ECLI:NL:PHR:2021:951

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 2021
Publicatiedatum
8 oktober 2021
Zaaknummer
20/02607
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 SrArtikel 1 Wet op de identificatieplicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende bewijs van opzet bij voorhanden hebben vals identiteitsbewijs

De verdachte werd door het Hof Amsterdam veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf wegens het voorhanden hebben van een vals nationaal paspoort, waarbij het hof oordeelde dat de verdachte wist dat het document vals was. De bewezenverklaring en kwalificatie waren toegespitst op het 'weten' van de valsheid, wat opzet impliceert, ook in de vorm van voorwaardelijk opzet.

De Hoge Raad stelt in cassatie dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer volgt dat de verdachte wist dat het paspoort vals was. Het hof baseerde het bewijs van opzet op twee gronden: tegenstrijdige verklaringen over de ontvanger van het paspoort en het niet geven van een verklaring over een telefoonnummer op de enveloppe. Deze gronden zijn volgens de Hoge Raad onvoldoende toegelicht en niet begrijpelijk zonder nadere motivering.

De Hoge Raad concludeert dat de bewijsconstructie niet toereikend is om het vereiste opzet aan te nemen en dat het hof niet heeft aangegeven of het vol opzet of voorwaardelijk opzet bedoelde. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep.

De zaak betreft het voorhanden hebben van een vals identiteitsbewijs op Schiphol op 7 oktober 2018. De verdachte gaf wisselende verklaringen over de ontvanger en weigerde informatie over een telefoonnummer te verstrekken. Het hof achtte dit bewijs voor opzet onvoldoende onderbouwd. De Hoge Raad benadrukt dat het bewijs van opzet duidelijk en begrijpelijk moet zijn en dat het hof dit niet heeft gedaan.

De Hoge Raad bevestigt dat het wettelijk kader geen onderscheid maakt tussen 'weten' en 'redelijkerwijs moet vermoeden' in art. 231 Sr Pro lid 2, maar dat het hof wel een keuze heeft gemaakt die niet voldoende onderbouwd is. De zaak wordt daarom terugverwezen voor een zorgvuldige herbeoordeling.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende bewijs van opzet en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02607
Zitting12 oktober 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

P.C. Vegter
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 17 augustus 2020 door het Gerechtshof Amsterdam wegens “een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het vals is”, veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte wist dat hij een vals of vervalst document voorhanden had.
4. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 7 oktober 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht, te weten een nationaal paspoort van [plaats] (voorzien van nummer [001] , op naàm van [betrokkene 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964), waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad.”
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 7 oktober 2018 te Schiphol een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel I van de Wet op de
identificatieplicht, te weten een nationaal paspoort van [plaats] (voorzien van nummer [001] , op naam van [betrokkene 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964), waarvan hij, verdachte, wist dat dit valst of vervalst was, voorhanden heeft gehad.”
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aanleiding en onderzoek aangeboden documenten met nummer PL27QR/18-086151 van 7 oktober 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , dossierparagraaf 0.7.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):
Op zondag 7 oktober 2018, omstreeks 17:00 uur, waren wij, verbalisanten, werkzaam in het bureau van de afdeling Falsificaten te Schiphol. Aan ons werd overhandigd het volgende reisdocument: een nationaal paspoort van [plaats] , voorzien van het nummer [001] .
Bij onderzoek aan het voornoemde nationaal paspoort van [plaats] , voorzien van het nummer [001] , zagen wij, verbalisanten, dat:
- op naam was gesteld van [betrokkene 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964;
- het document qua kleur, lay-out, detaillering en gebruikte productie- en
beveiligingstechnieken niet overeenkwam met een origineel, nationaal paspoort van [plaats] van dit model;
- de in dit document aanwezige bladzijden qua kleur, detaillering en gebruikte productietechnieken niet overeenkwamen met originele bladzijden, aangebracht in een
nationaal paspoort van [plaats] van dit model;
- de in dit document aanwezige bladzijden niet waren voorzien van een watermerk, terwijl alle bladzijden, aanwezig in een origineel nationaal paspoort van [plaats] van dit model, wel zijn voorzien van een watermerk;
- het onderste gedeelte van de personaliabladzijde machine leesbaar was ingevuld;
- bij controle van deze machine Leesbare Zone, de berekende waarden van de in de onderste regel vermelde controlegetallen, niet overeenkwamen met de waarden zoals die behoren te zijn na een gestandaardiseerde berekening, die is vastgelegd in Document 9303 van de International Civil Aviation Organization;
- bij aanstraling met een ultraviolette lichtbron de personaliabladzijde duidelijk waarneembaar helder oplichtte, terwijl een personaliabladzijde in een origineel nationaal paspoort van [plaats] van dit model niet helder oplicht;
- er in het document diverse afdrukken van in- en uitreisstempels van de autoriteiten van [plaats] , [plaats] , de [plaats] , [plaats] , [plaats] en [plaats] waren aangebracht;
- de voornoemde stempelafdrukken qua detaillering en lay out niet overeenkomen met originele, door de autoriteiten van [plaats] , [plaats] , de [plaats] , [plaats] , [plaats] en [plaats] , aangebrachte stempelafdrukken.
Conclusie:
Naar aanleiding van bovenstaande kon dezerzijds worden vastgesteld dat het nationaal paspoort van [plaats] , voorzien van het nummer [001] , een vals exemplaar betreft. Voorts kan worden gesteld dat de in het nationaal paspoort van [plaats] voornoemd, aangebrachte stempelafdrukken valse exemplaren betreffen.
2. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL27QR/18-086151 van 24 februari 2018 (het hof begrijpt: 8 oktober 2018), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , dossierparagraaf 1.1.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 oktober
2018 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van verdachte:
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , toon de verdachte een Nationaal paspoort van [plaats] , voorzien van het nummer [001] , welke NIET is voorzien van goedgelijkende pasfoto van de verdachte.
V: Dit document is bij u aangetroffen door de douane, klopt dat?
A: Ja. [...] Een kennis van mij in [plaats] zei dat hij een vriend van hem had die in Nederland zat en terug moest naar [plaats] maar geen paspoort had om te reizen. Ik moest het paspoort aan die persoon geven. [...] Degene die het paspoort zou moeten gebruiken zou mij maandag bellen. [...]
De kennis in [plaats] heet [betrokkene 2] , ik ken geen achternaam van hem. Ik had hem voor het eerst ontmoet op een onroerend goed beurs in [plaats] . Ik kwam hem [deze keer] in [plaats] bij toeval tegen op een feest. Hij vroeg: reisje nog naar Nederland? Het was ook puur toeval dat hij nog een paspoort naar Nederland moest sturen. Dat paspoort kreeg ik niet op het feest maar in de ochtend op het vliegveld. Hij is naar de luchthaven gegaan.
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de politierechter op 29 november 2018.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik had een stay over in [plaats] en besloot de stad in te gaan. Ik kwam daar toevallig een kennis van me tegen, [betrokkene 2] genaamd, die in [plaats] woont en handelt in kunstwerken. Ik heb hem twee jaar geleden voor het eerst ontmoet in Nederland. Op [een] feest kwam ik [betrokkene 2] wederom tegen.
U houdt me voor dat ik eerder heb verklaard dat [betrokkene 2] in onroerend goed handelt. Dat is ook zo, maar hij handelt ook in kunst. Op dat feest vroeg [betrokkene 2] mij of ik weer terug zou gaan naar Nederland en zo ja, of ik iets voor hem mee wilde nemen. Dit betrof een paspoort van iemand die in Nederland woonde en zijn paspoort was vergeten. Ik kreeg het paspoort in een enveloppe met daarop geschreven een telefoonnummer. Ik moest dat nummer bellen als ik in Nederland zou zijn
aangekomen om een afspraak te maken om het paspoort te overhandigen.”
7. Voorts heeft het hof in reactie op hetgeen door de gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd nog het volgende overwogen:
“De raadsman heeft namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep om vrijspraak verzocht van het ten laste gelegde feit, omdat de verdachte niet wist dan wel redelijkerwijs kon vermoeden dat het paspoort dat hij bij zich had vals was.
Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. De verdachte heeft verschillende elkaar op essentiële punten uitsluitende verklaringen afgelegd over degene die het paspoort zou ontvangen.
Over het telefoonnummer dat op de enveloppe met het paspoort zou staan, heeft de verdachte niets verklaard bij de marechaussee, terwijl dat belangrijke informatie had kunnen opleveren. Uit de voormelde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd, leidt het hof af dat de verdachte wist dat het een vervalst document betrof. De verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat het een vals paspoort betrof, wordt op grond van het voorgaande niet aannemelijk geacht en terzijde geschoven.”
8. Het bewezenverklaarde is gekwalificeerd als:
“een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het vals is.”
9. Voor de beoordeling van het middel zijn de eerste twee leden van art. 231 Sr Pro van belang:
“1. Hij die een reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, valselijk opmaakt of vervalst, of een zodanig geschrift op grond van valse persoonsgegevens doet verstrekken dan wel een zodanig geschrift dat aan hem of een ander verstrekt is, ter beschikking stelt van een derde met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid aflevert of voorhanden heeft waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik maakt van een vals of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maakt van een bij het bevoegd gezag als vermist opgegeven of een niet op zijn naam gesteld reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid.”
10. De tenlastelegging is toegesneden op het in tweede lid vermelde voorhanden hebben van een reisdocument waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is. Deze in de tenlastelegging gebezigde woorden kunnen geacht worden te zijn gebruikt in de betekenis van deze bepaling. De bewezenverklaring in eerste aanleg was toegespitst op het redelijkerwijs moet vermoeden, maar in hoger beroep is gekozen voor het weten. Zie voor de bewezenverklaring randnummer 5 hierboven. Weten in art. 231, tweede lid, Sr omvat het opzet, ook in de vorm van voorwaardelijk opzet. [1]
11. De valsheid of vervalsing van het document komt in vele facetten tot uitdrukking in het eerste door het hof gebruikte bewijsmiddel. Terecht wordt daarover in cassatie niet geklaagd. De bewijsmiddelen 2 en 3 bevatten geen rechtstreeks bewijs van de wetenschap van de valsheid of vervalsing. Daarom was er voor het hof inderdaad aanleiding aan het opzet in afzonderlijke bewijsoverweging aandacht te besteden.
12. Het hof noemt twee gronden voor het bewijs van opzet: (1) het afleggen van verschillende elkaar op essentiële punten uitsluitende verklaringen over degene die het paspoort zou ontvangen en (2) niet geven van een verklaring bij de marechaussee over het telefoonnummer dat op de enveloppe met het paspoort zou staan, terwijl dat belangrijke informatie had kunnen opleveren. Niet zonder meer begrijpelijk is dat verdachte elkaar op essentiële punten uitsluitende verklaringen heeft afgelegd over de ontvanger van het paspoort. Op welke essentiële punten die elkaar uitsluiten wordt gedoeld? Evenmin is zonder meer begrijpelijk dat het niet geven van een verklaring over een telefoonnummer bij kan dragen aan het bewijs van opzet nu niet naar voren komt dat daarna is gevraagd. De bewijsmiddelen 2 en 3 dragen zonder nadere toelichting evenmin bij aan het bewijs van opzet. Ik voeg nog toe dat uit het arrest ook niet naar voren komt of het hof voorwaardelijk opzet voor ogen heeft gehad. Het heeft er zelfs veel van weg dat het hof doelt op vol opzet.
13. Het middel slaagt en ik heb mij afgevraagd of dit tot cassatie moet leiden. Art. 231 Sr Pro maakt geen onderscheid in de strafbedreiging tussen ‘weten’ en ‘redelijkerwijs moet vermoeden’. In beide gevallen is een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie bedreigd. De rechter is niet gehouden bij de bewezenverklaring te kiezen tussen ‘weten’ en ‘redelijkerwijs moet vermoeden’ en ook in de kwalificatie kan zowel het ‘weten’ als het ‘redelijkerwijs moet vermoeden’ worden opgenomen. Hier is echter in de bewezenverklaring en kwalificatie die keuze (onverplicht) wel gemaakt. De bewijsconstructie is daarop ook toegesneden. Het gaat dan in cassatie mijns inziens te ver om aan te nemen dat in die bewijsconstructie in ieder geval het bewijs van ‘moet vermoeden’ ligt besloten. Dat zou ook betekenen dat tegen dat oordeel in cassatie niet (meer) kan worden opgekomen.
14. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Vgl, HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8673, NJ 2008/318. De uitzondering van een contra-indicatie in de wetsgeschiedenis doet zich hier niet voor. Ook Hofstee, NLR, aantek. 7 bij art. 231Sr (bijgewerkt tot 15 januari 2017): “Omdat voor een veroordeling van dit onderdeel van lid 2 culpa al volstaat, moet logischerwijs onder het ‘weten’ ook voorwaardelijk opzet worden begrepen. Zie verder De Hullu, Materieel strafrecht, 2021, p. 244/245.