Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging
Inleiding
Inleiding
3.De middelen
Stb. 257 (Wet afbreking zwangerschap) is in art. 82a Sr de definitiebepaling van ‘een ander van het leven beroven’ in het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht opgenomen. Uit de Memorie van Toelichting bij het ontwerp dat tot deze wet heeft geleid, kan worden opgemaakt dat de wetgever met de begripsbepaling in art. 82a Sr mede oog heeft gehad ‘een ander van het leven beroven’ als bedoeld in art. 287 Sr Pro. [6] Uit de begripsbepaling van art. 82a Sr vloeit voort dat het beëindigen van het leven van een ongeboren vrucht gelijkgesteld is aan opzettelijke levensberoving en aan een misdrijf tegen het leven gericht, als bedoeld in Titel XIX van het Tweede boek van het Wetboek van Strafrecht. Daarvan is sprake als deze levensbeëindiging op een zodanig tijdstip plaatsvindt, dat de vrucht naar ervaringsregels, gezien de stand van de medische wetenschap, een redelijke kans maakt na de geboorte in leven te blijven. [7] De wetgever heeft bedoeld langs de weg van art. 82a Sr behandelingen te verbieden die gericht zijn op het afbreken van zwangerschap, indien de vrucht zodanig is ontwikkeld dat deze als levensvatbaar is te beschouwen. [8] In de keuze voor deze formulering heeft de wetgever zich welbewust bediend van een fictie, “omdat het levensvatbaar zijn van een vrucht pas onomstotelijk kan worden vastgesteld, nadat deze levend ter wereld is gebracht en – mogelijk dank zij de geboden medische verzorging – in leven is gebleven”. [9] Vanuit de gedachte dat doding veronderstelt dat er leven is geweest, verschaft deze fictie helderheid over de vraag wanneer sprake is van het begin van leven. [10] Volgens Schalken was zo’n speciale constructie nodig, omdat een vrucht eerst na de natuurlijke geboorte tot ‘mens’ wordt in de zin van de algemene dodingsdelicten, zodat voor de levensvatbare ‘mens in wording’ bijzondere strafrechtelijke bescherming moest worden gecreëerd. [11] Uit HR 29 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8539,
NJ1991/217 m.nt. T.M. Schalken kan worden opgemaakt dat aan de ‘redelijke verwachting’ van levensvatbaarheid niet afdoet dat de vrucht – eenmaal ter wereld gekomen – niet (lang) in leven kan blijven. Bij die ‘redelijke verwachting’ gaat het dus om de duur van de zwangerschap, waarvoor de levensvatbaarheidsgrens van 24 weken, zoals opgenomen in art. 82a Sr, bepalend is.
Hand- en leerboek van het Nederlandse strafrecht, niet zonder meer kan worden toegepast op de betekenisuitbreiding van ‘een ander van het leven beroven’ als bedoeld in art. 82a Sr. De begripsbepaling van art. 82a Sr wordt in het boek van Van Hattum niet besproken, eenvoudigweg omdat deze bepaling destijds nog niet bestond. Wel beschrijft Van Hattum een tweetal voorbeelden in verband met de ‘bijzondere moeilijkheid die zich voordoet wanneer de wet aan enige in een en delictsomschrijving gebruikte term elders een uitbreidende betekenis heeft gegeven’. [14] Hij noemt in het kader van het eerste voorbeeld het begrip ‘ambtenaar’ als bedoeld in art. 180 (oud) Sr. In dat verband stelt hij dat “de moeilijkheid (…) niet [ligt] in de artikelen 84 of 183 Sr”, artikelen waarin een uitbreiding van het begrip ‘ambtenaar’ wordt gegeven, “maar in art. 180 Sr Pro zelf en in alle artikelen waarin het begrip ambtenaar voorkomt als delictsbestanddeel ten aanzien waarvan opzet wordt gevorderd (bv. art. 184 Sr Pro)”. [15] Hij stelt vervolgens dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van het begrip ‘ambtenaar’ voldoende zal zijn en dat hetzelfde geldt voor zover het een uitbreiding van dat begrip in de artikelen 84 en 183 Sr betreft. [16]