Conclusie
1.Feiten en procesverloop
de rechtbank) ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna:
betrokkene) een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak van drie maanden, voor verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder ‘toedienen van medicatie’.
de rapporterend psychiater), (ii) het zorgplan van 19 april 2022, opgesteld door psychiater [de zorgverantwoordelijke] , sinds kort zorgverantwoordelijke (hierna:
de zorgverantwoordelijke), en de bevindingen gedateerd 28 april 2022 van [de geneesheer-directeur] (hierna:
de geneesheer-directeur).
Wat zijn de symptomen die betrokkene vertoont?’) het volgende genoteerd (onderstreping hier en hierna toegevoegd):
Psychiatrisch onderzoek
Er is geen ziektebesef ten aanzien van de psychotische fenomenen.”
Op grond van welke symptomen, gedragingen of feiten komt u tot uw oordeel?’) heeft de rapporterend psychiater met betrekking tot ernstig nadeel voor anderen het volgende vermeld:
De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende is toegelicht dat de betrokkene niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
Daar komt bij dat de situatie als bedoeld in artikel 2:1 lid 6 onder Pro b zich voordoet. Uit de stukken en uit hetgeen door de psychiater tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, is voldoende gebleken dat als betrokkene de medicatie niet inneemt, decompensatie volgt, hetgeen leidt toteerder genoemd
ernstig nadeel onder meer bestaande uit een aanzienlijk risico op ernstig nadeel voor een ander. Daarbij moet gedacht worden aan het grensoverschrijdende gedrag van de betrokkene in de kliniek, het grensoverschrijdende en bedreigende gedrag richting medewerkers van het FACT team en naar anderen in de omgeving van de verzoeker, waaronder zijn buren. Dit heeft tot gevolg dat de wensen en voorkeuren van de betrokkene ten aanzien van de verplichte zorg, niet kunnen worden gehonoreerd.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
art. 2:1 lid 6 Wvggz Pro ook van toepassing is in de fase van de afgifte van een zorgmachtiging”, zoals in deze zaak aan de orde.
dat de wensen en voorkeuren van de betrokkene ten aanzien van de verplichte zorg, niet kunnen worden gehonoreerd”, is gebaseerd op twee zelfstandig dragende gronden. De rechtbank heeft zich allereerst aangesloten bij het oordeel van ‘de psychiater’ dat betrokkene niet wilsbekwaam is als het gaat om beslissingen rondom zijn behandeling en medicatie. Aldus doet zich naar het oordeel van de rechtbank de uitzondering genoemd in art. 2:1 lid Pro 6, onder a, Wvggz voor. “
Daar komt bij”, zo oordeelt de rechtbank vervolgens, dat de situatie als bedoeld in art. 2:1 lid Pro 6, onder b, Wvggz zich voordoet. Voldoende is gebleken dat als betrokkene de (voorgeschreven) medicatie niet inneemt, decompensatie volgt, hetgeen leidt tot het eerder in rov. 4.3 genoemd ernstig nadeel, onder meer bestaande uit een aanzienlijk risico op ernstig nadeel voor een ander. De bestreden beschikking zou derhalve alleen kunnen worden vernietigd indien
beide oordelenin cassatie met succes worden bestreden. Dit volgt ook uit rov. 3.1.6 van de beschikking van 4 februari 2022 (zie mijn conclusie in zaak 22/03115, onder 2.7 en 2.12).
onderdeel 1.dte bespreken. Het subonderdeel komt op tegen het oordeel dat de situatie als bedoeld in art. 2:1 lid Pro 6, onder b, Wvggz zich voordoet. Geklaagd wordt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het subonderdeel kunnen de feiten en omstandigheden die de rechtbank opsomt niet afzonderlijk en evenmin in onderlinge samenhang bezien de conclusie wettigen dat sprake is van de in art. 2:1 lid Pro 6, onder b, Wvggz bedoelde situaties. De rechtbank heeft de vereisten voor uitzonderingssituaties onjuist toegepast en ten onrechte geoordeeld dat er onder de gegeven omstandigheden een aanzienlijk risico op ernstig nadeel voor een ander bestaat.
een aanzienlijk risico op ernstig nadeel voor een ander” (rov. 4.7, tweede alinea, geciteerd in 1.10). Daarbij moet volgens de rechtbank gedacht worden aan grensoverschrijdend dan wel bedreigend gedrag van betrokkene in de kliniek, richting medewerkers van het FACT team en naar anderen in zijn omgeving, waaronder zijn buren. Uit de woorden “
Daarbij moet gedacht worden aan(…)” kan mijns inziens worden afgeleid dat hetgeen volgt
nietbeoogt een limitatieve opsomming van feiten en omstandigheden te geven. Met andere woorden: de rechtbank heeft het oordeel dat er aanzienlijk risico op ernstig nadeel voor een ander bestaat, geïllustreerd aan de hand van een aantal voorbeelden. Indien de klacht ervan uitgaat dat de rechtbank haar oordeel uitsluitend heeft gebaseerd op de genoemde feiten en omstandigheden mist zij daarom feitelijke grondslag.
dat de medische verklaring wat dat betreft tekortschoot”. [10] Onder verwijzing naar HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:123, stelt het middel dat de rechtbank in de gegeven situatie niet had kunnen volstaan met de toelichting van “
de ter zitting als zorgverantwoordelijke aanwezige psychiater [de eerdere zorgverantwoordelijke]”. Nu volgens de rechtbank sprake was van een voldoende toegelicht bezwaar tegen dwangmedicatie als verplichte zorg, had zij, zo betoogt het middel, een verklaring dienen te vragen van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog waaruit blijkt of betrokkene al dan niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is. Daartoe had de procedure zo nodig moeten worden aangehouden. De rechtbank heeft een en ander niet gedaan. Aldus heeft de rechtbank volgens de klacht het recht geschonden door haar oordeel “
enkel te gronden op verklaringen van de niet-onafhankelijke psychiater [de eerdere zorgverantwoordelijke] die als zorgverantwoordelijke bij behandeling van betrokkene is betrokken”.
en(ii) de situaties als bedoeld in art. 2:1 lid Pro 6, onder b, Wvggz zich
nietvoordoen, de rechter dient te beoordelen of de betrokkene wilsbekwaam is (rov. 3.1.5). Indien daarover, zo overwoog de Hoge Raad vervolgens, in de medische verklaring
nietis gerapporteerd, dient hiertoe een verklaring te worden gevraagd van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog, waaruit blijkt of de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is.
Zo nodigdient de procedure te worden aangehouden.
nietvoldaan. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat (ten minste) één van de situaties als bedoeld in art. 2:1 lid Pro 6, onder b, Wvggz zich voordoet (zie hiervoor de bespreking van onderdeel 1.d). Het onderdeel stuit reeds hierop af.
ter zake”. Uit de bestreden beschikking blijkt niet de rechtbank tot dit oordeel is gekomen op basis van de medische verklaring. Uit de hiervoor in 1.3 weergegeven passage kan naar mijn mening genoegzaam worden afgeleid dat de rapporterend psychiater van oordeel is dat er bij betrokkene ten tijde van het door hem gedane onderzoek geen sprake is van ziekte-besef en dat hij betrokkene op dat moment in zijn algemeenheid niet in staat achtte om de relevante informatie te verwerken die voor het nemen van een beslissing met betrekking tot de benodigde zorg van belang is, en om de gevolgen van die beslissing te overzien.
heeft onderkend dat de medische verklaring wat dat betreft tekortschoot”. In de vindplaatsen in het proces-verbaal waarnaar het onderdeel verwijst, kan ik echter verklaringen van die strekking niet lezen. Maar ook als dat er wel uit zou volgen, worden die stellingen weerlegd door de hiervoor weergeven passage uit de medische verklaring.
isgerapporteerd over de wilsbekwaamheid van betrokkene – enigszins summier, zo zij toegegeven – hoefde de rechtbank hiertoe niet, conform HR 4 februari 2022, een verklaring te vragen van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog. Een dergelijke verklaring was er immers al. De rechtbank heeft mijns inziens tot uitdrukking willen brengen dat de eerdere bevindingen van de rapporterend psychiater
worden ondersteunddoor andere psychiaters. Dat één van die psychiaters de zorgverantwoordelijke is, maakt niet uit. Dit zou alleen anders zijn indien in de medische verklaring van de rapporterend psychiater niets stond met betrekking tot de wilsbekwaamheid van betrokkene, en de rechtbank bij haar oordeel daaromtrent zou zijn afgegaan op alleen het oordeel van de zorgverantwoordelijke. Die situatie doet zich evenwel niet voor.
of betrokkene beoordelend naar zijn gezondheidstoestand op dat moment in staat is te beredeneren naar zijn belangen”. Het onderdeel citeert in dat verband uit de noot van F. Westenberg [16] bij HR 4 februari 2022 en stelt vervolgens: “
Volgens diens zittingsnotities wees de advocaat van betrokkene ter zitting hierop”. Door de in rov. 4.7 vermelde toelichting van psychiater [de eerdere zorgverantwoordelijke] “
voldoende te achten” voor het oordeel “
dat betrokkene niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake”, is de rechtbank volgens het onderdeel dan ook uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Dit geldt mede voor zover de rechtbank, in navolging van de psychiater, ervan is uitgegaan dat betrokkene als gevolg van zijn ontbrekend ziekte-inzicht de gevolgen van het niet innemen van de medicatie niet kan overzien. De omstandigheid dat hij daarvan (mede) bezien zijn geestestoestand de gevolgen niet zou ‘overzien’, kan volgens het subonderdeel ook niet in het licht van de overige omstandigheden het oordeel dragen dat hij niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
als het gaat om beslissingen rondom zijn behandeling en medicatie. Dit leidde tot het oordeel dat betrokkene niet in staat moet worden geacht om ter zake van specifieke afwegingen op het terrein van de zorg, en dan met name de medicatie, te komen tot een redelijke waardering van zijn belangen. Aldus heeft de rechtbank niet een onjuiste maatstaf gehanteerd. Het oordeel is niet onbegrijpelijk in het licht van de verklaring van de rapporterend psychiater in de medische verklaring en de verklaringen ter zitting van de psychiaters [de eerdere zorgverantwoordelijke] en [de zorgverantwoordelijke] . Ook acht ik in dat verband van belang de verklaring van de geneesheer-directeur – die tevens psychiater is en niet betrokken lijkt te zijn (geweest) bij de behandeling van betrokkene [17] – dat gebleken is dat betrokkene de alternatieven ook niet kan overwegen.
bepalend gewicht heeft toegekend” aan de toelichting van de psychiaters [de eerdere zorgverantwoordelijke] en/of [de zorgverantwoordelijke] dat de bijwerkingen waarvan betrokkene spreekt, niet kunnen worden geobjectiveerd, en dat de door betrokkene gestelde lusteloosheid en het ‘komen tot niets’ door de betrokken hulpverlening niet is waargenomen in de kliniek en in de thuissituatie. Het subonderdeel stelt dat volgens de bedoeling van de wetgever bij de keuze voor de verplichte zorg bepalend gewicht toekomt aan de ervaringen van de betrokkene met medicijnen en zijn eigen afwegingen over nut en nadeel van bepaalde vormen van medicatie, en dat in gevallen als de onderhavige bij beoordeling van de veiligheid van voorgeschreven medicatie als verplichte zorg terughoudendheid past, omdat medicatie niet bij alle patiënten effectief blijkt en gepaard kan gaan met ernstige en langdurige bijwerkingen. Anders dan de rechtbank kennelijk heeft geoordeeld, hoefden volgens het subonderdeel voor beantwoording van de vraag of betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat was, de door betrokkene ervaren bijwerkingen niet te worden “
geobjectiveerd” en kwam er geen (relevant) gewicht toe aan de omstandigheid dat de door hem gestelde lusteloosheid en het ‘komen tot niets’ door de betrokken hulpverlening niet was waargenomen in de kliniek en in de thuissituatie.
Daar komt (…) bij” voorafgaand aan de weergegeven toelichting. De rechtbank heeft geoordeeld dat de wilsonbekwaamheid bij betrokkene voortkomt uit het ontbreken van ziekte-inzicht en
het niet kunnen overzien van de gevolgen van het niet innemen van de medicatie. Dit oordeel is uiteindelijk beslissend voor het vervolgoordeel dat betrokkene niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. De bewuste toelichting van de psychiater(s) is echter niet mede dragend voor dat oordeel. Aldus mist de klacht feitelijke grondslag en faalt.