheid, terwijl ook als [betrokkene 1] later tegen de € 70.000 daarvan aan de holding zou terugbetalen dit bedrag door het faillissement van [A] en de holding oninbaar en daarmee onverhaalbaar zou zijn geworden, hetgeen [eiser] redelijkerwijs had behoren te voorzien omdat hij moest weten dat de holding, doordat haar inkomsten uit [A] volledig wegvielen, al snel insolvent zou worden, waarbij meeweegt dat de vordering van [verweerster 1] op [A] direct opeisbaar was; (rov. 4.11, eerste alinea)
- ter zake de € 45.000, welke in mindering is gebracht op de privéschuld van [eiser] bij Rabobank, en de € 51.500, welke ten goede is gekomen van [eiser] zelf, moet ervan worden uitgegaan dat [eiser] deze geldbedragen uit [A] daadwerkelijk zelf heeft uitbetaald/overgeschreven; (rov. 4.11, tweede alinea)
- de in dit verband door [eiser] gevoerde verweren gaan niet op, zodat voldoende vaststaat dat [eiser] € 45.000 en € 51.500 aan het vermogen van [A] heeft onttrokken door betalingen ten gunste van zichzelf; (rov. 4.11, vervolg)
- dit alles is in strijd met de door [eiser] zowel voor als na de activatransactie gedane toezeggingen aan “( [betrokkene 2] van) [verweerster 1] ” [8] om de sedert eind 2013 respectievelijk eind 2014 opeisbare geldleningen (in ieder geval in hoofdsom) terug te betalen, welke toezeggingen door [eiser] onvoldoende zijn betwist. (rov. 4.12)
2.11
Tegen deze achtergrond bezien, oordeelt het hof dat [eiser] uit onrechtmatige daad bestuurdersaansprakelijk is en geeft het hof een oordeel over de door deze onrechtmatige daad ontstane schade:

onrechtmatige daad
4.13 Aldus heeft [eiser] misbruik heeft gemaakt van zijn positie als middellijk bestuurder van [A] om zichzelf, respectievelijk zijn partner [betrokkene 1] te bevoordelen zoals hiervoor overwogen en wel ondanks zijn betalingstoezeggingen aan en ten koste van [verweerster 1] als schuldeiseres van [A] . Daarvan is hem onder de hiervoor beschreven omstandigheden persoonlijk een ernstig verwijt te maken, zodat hij uit onrechtmatige daad bestuurdersaansprakelijk is.
schade
4.14 De door [eiser] onrechtmatige daad veroorzaakte schade betreft verhaalsschade. Deze beloopt allereerst de doorlening van € 100.000 uit [A] via de holding aan [betrokkene 1] . Dan zijn er verder de onttrekkingen van € 45.000 en € 51.500 voor [eiser] persoonlijk. Deze drie bedragen (€ 100.000 + € 45.000 + € 51.500) van tezamen € 196.500 moeten worden verminderd met de terugbetalingen van (€ 10.000 + € 20.000 =) € 30.000, hetgeen resulteert in € 166.500, welke hoofdsom namens [verweerster 1] ter comparitie is erkend, vermeerderd met de wettelijke rente sedert [eiser] onrechtmatige daad, naar redelijkheid en billijkheid gesteld op 1 augustus 2015. De tevens gevorderde contractuele rente is al niet toewijsbaar omdat daarvoor ook zonder de onrechtmatige daad geen verhaalsmogelijkheid meer op [A] zou hebben bestaan.”
2.12
Het hof passeert ten slotte het bewijsaanbod van [eiser] , omdat hij in hoger beroep geen feiten en/of omstandigheden te bewijzen heeft aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden moeten leiden. (rov. 4.15)
2.13
De slotsom van het hof - zoals ook tot uitdrukking gebracht in het dictum (rov. 6) - is dat het hoger beroep slaagt en dat het eindvonnis zal worden vernietigd met grotendeels toewijzing van het door [verweerster 1] in hoger beroep gevorderde en onder afwijzing van het door [verweerster 2] gevorderde, met veroordeling van [eiser] in de kosten van [verweerster 1] in beide instanties inclusief de kosten van beslag en voorlopig getuigenverhoor, en met veroordeling van [eiser] in de nakosten. (rov. 5.1-5.2)
In cassatie
2.14
Bij procesinleiding van 6 oktober 2020 heeft [eiser] (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het eindarrest. Tegen [verweersters] is verstek verleend. [eiser] heeft afgezien van schriftelijke toelichting en vervolgens arrest gevraagd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel van [eiser] bestaat uit twee onderdelen.
Onderdeel 1
3.2
Onderdeel 1 vangt aan met citaten van rov. 4.5 en 4.13 van het eindarrest en voert aan dat het hof, krachtens deze overwegingen, ten onrechte concludeert in rov. 4.14 dat [eiser] door zijn onrechtmatige daad verhaalsschade heeft veroorzaakt en in rov. 5.1 en 6 dat het hoger beroep daarom slaagt en het bestreden vonnis wordt vernietigd, waarna het hof de verklaring voor recht uitspreekt zoals geformuleerd in rov. 6 en [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van de in rov. 6 genoemde geldbedragen.
Het onderdeel voert vervolgens aan dat “de aangevallen overwegingen van het hof” onjuist althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn, omdat het hof heeft miskend dat het grievenstelsel in hoger beroep toegepast moet worden, wat volgens het onderdeel betekent, althans in deze zaak, dat het hof gehouden is om de door [verweersters] ingediende grieven te beoordelen op hun gegrondheid, wat het hof niet heeft gedaan. Weliswaar wordt in rov. 3.4 overwogen dat [verweersters] zijn opgekomen met vijf grieven tegen het eindvonnis van de rechtbank, maar uit het arrest is niet, althans niet voldoende kenbaar, wat het oordeel is van het hof over de gegrondheid van de aangevoerde grieven. Wat het hof heeft gedaan, is een eindbeslissing geven die enkel gebaseerd is op de, in hoger beroep, gewijzigde vorderingen van [verweersters] , zoals deze in rov. 3.4 zijn weergegeven. Het hof heeft daarbij geen, of onvoldoende, acht geslagen op de grieven van [verweersters]
3.3
De klacht faalt, gelet op het volgende.
Ik maak, voor zover relevant, eerst enkele opmerkingen over de aard van het appelprocesrecht. Het hoger beroep dient niet alleen tot het bestrijden van het oordeel van de eerste rechter, maar geeft ook de mogelijkheid tot verbetering en aanvulling van hetgeen een partij in eerste aanleg gedaan heeft; het hoger beroep biedt aldus, kort gezegd, een integrale herkansing. De appelrechter is - behoudens, in essentie, regels van openbare orde - gebonden aan de door de memorie van grieven, de (eventueel gewijzigde) vordering en, als dit zich voordoet, het incidenteel beroep aangegeven grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep, binnen welke grenzen de appelrechter zelfstandig opnieuw moet beoordelen en beslissen. In de kern kent het hoger beroep twee fasen van beoordeling: (i) het beoordelen van de grieven; en (ii) bij het slagen van een of meer van de grieven, het beoordelen van het geschil voor zover dat door deze grieven is ontsloten in hoger beroep. [9] M.i. blijkt uit het eindarrest niet dat het hof dit miskent, ook niet in de door de klacht “aangevallen overwegingen van het Hof”.
Het hof overweegt onder “3 Het geschil, de beslissing in eerste aanleg en de grieven” in rov. 3.3 eindarrest, in cassatie onbestreden, dat de rechtbank in haar eindvonnis het tegen [eiser] wegens bestuurdersaansprakelijkheid gevorderde heeft afgewezen op de gronden (i) “dat bestuurdersaansprakelijkheid in de (door de faillietverklaring) geschorste procedure tegen de holding niet kon worden vastgesteld” (dit ziet op rov. 4.10 eindvonnis) [10] en (ii) “dat verder niet vaststond wie van de [vennootschappen] [ [verweersters] , A-G] als gelduitlener moest worden aangemerkt” (dit ziet op rov. 4.11-4.12 eindvonnis), en in rov. 3.4, eveneens in cassatie onbestreden, dat [verweersters] in hun hoger beroep “daartegen op[komen] met vijf grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen”, gevolgd door de vaststelling dat zij ( [verweersters] ) daarbij, zonder bezwaar van [eiser] , hun vordering hebben gewijzigd, zoals weergegeven in het vervolg van rov. 3.4.
[verweersters] zijn (i) met grief 1 [11] opgekomen tegen rov. 4.10 eindvonnis en (ii) met grieven 2-5 [12] opgekomen tegen rov. 4.11-4.12 eindvonnis. Mede gelet op rov. 3.3-3.4 eindarrest beoordeelt het hof deze grieven, zoals verstaan door het hof in het licht ook van het eindvonnis, waarover zo-even, wat betreft (i) grief 1 in rov. 4.1 (“
gevolgen van schorsing ex artikel 29 Faillissementswet Pro”) en (ii) grieven 2-5 in rov. 4.2 (“
wie van beide [vennootschappen] is de gelduitlener?”), waarover onder 2.7 hiervoor. De uitkomst van deze beoordeling (dus: fase (i)) is kenbaar dat [verweersters] met deze (door het hof gezamenlijk behandelde) grieven de genoemde oordelen van de rechtbank in het eindvonnis met succes hebben bestreden, reden waarom het hof vervolgens, met inachtneming (ook) daarvan, in rov. 4.3-4.15, 5 en 6 komt tot een beoordeling van de op onrechtmatige daad gebaseerde vordering van [verweersters] jegens [eiser] in privé als middellijk bestuurder van [A] , zoals in hoger beroep gewijzigd (zonder bezwaar van [eiser] ) en weergegeven in rov. 3.4, waarover onder 2.7-2.13 hiervoor (dus: fase (ii)).
Ik keer nu terug naar de klacht. Anders dan deze aanvoert, beoordeelt het hof in het eindarrest de door [verweersters] ingediende grieven 1-5 dus wel degelijk op hun gegrondheid, waarbij ’s hofs oordeel over de gegrondheid van die aangevoerde grieven dus wel degelijk afdoende kenbaar is. Dat het hof hierbij deze grieven niet uitdrukkelijk noemt (na rov. 3.4), en niet met zoveel woorden oordeelt dat deze (door het hof gezamenlijk behandelde) grieven slagen (zie overigens wel rov. 5.1 over het slagen van het hoger beroep, volgend op ‘s hofs beoordeling t/m rov. 4.15), doet aan het voorgaande logischerwijs niet af. Kortom, de door de klacht veronderstelde situatie dat de “aangevallen overwegingen” van het hof onjuist, althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zouden zijn, omdat, kort gezegd, het hof zou hebben miskend dat het grievenstelsel in hoger beroep toegepast moet worden, doet zich in werkelijkheid niet voor.
Hierop stuit de klacht af.
3.4
Onderdeel 1 voert voorts aan dat bovendien het hof zodoende de negatieve devolutieve werking van het grievenstelsel heeft miskend en buiten de grenzen van het partijdebat in hoger beroep is getreden, gelet op de in het onderdeel geciteerde overwegingen van de rechtbank in rov. 4.6, 4.8-4.10 eindvonnis. Tegen deze overwegingen hebben [verweersters] geen grieven gericht. Het hof had daarom als tussen partijen vaststaand moeten beschouwen dat [A] en de holding (nog) niet aansprakelijk waren jegens [verweersters] vanwege de door het hof vastgestelde verhaalsschade. Het gevolg daarvan had ook moeten zijn dat [eiser] , in zijn hoedanigheid van bestuurder van de holding en middellijk bestuurder van [A] , daarom evenmin (nog niet) aansprakelijk gehouden kon worden voor de door het hof vastgestelde verhaalsschade. Dat alles heeft het hof miskend, althans het hof heeft op onbegrijpelijke dan wel onvoldoende wijze gemotiveerd waarom [eiser] toch voor de verhaalschade van [verweersters] aansprakelijk moet worden gehouden. Dit klemt vooral, omdat [eiser] in zijn memorie van antwoord op p. 8 als verweer heeft gevoerd dat eerst moet vaststaan of [A] en/of de holding onrechtmatig tegenover [verweersters] heeft (hebben) gehandeld.
3.5
De klacht faalt, gelet op het volgende.
Voor zover de onderhavige klacht voortbouwt op de daaraan voorafgaande klacht in het onderdeel, [13] die faalt, waarover onder 3.2-3.3 hiervoor, deelt de onderhavige klacht in het lot van die daaraan voorafgaande klacht. Ook overigens strandt de onderhavige klacht.
Ik start met [A] en rov. 4.6 eindvonnis, waaruit de klacht deels citeert. De volledige tekst van rov. 4.6 eindvonnis luidt als volgt:

Ten aanzien van de vordering jegens [A]
4.6. [A] heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering ingesteld door [verweerster 1] B.V. c.s. [ [verweersters] , A-G] De vordering van [verweerster 1] B.V. c.s. komt de rechtbank desondanks ongegrond voor en zal worden afgewezen. Volgens [verweerster 1] B.V. c.s. zijn de gepretendeerde onrechtmatige daden in de eerste plaats onrechtmatige daden van [de holding] als bestuurder van [A] en in de tweede plaats van [eiser] als middellijk bestuurder van [A] . [verweerster 1] B.V. c.s. heeft geen omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie leiden dat [A] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep op aansprakelijkheid van [A] faalt, De vordering jegens [A] dient reeds daarom te worden afgewezen, wat er ook zij van de juridische merites van deze grondslag.”
[cursivering in origineel, A-G]
Deze passage maakt onderdeel uit van de behandeling door de rechtbank van de
subsidiairevordering van [verweersters] , te weten de vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad (waarover ook rov. 3.1, 3.3-3.7 en 4.4-4.5 eindvonnis): de daarop gebaseerde vorderingen jegens holding en [eiser] behandelt de rechtbank in rov. 4.7-4.8 respectievelijk rov. 4.9-4.13, die jegens [A] dus in rov. 4.6. [14] Lezing van rov. 4.6 eindvonnis leert dat, wat betreft deze subsidiaire vordering van [verweersters] (tot schadevergoeding uit
onrechtmatige daad) jegens [A] , hetgeen de rechtbank overweegt in rov. 4.6 erop neerkomt: (i) dat [verweersters] geen omstandigheden hebben gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie leiden dat [A]
onrechtmatig heeft gehandeldjegens [verweersters] ; (ii) dat “dit” (dus: (i)) tot de conclusie leidt dat “het beroep op aansprakelijkheid van [A] ” (dus: dat beroep van [verweersters] in het kader van hun subsidiaire vordering op aansprakelijkheid van [A] jegens hen uit hoofde van
onrechtmatige daad, wat het enige beroep van [verweersters] op aansprakelijkheid van [A] is dat de rechtbank onderkent) [15] faalt; en (iii) dat “de vordering jegens [A] ” (dus: deze subsidiaire vordering van [verweersters] (tot schadevergoeding uit
onrechtmatige daad) jegens [A] ) “reeds daarom” (dus: (i) en (ii)) dient te worden afgewezen, wat er ook zij van de juridische merites van deze grondslag.
In hoger beroep gaat het hof, blijkens rov. 2.1 eindarrest, uit van de feiten zoals beschreven door de rechtbank in rov. 2.1-2.12 eindvonnis, welke feiten blijkens rov. 2.2 eindarrest volgens het hof neerkomen op hetgeen het daar omtrent deze feiten vaststelt, alles in cassatie onbestreden. Onderdeel van die vaststelling is: dat in 2013/2014 een van [verweersters] [16] viermaal gelden, in totaal € 200.000, tegen contractuele rente en opeisbaar eind 2013 respectievelijk eind 2014, [17] heeft uitgeleend aan [A] ; dat [A] na de verkoop en levering medio 2015 van haar bedrijfspand (en de omgevingsvergunning) direct haar activiteiten beëindigde, in feite in staat van liquidatie verkeerde en op 3 september en 5 oktober 2015 nog € 10.000 en € 20.000 op deze leningen van [verweersters] (van in totaal € 200.000) heeft terugbetaald; [18] dat [A] verder uit de activaverkoopopbrengst al haar andere destijds openstaande schulden heeft voldaan; [19] en dat [A] later op eigen aangifte in staat van faillissement is verklaard, welk faillissement werd opgeheven bij gebrek aan baten op 4 september 2018.
Zoals dit een en ander duidelijk maakt, ligt in ’s hofs analyse in het eindarrest wat betreft de aangenomen bestuurdersaansprakelijkheid van [eiser] als middellijk bestuurder van [A] jegens haar schuldeiser [verweerster 1] op grond van onrechtmatige daad, vanwege het in de gegeven omstandigheden aan [eiser] in die hoedanigheid persoonlijk te maken ernstig verwijt inzake de onderhavige benadeling van [verweerster 1] (zie in het bijzonder rov. 2.1-5.1), kenbaar besloten dat naar ’s hofs oordeel, kort gezegd, aan te nemen valt dat [A] jegens gelduitlener [verweerster 1]
is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis jegens [verweerster 1] tot (tijdige) aflossing onder de geldleningen. [20] Dit laatste brengt als uitgangspunt mee dat alleen [A] jegens [verweerster 1] deswege - kort gezegd: genoemde tekortschieten door [A] - aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade van [verweerster 1] (welke aansprakelijkheid het hof dan ook betrekt in zijn analyse in het eindarrest, in lijn met het voorgaande), maar laat onverlet dat onder bijzondere omstandigheden, naast aansprakelijkheid van [A] , ook ruimte is voor aansprakelijkheid van een (middellijk) bestuurder van die vennootschap jegens [verweerster 1] op grond van onrechtmatige daad, voor het aannemen waarvan is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, hetgeen het hof in het eindarrest (dus) uitgebreid gemotiveerd aanneemt ten aanzien van [eiser] als middellijk bestuurder van [A] in verhouding tot haar benadeelde schuldeiser [verweerster 1] (zie ook onder 3.3 hiervoor). [21] Hieraan staat niet in de weg dat [verweersters] in hoger beroep met hun grieven niet (ook) zijn opgekomen tegen rov. 4.6 eindvonnis. Uit hetgeen de rechtbank daar overweegt, waarover ook hiervoor, volgt immers - anders dan de klacht suggereert, en naar ’s hofs geenszins onbegrijpelijke uitleg van het eindvonnis - niet dat [A] ongeacht de grondslag “(nog) niet aansprakelijk” was jegens [verweerster 1] en/of [verweerster 2] voor schade vanwege de onbetaald en onverhaalbaar gebleven vordering uit hoofde van de geldleningen, ook uitsluitend aansprakelijkheid in verband met, kort gezegd, een tekortschieten door [A] in de nakoming van haar verbintenis jegens [verweerster 1] tot (tijdige) aflossing onder de geldleningen
(waarover de rechtbank zich daar, of elders in het eindvonnis, evenwel niet uitlaat), maar, zoals gezegd, hooguit: dat [verweersters] in eerste aanleg geen omstandigheden hebben gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie leiden dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld jegens hen; dat daarom dát beroep van [verweersters] in het kader van hun subsidiaire vordering op aansprakelijkheid van [A] jegens hen uit hoofde van onrechtmatige daad, wat het enige in eerste aanleg gedane beroep van [verweersters] op aansprakelijkheid van [A] is dat de rechtbank onderkent, faalt; en dat hieruit volgt dat deze subsidiaire vordering van [verweersters] (tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad) jegens [A] dient te worden afgewezen, nog afgezien van de juridische merites van deze grondslag.
Slechts
in zoverre, dus voor zover naar ’s hofs geenszins onbegrijpelijke uitleg volgend uit rov. 4.6 eindvonnis, zou dan ook gezegd kunnen worden dat het hof als tussen partijen vaststaand moest beschouwen dat van aansprakelijkheid van [A] jegens [verweersters] (nog) geen sprake was, [22] hetgeen dus niet verder reikt dan die op onrechtmatige daad gebaseerde aansprakelijkheid van [A] jegens [verweersters] waarop de rechtbank doelt, aanmerkelijk beperkter is dan datgene waarvan de klacht uitgaat (“Het Hof had daarom, als tussen partijen vaststaand moeten beschouwen”, etc.), en naar de aard niet prohibitief is voor de door het hof aangehouden lijn in het eindarrest wat betreft, kort gezegd, de te onderscheiden aansprakelijkheid van [A] jegens gelduitlener [verweerster 1] in verband met een tekortschieten door [A] in de nakoming van haar verbintenis jegens [verweerster 1] tot (tijdige) aflossing onder de geldleningen. [23] Daarmee valt reeds de bodem weg onder het betoog in de klacht dat het hof “daarom”, in het bijzonder vanwege rov. 4.6 eindvonnis, als tussen partijen vaststaand had moeten beschouwen dat [A] (nog) niet aansprakelijk was jegens [verweersters] vanwege de door het hof vastgestelde verhaalsschade. Dit werkt dan logischerwijs op evenzeer fatale wijze door in het vervolgbetoog in de klacht dat “[h]et gevolg daarvan” ook had moeten zijn dat [eiser] , in zijn hoedanigheid van middellijk bestuurder van [A] , “daarom evenmin (nog niet) aansprakelijk gehouden kon worden” voor de door het hof vastgestelde verhaalsschade.
Van de door de klacht bedoelde miskenning door het hof, [24] althans een onbegrijpelijke dan wel onvoldoende motivering door het hof waarom [eiser] toch voor de verhaalsschade van [verweersters] aansprakelijk moet worden gehouden, is dan a fortiori evenmin sprake. Daaraan doet niet af het aan het slot van de klacht nog gedane beroep op het door [eiser] in zijn memorie van antwoord gevoerde verweer, [25] in de woorden van het onderdeel:
“dat eerst moest vaststaan of [A] en/of [de holding] [de holding, A-G] onrechtmatig tegenover de [vennootschappen] [ [verweersters] , A-G] hebben gehandeld.”
In het licht van het voorgaande kon het hof ter zake in het eindarrest immers volstaan zoals het kenbaar doet, voor doeleinden van de beoordeling van de door [verweersters] in hoger beroep ingestelde vordering tegen [eiser] (naar ’s hofs geenszins onbegrijpelijke oordeel strekkende, kort gezegd, tot aansprakelijkheid van [eiser] als middellijk bestuurder van [A] jegens [verweerster 1] althans [verweerster 2] op grond van onrechtmatige daad wegens onverhaalbaarheid van geldleningen aan [A] door activaonttrekkingen aan [A] ), [26] met aan te nemen dat [A] jegens gelduitlener [verweerster 1] vanwege genoemde tekortschieten door eerstgenoemde aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade van laatstgenoemde. Het in dat verweer van [eiser] centraal staande vereiste (“dat eerst moest vaststaan”, etc.) geldt hier rechtens niet, nog daargelaten dat wat de klacht als dat “verweer” van [eiser] presenteert in de daar genoemde vindplaats niet zo te lezen valt. [27] Bij die stand van zaken noopte dat verweer het hof evenmin tot een nadere motivering in het eindarrest.
Tot slot, en volledigheidshalve, nog dit. De klacht citeert niet alleen uit rov. 4.6 eindvonnis, maar ook uit rov. 4.8-4.10 eindvonnis. [28] Waar deze overwegingen van de rechtbank betrekking hebben op aansprakelijkheid van de holding als bestuurder van [A] (op grond van onrechtmatige daad) althans daarop gebaseerde aansprakelijkheid van [eiser] als bestuurder van de holding over de band van art. 2:11 BW Pro, en dat betreft al deze overwegingen behoudens rov. 4.6, laatste drie zinnen (waarover hiervoor), geldt dat de klacht eraan voorbijziet dat, naar ik al memoreerde, [29] in de onderhavige zaak, zoals voorgelegd aan het hof in hoger beroep met inbegrip van de in rov. 3.4 bedoelde (gewijzigde) vordering van [verweersters] , art. 2:11 BW Pro en daarmee verband houdende aansprakelijkheid van de holding als bestuurder van [A] (op grond van onrechtmatige daad) geen rol spelen alsmede dat het hof zich daarover - los van rov. 4.1 (gelet op grief 1 inzake rov. 4.10 eindvonnis), waarover onder 3.3 hiervoor - ook niet uitlaat in het eindarrest en dat ook niet hoefde te doen, nu het geschil, kort gezegd, draait om de aansprakelijkheid van [eiser] als middellijk bestuurder van [A] jegens [verweerster 1] althans [verweerster 2] op grond van onrechtmatige daad wegens onverhaalbaarheid van geldleningen aan [A] door activaonttrekkingen aan [A] , en het hof ter zake in het eindarrest kon volstaan zoals het kenbaar doet, voor doeleinden van de beoordeling van die door [verweersters] in hoger beroep ingestelde vordering tegen [eiser] , met aan te nemen dat [A] jegens gelduitlener [verweerster 1] vanwege genoemde tekortschieten door eerstgenoemde aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade van laatstgenoemde (zonder ook nog weer in te gaan op, kort gezegd, onrechtmatig handelen van holding jegens [verweerster 1] en/of [verweerster 2] ). Voor zover de klacht is gebaseerd op deze overwegingen met genoemde strekking, loopt de klacht ook daarop stuk, waarbij nog zij aangetekend dat, anders dan de klacht het doet voorkomen, [verweersters] in hoger beroep (blijkens grief 1) dus wel degelijk ook zijn opgekomen tegen rov. 4.10 eindvonnis (waarover onder 3.3 hiervoor). [30] Dit behoeft geen verdere toelichting.
Hierop stuit de klacht af.
Onderdeel 2
3.6
Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 4.14 eindarrest, waarin het hof ingaat op de door [eiser] onrechtmatige daad veroorzaakte schade (verhaalsschade), en voert aan dat het hof heeft nagelaten te responderen op een essentieel verweer van [eiser] in de memorie van antwoord, [31] te weten, in de woorden van het onderdeel:
“een beroep op eigen schuld, en/of een billijkheidshalve andere verdeling van de vergoedingsplicht dan dat deze 100% voor rekening komt van [eiser] , een en ander in de betekenis van het bepaalde in art. 6 : 101 lid 1.”
Nu het hof niet op dit verweer is ingegaan, is het hof het bepaalde in art. 24 Rv Pro niet nagekomen, dan wel heeft het hof een onvoldoende gemotiveerde beslissing genomen, omdat het hof nergens in het eindarrest een overweging heeft gewijd aan dit essentiële verweer van [eiser] . Als het hof dit essentiële verweer van [eiser] zou hebben behandeld, bestond de mogelijkheid dat ten minste een deel van de door [verweersters] geleden verhaalsschade voor hun eigen rekening zou moeten komen, omdat het uitlenen van gelden aan [A] en/of de holding een uiterst riskante aangelegenheid was en [verweersters] wetenschap daarvan hadden.
3.7
De klacht faalt, gelet op het volgende.
Gelet op de door het onderdeel genoemde vindplaats [32] en de portee van de klacht, heeft deze het oog op de volgende passage uit de memorie van antwoord: [33]
“Overigens had [verweersters] [ [verweersters] , A-G] [34] risicodragend kapitaal geïnvesteerd met de leningen om de liquiditeit van [A] te versterken, hierbij ligt het dan ook niet voor de hand om de leningen direct/versneld af te lossen. [verweersters] was ook volledig op de hoogte van de financiële positie van [A] ten tijde van de verstrekte geldleningen. Dit wordt ook bevestigd in rechtsoverweging 4.3 van het vonnis in eerste aanleg d.d. 31 januari 2018 waarin de rechtbank vermeld [verschrijving in origineel, A-G]:
“In tegendeel, uit de stellingen van [betrokkene 2] ter comparitie blijken[verschrijving in origineel, A-G]
dat hij bekend was met de financiële problemen van [A] en dat de gelden zijn verstrekt om [A] te ondersteunen.”N.B. tegen deze rechtsoverweging is geen grief ingesteld!”
[cursivering in origineel, A-G]
Ik kan hierin geen kenbaar - laat staan gemotiveerd - beroep van [eiser] op het bepaalde in art. 6:101 lid 1 BW Pro ontwaren, zoals bedoeld in de klacht; veeleer een te onderscheiden betoog(je) met als strekking dat het, gegeven de financiële positie van [A] ten tijde van de verstrekte geldleningen ter versterking van haar liquiditeit, met welke positie [verweersters] toen bekend waren (zoals ook volgt uit rov. 4.3 eindvonnis), niet voor de hand lag om de leningen direct/versneld af te lossen. Op het bepaalde in art. 6:101 lid 1 BW Pro ziet evenmin de geciteerde overweging in rov. 4.3 eindvonnis (waarin het gaat over de in noot 8 hiervoor bedoelde [betrokkene 2] , niet over [verweersters] ), waarmee de rechtbank slechts onderstreept dat, zoals te lezen valt in de daaraan voorafgaande zin, [verweersters] “geen andere feiten of omstandigheden [heeft] gesteld waaruit blijkt dat de leningen aan [eiser] in privé zijn verstrekt”, wat ziet op een wezenlijk ander thema. [verweersters] hebben blijkens de spreekaantekeningen van 6 mei 2020 zo’n beroep van [eiser] op het bepaalde in art. 6:101 lid 1 BW Pro ook niet gelezen in de memorie van antwoord (met inbegrip van de door het onderdeel genoemde vindplaats), [35] terwijl in de spreekaantekeningen zijdens [eiser] van die dag evenmin van zo’n beroep gewag wordt gemaakt. [36] Uit dit een en ander volgt dat geen sprake is van een “essentieel verweer van [eiser] ”, zoals bedoeld in de klacht, waarop het hof had moeten responderen: klaarblijkelijk heeft het hof een dergelijk verweer niet gelezen in de gedingstukken, wat, gezien het voorgaande, geenszins onbegrijpelijk is. Bij deze stand van zaken kan dan ook niet worden gezegd dat het hof het bepaalde in art. 24 Rv Pro niet is nagekomen dan wel een onvoldoende gemotiveerde beslissing heeft genomen, omdat het nergens in het eindarrest een overweging heeft gewijd aan zo’n verweer van [eiser] . [37] Hierop stuit de klacht af.
Slotsom
3.8
De slotsom is dat, nu de klachten falen, het bestreden arrest in stand kan blijven.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) 7 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5241, rov. 2.1-2.2. Het hof heeft deze feiten in rov. 2.2 zonder verdere randnummering weergegeven. Omwille van de leesbaarheid breng ik hierna wel randnummering aan.
2.Rb. Gelderland (zittingsplaats Zutphen) 19 juli 2017, zaaknummer / rolnummer: C/05/316754 / HZ ZA 17-117 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
3.Rb. Gelderland (zittingsplaats Zutphen) 31 januari 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:861.
4.In beide vonnissen stelt de rechtbank vast dat, anders dan [eiser] , de holding en [A] niet zijn verschenen in de procedure. Zie, naast de weergave van partijen door de rechtbank, bijv. rov. 3.8 en 4.16 eindvonnis.
5.Naast [verweersters] (als appellanten) is alleen [eiser] (als geïntimeerde) partij in het hoger beroep.
6.Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) 10 december 2019, zaaknr. 200.246.894 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
7.In rov. 2.1-2.2 gaat het hof in op de vaststaande feiten, waarover onder 1 hiervoor. In rov. 3.1-3.4 geeft het hof kort weer waar de zaak over gaat (“bestuurdersaansprakelijkheid wegens onverhaalbaarheid van geldleningen door onttrekking van activa aan een BV”), dat [verweersters] , na een voorlopig getuigenverhoor, in eerste aanleg op uiteenlopende gronden van [eiser] , de holding en [A] betaling hebben gevorderd van € 211.387,27 in hoofdsom met rente en kosten, wat de rechtbank daaromtrent heeft geoordeeld in het eindvonnis, en dat [verweersters] in hun hoger beroep daartegen opkomen met vijf grieven (die zich voor gezamenlijke behandeling lenen), waarbij zij, zonder bezwaar van [eiser] , hun vordering hebben gewijzigd zoals daar (rov. 3.4) door het hof weergegeven.
8.Het hof doelt hier op de in o.a. rov. 2.1 en 2.3 eindvonnis genoemde [betrokkene 2] , die aan het hoofd staat van een groep vennootschappen waartoe [verweerster 1] en [verweerster 2] behoren.
9.Zie voor een en ander o.a. A. Hammerstein,
10.De rechtbank valt daarin wat betreft die aansprakelijkheid van holding terug op rov. 4.7-4.8 eindvonnis, waarna de rechtbank zich in rov. 4.9 e.v. eindvonnis richt op “de vordering jegens [eiser] ”.
11.Memorie van grieven, p. 5-6, nrs. 33-34 (grief en toelichting).
12.Memorie van grieven, p. 6-7, nrs. 35-43 (grieven en toelichting).
13.Zie in het bijzonder de opening van de onderhavige klacht (“Bovendien heeft het hof zodoende”, etc.). Voor zover “zodoende” terugslaat op de passage in het onderdeel die start met “De aangevallen overwegingen van het Hof zijn onjuist, althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd”, etc.) en de daarin gehanteerde veronderstellingen, niet enkel op die “aangevallen overwegingen” van het hof, heeft de onderhavige klacht zo’n voortbouwkarakter.
14.De
15.Zie ook de vorige noot. Iets anders is dat [verweersters] , in het bijzonder in het kader van de behandeling van hun subsidiaire vordering (tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad) jegens de holding (bestuurder van [A] ) en [eiser] (bestuurder van de holding, middellijk bestuurder van [A] ), in eerste aanleg nadrukkelijk ook de mogelijkheid hebben onderkend, en betrokken, dat [A] de schuldenaar onder de (onbetaald en onverhaalbaar gebleven) geldleningen is, niet [eiser] . Zie o.a. de inleidende dagvaarding, nrs. 8, 22, 25-26 (gevolgd door 27-36), 37, 38 (gevolgd door 39-55). Zie in dat verband bijv. ook de conclusie van antwoord, nr. 13, waar [eiser] ingaat op de subsidiaire vordering van [verweersters] , alsmede rov. 3.3 en 3.5 eindvonnis.
16.In rov. 4.2 oordeelt het hof, kort gezegd, dat [verweerster 1] de gelduitlener is.
17.In rov. 4.3 oordeelt het hof, kort gezegd, dat de desbetreffende geldleningen niet converteerbaar in aandelen of achtergesteld waren, in welk verband het hof opent met de vaststelling dat alle vier geldleningen op de in de akten bepaalde data moesten zijn afgelost (de eerste drie eind 2013 en de laatste eind 2014), aan welke verplichting de laatste drie akten toevoegen “of wordt de schuld omgezet in aandelen binnen het bedrijf” (dat de desbetreffende geldleningen converteerbaar in aandelen waren, of achtergesteld, valt, zoals gezegd, naar ’s hofs oordeel niet aan te nemen).
18.Dit zijn de enige terugbetalingen op de leningen van in totaal € 200.000 die het hof vaststelt. Zie ook rov. 4.14, waar het hof in het kader van de berekening van de verhaalsschade van [verweerster 1] als gevolg van [eiser] onrechtmatige daad betrekt dat op de doorlening ad € 100.000 en onttrekkingen ad (€ 45.000 + € 51.500 =) € 96.500, dus in totaal € 196.500, “de terugbetalingen van (€ 10.000 + € 20.000 =) € 30.000” in mindering moeten worden gebracht. Zie ook rov. 4.5, waar het hof vaststelt, in het kader van “selectieve betaling van schuldeisers”, dat het hier gaat om een (privé)doorlening (van € 100.000) en privéonttrekkingen (van € 45.000 en € 51.500) die er tezamen toe hebben geleid dat de vordering van [verweerster 1] destijds als enige onbetaald en onverhaalbaar is gebleven.
19.In rov. 4.10 oordeelt het hof, kort gezegd, dat [eiser] destijds, begin augustus 2015, alle openstaande schuldeisers van [A] heeft voldaan behalve [verweerster 1] en in plaats daarvan voorrang is gaan geven aan zijn privébelangen boven de rechten van [verweerster 1] . Zie ook de vorige noot.
20.Het gaat hier, anders gezegd, om wat in o.a. in HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628,
21.Wat het hof aldus doet, strookt met bijv. HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470,
22.Dat het hof dit niet doet in het eindarrest blijkt nergens uit. Het hof onderkent aldus dan ook de negatieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep, die insluit, kort gezegd, dat de appelrechter gebonden is aan beslissingen uit de eerste aanleg voor zover die niet zijn aangevallen met behoorlijk naar voren gebrachte grieven. Zie o.a. A. Hammerstein,
23.Daarbij betrek ik dat [verweersters] met hun (door het hof gezamenlijk behandelde) grieven 1-5 succes hebben gehad blijkens rov. 4.1-4.2 van het eindarrest (waarover onder 3.3 hiervoor), dat [verweersters] zonder bezwaar van [eiser] hun vordering hebben gewijzigd zoals door het hof uiteengezet in rov. 3.4 (waarover ook onder 3.3 hiervoor), dat het hof in rov. 4.4 voor de verwijten van [verweerster 1] aan het adres van [eiser] verwijst naar deze vordering zoals weergegeven in rov. 3.4, dat [verweersters] in hoger beroep deze vordering van een nadere onderbouwing hebben voorzien (zie o.a. de memorie van grieven, nrs. 3-6 (inleiding, daarbij ook alle stellingen uit eerste aanleg handhavend die van betekenis zijn voor de aansprakelijkheid van [eiser] ), 12-15 (schuldverhoudingen en geldstromen), 16-32 (solvabiliteit en liquiditeit [A] ), 33-43 (grieven), p. 7 (petitum), alsmede de spreekaantekeningen van 6 mei 2020), waarop door [eiser] ook is gerespondeerd (zie o.a. de memorie van antwoord, nrs. 2-4 (inleiding), 5-17 (feiten), p. 8-9 (grieven), alsmede de spreekaantekeningen van 6 mei 2020), alsmede noot 15 hiervoor.
24.Wat naar ik begrijp insluit de opening van de klacht, kort gezegd, dat het hof “de negatieve devolutieve werking van het grievenstelsel” heeft miskend en buiten de grenzen van het partijdebat in hoger beroep is getreden.
25.Memorie van antwoord, p. 8 bovenaan, “onder: Ad grief I”.
26.Zie mede rov. 3.1, 3.4, 4.1 en 4.13 eindarrest, strokend met de opvatting van het hof zoals weergegeven in het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 6 mei 2020, p. 2, weer mede aansluitend op o.a. de memorie van grieven, waaronder nrs. 4-5, en de memorie van antwoord, waaronder nrs. 2-4.
27.Het gaat om de reactie zijdens [eiser] in de memorie van antwoord, p. 8 op grief 1 zijdens [verweersters] Daar staat slechts dit: “ [eiser] is van mening dat de overweging 4.10 van de rechtbank terecht is. Immers vastgesteld moet worden dat de betreffende rechtspersoon onrechtmatig in haar besluitvorming en handelen heeft gehandeld binnen haar bedrijfsbeslissingen en bedrijfsvoering, alvorens kan worden overgegaan tot de tweede trap, nl. de bestuurdersaansprakelijkheid. De bestuurdersaansprakelijkheid ziet op een medeaansprakelijkheid van een nalaten of een onzorgvuldig, dan wel verwijtbaar handelen van de rechtspersoon. Dit is tot op heden niet aangetoond, noch in de bewijslast, noch gesteld, ook niet in hoger beroep. Hiervoor wordt ook geen bewijs aangedragen, noch aangeboden.” Opmerking daarbij verdient dat grief 1 ziet op het oordeel van de rechtbank in rov. 4.10 eindvonnis dat nu de aansprakelijkheid van
28.Rov. 4.8 eindvonnis maakt deel uit van de behandeling door de rechtbank van de subsidiaire vordering van [verweersters] (op grond van onrechtmatige daad) jegens de holding, als bestuurder van [A] . Rov. 4.9-4.10 eindvonnis maken deel uit van de behandeling door de rechtbank van de subsidiaire vordering van [verweersters] (op grond van onrechtmatige daad) jegens [eiser] , als middellijk bestuurder van [A] , waarbij de rechtbank in rov. 4.9-4.10 redeneert vanuit de grondslag van art. 6:162 BW Pro in verbinding met art. 2:11 BW Pro (waaronder: “Indien vast komt te staan dat [de holding] [de holding, A-G] onrechtmatig heeft gehandeld, rust op de voet van artikel 6:162 BW Pro juncto 2:11 BW de aansprakelijkheid van [de holding] ook hoofdelijk op [eiser] , die ten tijde van het ontstaan van die aansprakelijkheid bestuurder was van [de holding] , behoudens door hem te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt terzake kan worden gemaakt (vgl. Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275)”).
29.Zie ook noot 21 hiervoor. Zie overigens voor de werking van art. 2:11 BW Pro, waarover ook HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470,
30.Dit is ook onderkend in de memorie van antwoord, p. 8 in reactie op grief 1 zijdens [verweersters] , waarop het onderdeel nota bene wijst in noot 1 aldaar. Zie ook noot 27 hiervoor.
31.Memorie van antwoord, nr. 8. Zie noot 2 bij het onderdeel, waar naast die vindplaats staat: “Daarin wordt verwezen naar rov. 4.3. van het Rechtbankvonnis, waarin de rechtbank beslist dat [betrokkene 2] bekend was met de financiële problemen van [A] en dat de gelden zijn verstrekt om [A] te ondersteunen.”
32.Zie de vorige noot.
33.Het daaraan voorafgaande in de memorie van antwoord, nr. 8 komt neer op een betwisting (“Dit is onjuist!”, etc.) van het daar bedoelde betoog van [verweersters] “dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld doordat er betalingen aan andere crediteuren zijn gedaan vanuit [A] , dan wel een privé lening is voldaan, dan wel een geldlening is verstrekt, wetende dat op dat moment (ongeveer 2 jaar na het sluiten van de geldleningen met [vennootschappen] [ [verweersters] , zie ook de volgende noot, A-G]) [A] de verplichtingen jegens [vennootschappen] niet zou kunnen nakomen.” Die betwisting draait om de redenering dat de “liquiditeitspositie na verkoop” destijds is beoordeeld op “€ 311.531,-- + p.m.”, wat “slechts een liquiditeitspositie van [A] [weergeeft] na voldoening van de lening van [vennootschappen] ”; wordt deze opgeteld bij die positie, dan “bedraagt de liquiditeitspositie rond de € 515.000,00.” De enige toevoeging daaraan is de zin dat [eiser] hierbij nogmaals opmerkt dat [verweersters] geen bewijs aanbieden van hun “stelling in dezen”.
34.Blijkens nr. 1 van de memorie van antwoord houdt [eiser] daarin de aanduidingen aan zoals die zijn genoemd in nrs. 1-2 van de memorie van grieven, waarin met “ [vennootschappen] ” wordt gedoeld op [verweersters]
35.Daar wordt met geen woord van zo’n beroep gerept.
36.Het onderdeel verwijst daarnaar ook niet.
37.Ik wijs er nog op dat, mede gelet op HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9414,