Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
[verweerder 2] , [verweerder 3] en [verweerder 6]
code of conductwaarin gedragsregels zijn opgenomen waar haar artiesten zich aan moeten houden. Op grond van deze gedragscode, maar ook op grond van haar maatschappelijke verantwoordelijkheid, is Warner volgens SMMT gehouden maatregelen te treffen tegen het wangedrag van artiesten die onder haar verantwoordelijkheid vallen. Warner laat echter stelselmatig na om daartegen op te treden en faciliteert dergelijk gedrag zelfs door deze artiesten een podium te bieden. Daarmee maakt Warner zich schuldig aan onrechtmatig handelen.
Oproep tot het voeren van verweer
in concretoredelijkerwijs twijfel kan bestaan of de oproep door de opgeroepene is ontvangen, dient naar die ontvangst door de rechter onderzoek te worden gedaan en behoort hij passende maatregelen te nemen, zoals uitstel van de mondelinge behandeling van de zaak. [11] Het oordeel van het hof komt er op neer dat in de onderhavige zaak redelijkerwijs twijfel bestaat of de oproeping Warner had bereikt. Daarvan uitgaande is juist het oordeel van het hof dat in verband met schending van het beginsel van hoor en wederhoor zich een doorbrekingsgrond voordoet. In dit verband is van geen belang of (de griffier van) de rechtbank enig verwijt valt te maken. Dat door de rechtbank op het verzoek van SMMT is beslist zonder dat Warner de gelegenheid heeft gehad om zich over het verzoek uit te laten, is voor doorbreking van het appelverbod een voldoende grond. Aldus wordt de onbedoelde schending van art. 6 EVRM Pro, zoals die in eerste aanleg heeft plaatsgevonden, geredresseerd. Dat inderdaad niet nodig is dat bij de oproeping door de rechtbank een fout is gemaakt, volgt ook uit wat geldt voor een iets ander geval. Is een partij in het verzoekschrift niet als belanghebbende aangeduid, dan zal het voor griffier en rechter veelal onmogelijk zijn om het belang van deze partij te kennen (het is niet eens gegeven dat haar naam in het verzoekschrift wordt genoemd). Het spreekt vanzelf dat oproeping dan niet kan plaatsvinden. Tóch kan ook deze ‘onvermoede’ belanghebbende met een beroep op een doorbrekingsgrond hoger beroep instellen. [12]
naar analogie vanart. 3:37 lid 3 BW Pro geldt dat indien het oproepbericht de belanghebbende niet bereikt als gevolg van omstandigheden die voor rekening van de belanghebbende komen, zich géén doorbrekingsgrond voordoet. Dit lijkt mij juist. [13] Los daarvan: dat het hof heeft onderzocht of mogelijk het niet-bereiken van het oproepbericht voor rekening van Warner moet blijven, is uiteraard niet iets waarover
SMMTzich kan beklagen.
strakkeregel, dan geldt – zoals die formulering reeds zegt – dat de regel slechts
in beginselstrak is. Dat biedt mijns inziens reeds voldoende opening om vanwege bijzondere omstandigheden van de regel af te wijken. Volgens het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof deden zulke bijzondere omstandigheden zich hier voor. Er moet van worden uitgegaan dat het oproepbericht van de griffier van de rechtbank Warner niet heeft bereikt. Hoewel formeel een hoger beroep, betrof de instantie bij het hof voor Warner dus de eerste instantie waarin zij verweer kon voeren. Daarbij komt dat de afwijzingsgronden waarop Warner zich bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft beroepen, reeds in de beroepschriften van [verweerders 2 en 3] en [verweerder 6] voorkwamen. Dit betekent zowel dat die afwijzingsgronden hoe dan ook aan de orde dienden te komen, als dat SMMT alle gelegenheid heeft gehad om haar reactie daarop voor te bereiden.
hoofdzaakmet het oog waarop SMMT om een voorlopig getuigenverhoor heeft verzocht.
marginaaltoetst of de verzoeker is aan te merken als een rechtspersoon die een collectieve rechtsvordering in kan stellen, kan de steller van het middel zich beroepen op het proefschrift van Groot. [22] Dat ook in andere opzichten de drempel voor toewijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor laag is, past mijns inziens bij deze opvatting goed. Intussen kan ik niet inzien waaruit volgt dat het hof meer dan marginaal heeft getoetst. Het hof heeft het laagdrempelige karakter van het voorlopig getuigenverhoor in overweging 4.21 vooropgesteld, maar heeft daaraan toegevoegd dat in het kader van de vraag of belang bestaat bij het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor ‘betekenis toekomt’ (let op de voorzichtige formulering) aan de vereisten voor een collectieve actie als bedoeld in art. 3:305a BW. Het hof heeft vervolgens in overweging 4.27 geoordeeld dat SMMT in het licht van de betwisting door Warner, [verweerders 2 en 3] en [verweerder 6] onvoldoende naar voren heeft gebracht om te kunnen oordelen dat SMMT voldoet aan de ‘in het kader van een voorlopig getuigenverhoor te stellen eisen van art. 3:305a BW’ (die eisen heeft het hof dus niet gelijkgesteld aan die zoals ze in de hoofdzaak gelden). Hoe dan ook blijft het oordeel van het hof dat er onvoldoende belang is bij het voorlopige getuigenverhoor uitgaande van marginale toetsing overeind, omdat het hof, in cassatie onbestreden, heeft geoordeeld in het licht van de (volgens het hof) ruime statutaire doelstelling van SMMT, dat iedere informatie ontbreekt waaruit kan blijken dat, kort gezegd, sprake is van een achterban. De klacht faalt.