Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring, de bewijsvoering en de verweren
"zal ik je onder de trein gooien?”dan wel
“ik gooi je voor de trein.”Cliënt is hiervoor door de politierechter veroordeeld. Het appel richt zich dan ook tegen het oordeel van de politierechter dat de ten laste gelegde bewoordingen een bedreiging in de zin van artikel 285 Sr Pro. zouden opleveren. Het zal u in dat verband niet verbazen dat dit namelijk naar de mening van de verdediging niet het geval is.
"ik gooi je voor de trein”zou worden uitgegaan, dan levert dat naar de mening van de verdediging nog geen strafbare bedreiging op.
onder zulke omstandighedenzijn gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees opwekken kan. En het zijn precies de omstandigheden in deze zaak die maken dat naar de mening van de verdediging die vrees er in het algemeen niet kan zijn. Daarvoor dienen we meerdere aspecten te bespreken. Allereerst de persoon van cliënt.
"ik gooi je voor de trein”, maar waar zijn we? In het kantoor van de RIBW en zoals u weet rijdt er geen trein door de RIBW. Zouden we op een perron van een treinstation staan dan zouden de omstandigheden uiteraard anders kunnen zijn, dan kun je de redelijke vrees hebben dat cliënt iets zou doen terwijl er bijvoorbeeld een trein aankomt. Maar dat speelt hier niet. Hier zit cliënt in een gebouw waar hij behandeld wordt voor zijn stoornis en waarin hij vanuit die stoornis zegt dat hij iemand voor de trein zal gooien terwijl hij nog steeds in het gebouw van de RIBW zit met geen trein in de verste verte te bekennen.
"Moet ik een pistool halen en iemand neerschieten om geholpen te worden. Vroeger was ik een crimineel en had ik een 9 millimeter onder mijn kussen liggen"Ook hiervan moge duidelijk zijn dat op geen enkele wijze iemand zich daadwerkelijk bedreigd kan voelen van deze uitspraak met de wetenschap van wie cliënt als persoon is. En die wetenschap is er want de aangeefster betreft een behandelaar van cliënt.
shooting rangewaar allemaal wapens op tafel liggen en zegt cliënt dan of hij even een pistool moet halen, dan is het wellicht een ander geval. Maar dat speelt hier niet.
"moet ik soms een pistool halen om geholpen te worden."Ook zegt hij niet dat hij de aangeefster zou neerschieten, maar iemand, dus ook niet specifiek. Tegen die achtergrond maken naar de mening van de verdediging de omstandigheden van het geval dat onder deze omstandigheden als genoemd de door cliënt geuite bewoordingen in het algemeen niet een vrees kunnen opwekken inhoudende dat cliënt daadwerkelijk gevolg zou geven aan zijn uiting. In dat geval is er dan ook geen sprake van een bedreiging in de zin van de wet en verzoek ik uw hof wederom om integrale vrijspraak nu de ten laste gelegde bedreiging niet bewezen kan worden verklaard.
3.Bespreking van het middel
“ik gooi je voor de trein”niet onder zodanige omstandigheden zijn geuit dat bij de bedreigde persoon daadwerkelijk de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou verliezen. De woorden zijn immers uitgesproken i) in een gebouw van de Regionale Instelling voor Beschermd Wonen (RIBW) en niet op een perron), ii) door een persoon die wegens een persoonlijkheidsstoornis in de RIBW is opgenomen en iii) jegens een persoon die werkzaam is in de RIBW en weet dat de gebezigde woorden verband houden met de stoornis van de verdachte (zie de punten 5 en 6 uit de pleitnota in hoger beroep, hiervoor opgenomen onder randnr. 2.5.).
“Moet ik een pistool halen en iemand neerschieten om geholpen te worden. Vroeger was ik een crimineel en had ik een 9 millimeter onder mijn kussen liggen”gelet op de context waarin deze zijn geuit geen bedreiging konden vormen, nu de aangeefster wist dat de verdachte psychisch niet in orde was en geen beschikking had over een pistool (zie de punten 10 en 11 uit de pleitnota in hoger beroep, hiervoor opgenomen onder randnr. 2.5.).