Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring en de bewijsvoering
3.Bespreking van het eerste middel
zich omdraait in de richting van een kledingrek,zij de jas niet meer in haar handen heeft. Die laatste – in de bewijsvoering opgenomen – waarneming verdraagt zich niet, althans niet zonder meer, met de verklaring van de verdachte dat zij de jas heeft weggehangen in
het kledingrek waar zij op dat moment bij stond. [5] Als het over hetzelfde kledingrek gaat en het hof op de camerabeelden iets anders heeft gezien, had het op de weg van het hof gelegen om die andere waarneming ter zitting aan de orde te stellen. Nu dat niet specifiek is gebeurd, mocht het hof de eigen waarneming niet op deze wijze voor het bewijs bezigen.
4.Bespreking van het tweede middel
lijktdat de vrouw met de bril (de verdachte) de jas aan de andere vrouw achter het rek geeft terwijl het hof in zijn eigen waarneming van de camerabeelden hierover niets vermeldt. Vervolgens concludeert het hof in zijn bewijsoverweging dat uit de beelden “enkel (kan) worden afgeleid dat verdachte de jas aan de andere blonde dame heeft afgegeven”.
alsde verdachte de jas al aan de andere vrouw heeft gegeven, dit is gedaan met het voor diefstal in vereniging vereiste oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Uit de door het hof opgezette bewijsvoering volgt niet, althans niet zonder meer, dat de verdachte
wistdat de andere vrouw de jas zou ontvreemden.