Conclusie
Inleiding
Het middel
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
NJ2010/585, m.nt. Buruma. De verdachte voerde ter terechtzitting in hoger beroep aan dat hij tegenover de politierechter op de vraag of hij afstand deed van zijn recht op het instellen van hoger beroep had gezegd dat hij in hoger beroep ging, en dat hij dacht dat dit toereikend was. Vervolgens had de verdachte pas nadat hij contact had gehad met zijn raadsman en hij erachter was gekomen dat zijn verklaring ter terechtzitting onvoldoende was, alsnog hoger beroep ingesteld, aldus het verweer. Het hof verklaarde de verdachte op de voet van art. 408, eerste lid aanhef en onder b, Sv niet-ontvankelijk omdat het beroep te laat was ingesteld. Het hof had daarbij evenwel verzuimd te responderen op het verweer van de verdachte, welk verweer bezwaarlijk anders kon worden verstaan dan als een beroep op verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding. Het voorgestelde cassatiemiddel was, voor zover het daarover klaagde, dan ook gegrond. Daarbij merkte de Hoge Raad op dat het hof bij de beoordeling van het verweer had behoren te betrekken dat de verdachte in eerste aanleg niet door een raadsman werd bijgestaan en voorts dat de wet er niet in voorziet dat een verdachte die, nadat hem op de voet van art. 381 Sv Pro de gelegenheid is geboden om afstand te doen van het openstaande rechtsmiddel, ten overstaan van de politierechter verklaart dat hij het rechtsmiddel wenst aan te wenden, door die rechter wordt ingelicht omtrent de formaliteiten die daartoe moeten worden vervuld.