ECLI:NL:PHR:2021:885

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 juni 2021
Publicatiedatum
28 september 2021
Zaaknummer
20/00543
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake profijtontneming bij hypotheekfraude

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 5 februari 2020 het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene vastgesteld op €84.809,42 en na aftrek wegens overschrijding van de redelijke termijn een betaling van €74.809,42 aan de staat opgelegd.

De betrokkene stelde in cassatie dat de ontnemingsvordering afgewezen moest worden omdat in de hoofdzaak onherroepelijk was vastgesteld dat hij meer financieel nadeel dan voordeel had geleden. Dit verweer werd door de procureur-generaal bij de Hoge Raad verworpen, waarbij werd verwezen naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:789) die dit standpunt al heeft verworpen.

De middelen van cassatie, ingediend door advocaat mr. R. Zilver, zijn inhoudelijk en qua vorm nagenoeg identiek aan die in een samenhangende zaak (griffienummer 20/00533) en zijn om dezelfde redenen afgewezen.

De procureur-generaal constateerde geen gronden voor vernietiging van het bestreden arrest en concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De uitspraak bevestigt dat het hof niet gebonden is aan het oordeel in de hoofdzaak over het financiële nadeel versus voordeel bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsprocedure.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/00543 P
Zitting29 juni 2021

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de betrokkene.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 5 februari 2020 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 84.809,42. Na aftrek wegens een overschrijding van de redelijke termijn, heeft het hof aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 74.809,42.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/05515, 19/05652, 19/05436, 19/05868, 19/05701 en 20/00502. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Bij de beoordeling van de middelen stuitte ik op het arrest van Uw Raad van 1 juni 2021 [1] in de zaak met griffienummer 20/00533. Die zaak vertoont samenhang met de onderhavige zaak en met de overige zaken hierboven genoemd. [2] Bovendien zijn de middelen die in de zaak met griffienummer 20/00533 zijn voorgesteld qua volgorde, vormgeving en inhoud nagenoeg identiek aan de middelen voorgesteld in de onderhavige zaak en eveneens afkomstig van mr. R. Zilver.
5. Ik volsta hier dan ook met een verwijzing naar de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt in de zaak met griffienummer 20/00533. [3] Op de gronden als genoemd in die conclusie moeten de middelen in de onderhavige zaak eveneens falen.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:789.
2.Op de inhoudelijke zitting van het hof van 22 januari 2020 zijn de zaken tegen de betrokkenen [betrokkene 1] (21-007048-15), [betrokkene] (21-007047- 15) en [betrokkene 2] (21-007046-15) gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld; zie p. 1 van voornoemd proces-verbaal. Deze samenhang is in de cassatieprocedure kennelijk – tot nu toe – deels onopgemerkt gebleven.
3.Conclusie van 6 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:297.