ECLI:NL:PHR:2022:1052

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2022
Publicatiedatum
14 november 2022
Zaaknummer
21/00951
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 lid 1 WWMArt. 13 lid 1 WWMArt. 287 lid 2 SvArt. 288 lid 1 onder b en c SvArt. 299 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring en verwerpt beroep wegens onpartijdigheid deskundige en afwezigheid van alle schuld

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch schuldig bevonden aan meerdere feiten in strijd met de Wet wapens en munitie, maar kreeg geen straf opgelegd. In cassatie werd onder meer geklaagd over het afzien van het horen van de deskundige Van Driel, wiens onafhankelijkheid werd betwijfeld vanwege contact met de verdediging. De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze beslissing niet onbegrijpelijk heeft genomen, mede gelet op het beginsel van equality of arms en de benoeming van andere deskundigen.

Verder werd het bewijs van de wapens en munitie, waaronder oefenantipersoneelsmijnen en handgranaten, gebaseerd op identificatie door de Explosieve Opruimingsdienst Defensie (EODD) en categorisering door deskundigen, waaronder een politie-expert. De Hoge Raad acht de bewezenverklaring voldoende gemotiveerd en betrouwbaar, ondanks verschillen in deskundige meningen over categorisering.

De verdediging voerde ook aan dat sprake was van afwezigheid van alle schuld wegens dwaling, omdat de verdachte jarenlang een verlof had voor wapens en munitie en niet op de gewijzigde regelgeving was gewezen. De Hoge Raad bevestigt dat de verdachte een zelfstandige verplichting had zich te informeren en dat het verlengen van het verlof door de korpschef niet als een betrouwbaar advies kon worden aangemerkt.

Klachten over de beëdiging van raadsheren en het verzoek tot aanhouding in verband met een cassatie in het belang der wet werden eveneens verworpen. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand met bevestiging van de bewezenverklaring en afwijzing van de beroepen van verdachte.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/00951

Zitting15 november 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 23 februari 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch schuldig bevonden aan 1. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”, 2. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” en 3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”. Het hof heeft vervolgens bepaald dat ter zake van deze feiten geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en S.E. de Vries-van der Veldt, advocaat te Hoofddorp, heeft bij schriftuur en aanvullende schriftuur in totaal zes middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het middel is gericht tegen de beslissing van het hof ter terechtzitting van 3 september 2019 om af te zien van het horen van de namens het hof opgeroepen en ter terechtzitting verschenen deskundige J. van Driel, omdat deze beslissing in het licht van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd omtrent de noodzaak en het belang van het horen van deze deskundige, onbegrijpelijk zou zijn.
4. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2019 was het verzoek van de verdediging om J. van Driel als deskundige te horen toegewezen. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
“De voorzitter deelt mede:
Bij faxbericht van 16 januari 2019 heeft de raadsman van de verdachte het ressortsparket verzocht de heer ing. J. van Driel, deskundige op het gebied van wapens en munitie, voor de terechtzitting van heden op te roepen. Daarop heeft de advocaat-generaal bij e-mailbericht van 21 januari 2019 het hof te kennen gegeven dat [verbalisant 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar van politie en werkzaam als expert CBRN-Explosieven bij de Landelijke Eenheid, als getuige-deskundige dient te worden gehoord. Het hof heeft het verzoek tot het horen van beide deskundigen toegewezen. De voor de onderhavige zaak ingeplande behandelduur is daarvoor thans onvoldoende. Het hof heeft dan ook beslist dat de zaak ter terechtzitting van heden zal worden aangehouden en heeft de procespartijen voorafgaand aan de terechtzitting van die beslissing op de hoogte gesteld. In overleg met de op te roepen (proces)partijen zal de dag en het tijdstip van de nadere terechtzitting worden bepaald.
[…]
Het hof, gehoord de advocaat-generaal:
[…]
- beveelt de oproeping als deskundige tegen de dag en het tijdstip van de nog nader te bepalen terechtzitting van:
1. Jan van Driel, wonende op het adres [a-straat 1] , [plaats] (zie het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 23 februari 2018, pagina 4);
2. [verbalisant 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar van politie en werkzaam als expert CBRN-Explosieven bij de Landelijke Eenheid, Centrex CBRN-Explosieven/Nationaal Bom Data Centrum, domicilie kiezende op het adres [b-straat 1] , [plaats] (zie het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 23 februari 2018, pagina 3).”
5. De zaak is vervolgens behandeld op de terechtzitting van 3 september 2019. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt – voor hier zover van belang – het volgende in:
“De voorzitter stelt, aan de hand van de mededeling van de deurwaarder, vast dat J. van Driel en [verbalisant 1] als deskundigen zijn verschenen, welke deskundigen zich buiten de zittingzaal bevinden.
[…]
De voorzitter deelt mede dat de deskundigen [verbalisant 1] en Van Driel zich buiten de zittingzaal bevinden op verzoek van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal verzoekt het hof Van Driel niet als deskundige te horen en voert daartoe het volgende aan.
Ik wil uw hof wijzen op een uitspraak van dit hof d.d. 13 maart 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:1084). Die zaak had ook betrekking op het overtreden van de Wet wapens en munitie, daarin voerde mr. Roelink de verdediging en was Van Driel opgeroepen om als deskundige te worden gehoord. Ter terechtzitting bleek dat Van Driel het dossier – buiten medeweten van het openbaar ministerie en het hof – had ontvangen van mr. Roelink. Dit hof heeft toen in die zaak geoordeeld dat Van Driel daarom niet langer kan worden aangemerkt als een onafhankelijke en onpartijdige deskundige. Dat Van Driel is ingeschreven in het register van het NRGD maakte dit naar het oordeel van het hof niet anders. In de onderhavige zaak is Van Driel ook opgeroepen. Vervolgens heb ik de brief van mr. Roelink d.d. 16 januari jl. gezien, waarin onder meer staat opgenomen dat hij het nodige aan stukken ter voorbereiding aan Van Driel heeft verstrekt. Kennelijk heeft er ook een vooroverleg plaatsgevonden. Mijns inziens is er sprake van een min of meer vergelijkbare situatie en kan Van Driel niet langer meer als een onafhankelijke en onpartijdige deskundige worden aangemerkt.
De advocaat-generaal deelt voorts het volgende mede.
De verdediging heeft gesteld dat [verbalisant 1] de deskundigheid zou ontberen, maar dat betwist ik. Mijns inziens is [verbalisant 1] wel deskundig. Wat daar ook van zij, indien uw hof meent dat door het niet horen van Van Driel de verdediging tekort wordt gedaan, dan kan uw hof een nieuwe deskundige benoemen. Ik heb geconstateerd dat bij het NFI diverse mensen werkzaam zijn die deskundig zijn op het gebied van de Wet wapens en munitie en bevraagd kunnen worden over de onderhavige materie.
De advocaat-generaal deelt desgevraagd mede dat deze personen staan ingeschreven in het register van het NRGD.
De raadsvrouw reageert als volgt op het verzoek van de advocaat-generaal.
Met betrekking tot de zaak waarnaar de advocaat-generaal heeft verwezen, kan ik opmerken dat het klopt dat mr. Roelink toen het strafdossier heeft gestuurd naar Van Driel. Mr. Roelink ging ervan uit dat dat normaal was. Nadien is er telefonisch contact opgenomen met professor Sackers [
het hof begrijpt: prof.mr. H.J.B. Sackers]. Professor Sackers heeft aangegeven dat het logisch is dat de deskundige van alles op de hoogte moet zijn.
In de onderhavige zaak heeft Van Driel het dossier ook toegezonden gekregen van het openbaar ministerie zelf. Het is niet meer dan logisch dat Van Driel over alle stukken beschikt waarover hij een oordeel moet vellen.
De onpartijdigheid van Van Driel staat wat mij betreft buiten kijf. Van Driel is uitermate kundig en zal zich niet laten sturen. Ook staat hij ingeschreven in het register van het NRGD. Alleen al de aanname dat Van Driel wellicht niet onpartijdig zal zijn, vind ik buiten alle proporties.
Wat betreft [verbalisant 1] stelt de verdediging niet dat hij niet deskundig is. De verdediging stelt dat [verbalisant 1] niet zo deskundig is als Van Driel. [verbalisant 1] voldoet niet aan dezelfde eisen waaraan Van Driel heeft voldaan. Zoals ik het heb begrepen is Van Driel de enige die op dit gebied van de regelgeving staat ingeschreven in het NRGD. Mijns inziens is het dus van belang dat Van Driel als deskundige wordt gehoord en hij zal uit eigen waarnemingen en bevindingen verklaren.
De advocaat-generaal deelt het volgende mede.
Ik constateer dat dezelfde situatie aan de orde is als de situatie in het arrest waarnaar ik heb verwezen. Dat was voor uw hof voldoende reden om Van Driel niet als deskundige toe te laten. Ik weet niet waarom dat in dit geval anders zou moeten zijn.
De raadsvrouw merkt op dat Van Driel in die zaak is opgeroepen door mr. Roelink en in de onderhavige zaak is Van Driel door de rechtbank opgeroepen.
[…]
Na een onderbreking van het onderzoek voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter de volgende beslissingen van het hof mede.
Gelet op het standpunt van de advocaat-generaal en de correspondentie in het dossier, kunnen er mogelijk twijfels bestaan over de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de deskundige Van Driel. Dat zou de schijn kunnen wekken van een zogenaamde 'partijdeskundige'. Het hof ziet derhalve af van het horen van Van Driel als deskundige. Gelet op het beginsel van 'equality of arms' acht het hof van belang dat – naast [verbalisant 1] – een nieuwe deskundige zal worden benoemd door de raadsheer-commissaris. De inhoudelijke behandeling kan daarom vandaag niet worden voortgezet en de behandeling zal worden geschorst.
De advocaat-generaal en de raadsvrouw delen desgevraagd mede dat zij betrokken willen worden bij het benoemen van de deskundige door de raadsheer-commissaris.
[…]
De verdachte deelt het volgende mede.
Ik begrijp wat er vandaag gebeurt. Ik ben alleen verbaasd dat Van Driel op deze manier wordt afgeserveerd, terwijl het hof zelf stukken naar Van Driel heeft gestuurd.
De voorzitter deelt mede dat dit het oordeel van het hof is.
[…]
Het hof, gehoord de advocaat-generaal, de verdachte en diens raadsvrouw:
[…]
- beveelt de oproeping van de deskundige [verbalisant 1] tegen de dag en het tijdstip van de nog nader te bepalen terechtzitting;
- beveelt de oproeping van de nog te benoemen deskundige tegen de dag en het tijdstip van de nog nader te bepalen terechtzitting;
- stelt de stukken, voor zover van belang, in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof, niet zijnde een lid van de behandelend strafkamer;
- beveelt dat de raadsheer-commissaris, in overleg met de advocaat-generaal mr. Van der Hofstede en de verdediging, een deskundige op het gebied van de Wet wapens en munitie, niet zijnde J. van Driel, zal benoemen.”
6. Het hof heeft op de terechtzitting van 3 september 2019 besloten om af te zien van het horen van de namens het hof opgeroepen en ter terechtzitting verschenen deskundige J. van Driel. Het hof heeft daartoe overwogen dat er gelet op het standpunt van de advocaat-generaal en de correspondentie in het dossier mogelijk twijfels bestaan over de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de deskundige Van Driel, wat de schijn zou kunnen wekken van een zogenaamde 'partijdeskundige'.
7. Het standpunt van de advocaat-generaal bij het hof was – kort gezegd – dat de raadsman van de verdachte, blijkens zijn brief van 16 januari 2019, de nodige stukken ter voorbereiding aan Van Driel had verstrekt en dat er kennelijk ook een vooroverleg had plaatsgevonden. Daarom zou er sprake zijn een situatie die min of meer vergelijkbaar is aan de situatie in de zaak die leidde tot het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1084, en zou Van Driel niet langer meer als een onafhankelijke en onpartijdige deskundige kunnen worden aangemerkt.
8. Het voornoemde arrest van 13 maart 2019 houdt onder meer in:
“Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de raadsman per brief d.d. 1 maart 2019 zijn voornemen kenbaar gemaakt het hof te verzoeken het onderzoek ter terechtzitting te heropenen. De raadsman heeft zijn verzoek per brief d.d. 4 maart 2019 ingediend. Het verzoek houdt -kort samengevat- in dat het hof het onderzoek zal heropenen en deskundige Van Driel ter zitting zal horen. Het hof heeft de raadsman op 1 maart 2019 bericht dat bij arrest op zijn verzoek zal worden beslist.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ter terechtzitting is gebleken dat de heer Van Driel – ter zitting opgeroepen als getuige-deskundige – voorafgaand aan de zitting de beschikking heeft gehad over het volledige strafdossier. Het strafdossier is aan Van Driel toegezonden door de raadsman van de verdachte, buiten medeweten van en/of overleg met het gerechtshof en de advocaat-generaal. Dit heeft tot gevolg dat het hof Van Driel niet meer kan aanmerken als onafhankelijke en onpartijdige getuige-deskundige, nu hij kennis heeft kunnen nemen van alle zich in het dossier bevindende verklaringen en bevindingen. Dat Van Driel is ingeschreven in het NRGD maakt dit oordeel niet anders. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep om die reden afgezien van het verhoor van de getuige-deskundige.
In zijn verzoek tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting voert de raadsman aan dat het zijn indruk is dat het hof de positie van de deskundige verwart met die van een getuige. Het hof is van oordeel dat het standpunt van de raadsman feitelijke grondslag mist; de heer Van Driel is ter terechtzitting opgeroepen als getuige-deskundige. Voorts is het hof van oordeel dat, nu Van Driel kennis heeft genomen van het gehele strafdossier, hij niet meer als onafhankelijke en onpartijdige getuige-deskundige gehoord kan worden en dat zijn inschrijving in het NRGD zijn kennis van het dossier niet wegneemt. Daar komt bij dat de raadsman, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, voorafgaand aan de terechtzitting contact heeft gehad met de getuige-deskundige teneinde zich er van te vergewissen of de deskundige de visie van de raadsman dat het in de onderhavige zaak om “speelgoedwapens” handelt welke op grond van de EG-richtlijnen zouden zijn toegestaan, deelt. Het hof ziet in de inhoud van het verzoek van de raadsman ook overigens geen aanleiding het onderzoek ter terechtzitting te heropenen. Derhalve wijst het hof het verzoek van de raadsman tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting af.”
9. Ingevolge art. 287 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan van het horen van ter terechtzitting verschenen getuigen slechts worden afgezien (i) met toestemming van de officier van justitie en de verdediging, of (ii) indien die procespartijen niet instemmen met het afzien van het horen, op de gronden die zijn genoemd in art. 288 lid 1 onder Pro b en c Sv, te weten dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige of deskundige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige of deskundige ter terechtzitting te kunnen ondervragen, dan wel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad. [1] Ingevolge art. 299 Sv Pro zijn de art. 287-288 van ook van toepassing ten aanzien van deskundigen en hun verklaringen. Ingevolge art. 415 Sv Pro zijn de art. 287-288 en 299 Sv van overeenkomstige toepassing op het rechtsgeding voor het gerechtshof.
10. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 september 2019 houdt in dat het hof bij aanvang van de zitting heeft vastgesteld dat Van Driel als deskundige is verschenen. De situatie zoals bedoeld in art. 287 lid 2 Sv Pro is daarom van toepassing. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat met toestemming van de verdachte is afgezien van het horen van Van Driel. Ook heeft het hof bij zijn beslissing om af te zien van het horen van Van Driel niet expliciet aandacht besteed aan de in art. 288 lid 1 onder Pro b en c Sv genoemde gronden. In de overwegingen van het hof, dat het gelet op het beginsel van ‘equality of arms’ van belang acht dat – naast [verbalisant 1] – een nieuwe deskundige zal worden benoemd door de raadsheer-commissaris, ligt echter besloten dat het hof van oordeel is dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van het horen van Van Driel niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het hof heeft verder gemotiveerd waarom het aanleiding zag om af te zien van het horen van Van Driel als deskundige. Zoals eerder gememoreerd, heeft het hof daartoe overwogen dat de beslissing is gegrond op het standpunt van de advocaat-generaal bij het hof en de correspondentie in het dossier. Uit de door het hof aangehaalde correspondentie blijkt dat de toenmalige raadsman van de verdachte teneinde verder tijdsverlies te voorkomen “het nodige ten behoeve van de voorbereiding” aan Van Driel heeft verzonden. De advocaat-generaal heeft daarnaast aangevoerd dat er kennelijk een vooroverleg zou hebben plaatsgevonden. Hiervoor heb ik overigens geen indicatie aangetroffen. [2] Het hof heeft kennelijk zelfs de schijn van partijdigheid van de deskundige willen vermijden die zou kunnen ontstaan doordat de verdediging stukken naar Van Driel had verzonden en daarom besloten dat, in overleg met de advocaat-generaal en de verdediging, een nieuwe deskundige diende te worden benoemd. Die beslissing is niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat, zoals door de steller van het middel is aangevoerd, Van Driel de enige deskundige in Nederland is die op dit gebied is ingeschreven in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (hierna: NRGD), doet daar niet aan af nu de steller van het middel daarmee miskent dat ook een niet in dit register opgenomen deskundige door de rechter als deskundige kan worden aangemerkt. [3] Dit laatste is in het onderhavige geval uiteindelijk ook gebeurd. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2021 blijkt dat op die terechtzitting - in plaats van de deskundige Van Driel – twee nieuwe deskundigen zijn gehoord, te weten H.J.B. Sackers en ing. E.M. Kok, waarbij de verdediging hun deskundigheid overigens ook niet heeft betwist.
11. Gelet op al het voorgaande acht ik de beslissing van het hof ter terechtzitting van 3 september 2019 om af te zien van het horen van de opgeroepen en verschenen deskundige Van Driel niet onbegrijpelijk.
12. Het middel faalt.

Het tweede middel

13. Het middel klaagt – mede gelet op de toelichting – in het verlengde van het eerste middel over de (motivering van de) beslissing om twee niet in het NRGD ingeschreven kundige personen op het gebied van wapens en strafrecht als deskundigen te benoemen, nu een en ander een miskenning zou vormen van het belang dat een persoon waarvan rechtens vaststaat dat deze ter zake deskundig is, omtrent de rechtsvraag kan verklaren en daarmee onbegrijpelijk zou zijn.
14. In de onderhavige zaak zijn de deskundigen Sackers en Kok benoemd door de raadsheer-commissaris. Het middel klaagt daarmee over een beslissing van de raadsheer-commissaris en niet over een beslissing van de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Het is daarmee geen middel van cassatie als in de wet bedoeld en dient daarom onbesproken te blijven. [4]

Het derde middel

15. Het middel klaagt over de bewezenverklaring en valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat het heeft gemeend op basis van fotomateriaal tot een bewezenverklaring te kunnen komen, terwijl de ter terechtzitting gehoorde deskundigen hebben aangegeven dat zij niet op basis van een foto een absoluut oordeel kunnen geven. De bewezenverklaring zou daarom onvoldoende met redenen zijn omkleed. De tweede deelklacht richt zich tegen de overwegingen van het hof dat de ter terechtzitting gehoorde deskundigen de categorisering van de wapens/munitie door buitengewoon opsporingsambtenaar van politie [verbalisant 1] begrijpelijk en/of in beginsel juist achten en dat NRGD-deskundigen het grotendeels eens zijn met [verbalisant 1] , terwijl uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt dat zeer veelvuldig sprake is van “verschillen van mening tussen betrokkenen en daarnaast van verschillende inzichten omtrent de categorisering en hoe een en ander geduid moet worden”. De redenering van het hof is daarom onbegrijpelijk en kan niet leiden tot een bewezenverklaring, aldus de steller van het middel.
16. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“1. hij op 26 februari 2014 te 's-Hertogenbosch wapens van categorie II onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten oefenantipersoneelsmijnen en een oefengeweergranaat (met rooklading) en meerdere (verschillende soorten) handgranaten, alsmede van wezenlijke aard zijnde onderdelen (te weten ontstekers), zijnde voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;
2. hij op 26 februari 2014 te 's-Hertogenbosch wapens van categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten (verschillende soorten) handgranaten en oefenscherfhandgranaten en een oefenantitankmijn en een oefenantitankgeweergranaat en (verschillende soorten) oefengeweergranaten, zijnde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en/of afmeting een sprekende gelijkenis vertoonden met voor ontploffing bestemde voorwerpen, voorhanden heeft gehad;
3. hij op 26 februari 2014 te 's-Hertogenbosch munitie van categorie II en III van de Wet wapens en munitie, te weten een oefengeweergranaat en bijbehorende slagpin en/of een oefen break up granaat, voorhanden heeft gehad.”
17. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 februari 2014 (pg. 32-34 politiedossier), voor zover inhoudende als het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :
(pg. 32)
Op 26 februari 2014 hebben wij een onderzoek ingesteld in de woning van [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1953, op het adres [c-straat 1] te [plaats] .
Wij zagen dat verdachte ons een plunjebaal overhandigde. Wij openden de plunjebaal en wij zagen dat er 35 explosieven/handgranaten/mortieren/springstof/antipersoneelsmijnen in de plunjebaal zaten.
2. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 27 februari 2014 (pg. 56 en 57 politiedossier), voor zover inhoudende als het relaas van verbalisant [verbalisant 6] :
(pg. 56)
Op 26 februari 2014 werd de woning aan de [c-straat 1] te [plaats] doorzocht.
(pg-57)
Gezien de grote hoeveelheid aan wapens en munitie werden alle, wapens en munitie inbeslaggenomen. Door de EOD Koninklijke landmacht werden een antitankwapen, mortieren en granaten ter vernietiging meegenomen.
3. Een geschrift, te weten een identificatie rapport EODD, versie 11-2013 (pg. 63-79 politiedossier), voor zover inhoudende:
(pg. 66)
Op 26 februari 2014 werden mij, Aoo V0003274, de navolgende munitie-artikelen ter controle en identificatie aangeboden. Deze artikelen zijn door mij gecontroleerd en geïdentificeerd:
(pg. 67)
Bijlage A Munitie-artikelen die geen explosieve stof bevatten
1 oefenantitankbrisantgeweergranaat nr. 5
1 antitankbrisantgeweergranaat M9A1
1 scherfhandgranaat no 5. met ontsteker
(pg. 68)
1 scherfhandgranaat MK2 met ontsteker
1 aanvalshandgranaat No 69 met ontsteker
1 scherfhandgranaat MK2 zonder ontsteker, aangepast
1 scherfhandgranaat F1 zonder ontsteker
(pg. 69)
1 scherfhandgranaat M50, replica
2 oefenscherfhandgranaten, replica van M69 met ontsteker M228
1 scherfhandgranaat MK2 zonder ontsteker
1 aanvalshandgranaat 39
(pg. 70)
1 scherfhandgranaat MK2 met geweergranaatadapter M1A2
1 oefengeweergranaat Super Emerge (
het hof begrijpt: ‘Super Energa’)
1 stunhandgranaat
1 oefengeweergranaat Bullet Thru 40 mm AP-X FN-240
(pg. 71)
1 steelhandgranaat 58, replica
1 oefengeweergranaat FN-LAC M1
1 slagpin voor oefengeweergranaat FN-LAC M1
1 steelhandgranaat 24
(pg. 72)
1 handgranaatontsteker
1 handgranaatontsteker M6 serie
(pg. 73)
1 handgranaatontsteker
(pg. 75)
1 oefenantitankmijn M6
1 40 mm break-up granaat
(pg. 76)
Bijlage B munitie-artikelen, waarvan zonder demontage niet met zekerheid is vast te stellen of zij mogelijk enigerlei explosieve stof bevatten
4 oefenantipersoneelsmijnen nr. 24 C1
1 oefengeweergranaat met rooklading MLE 1956
(pg. 77)
1 rookhandgranaat zonder ontsteker
1 lichtgeweergranaat M21 A1
3 ontstekers nr. 41 t.b.v. oefenantipersoneelsmijn nr. 24 C1.
4. Het proces-verbaal CBRN-Explosieven d.d. 13 maart 2015 (pg. 86-91 politiedossier), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
(p. 86)
Datum onderzoek 26 februari 2014
Onderzoek [c-straat 1] te [plaats]
(pg. 87)
Op 26 februari 2014 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden pand voornoemd. Hierbij zijn diverse munitieartikelen aangetroffen. Mij is verzocht deze munitieartikelen te omschrijven.
Op voornoemde locatie is door aanwezig EODD personeel een aantal munitieartikelen geclassificeerd en geïdentificeerd in:
Bijlage B
Hierbij is bepaald door personeel van de EODD dat de navolgende munitieartikelen waarvan zonder demontage niet met zekerheid is vast te stellen of ze enigerlei explosieve stof bevatten.
Het betreft de volgende munitieartikelen
- 4 stuks oefenantipersoneelmijnen nr. 24 C1
- 1 stuk oefengeweergranaat met rooklading MLE 1956
- 1 stuk rookhandgranaat zonder ontsteker
- 1 stuk lichtgeweergranaat M21 A1
- 3 stuks ontstekers nr. 41 t.b.v. oefenantipersoneelsmijn nr. 24 C1
Categorisering conform de wet wapens en munitie:
De bovengenoemde voorwerpen (oefenantipersoneelsmijnen, oefengeweergranaat, rookhandgranaat) en c.q. van wezenlijke aard zijnde onderdelen (ontstekers oefenantipersoneelsmijn) zijn bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing. Dit betreft geen explosieven voor civiel gebruik. Met betrekking tot deze explosieven is geen erkenning verleend overeenkomstig de Wet explosieven voor civiel gebruik.
Derhalve zijn deze voorwerpen een wapen c.q. onderdelen van een wapen en van wezenlijke aard in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie II onder 7° van de Wet wapens en munitie.
(pg. 88)
Tevens is op voornoemde locatie door aanwezig EODD personeel een aantal munitieartikelen geclassificeerd en geïdentificeerd in:
Bijlage A:
hierbij, is bepaald door personeel van de EODD dat de navolgende munitieartikelen geen explosieve stof bevatten. Het betreft de volgende munitieartikelen:
- 1 stuk oefenantitankgeweergranaat nr. 5
- 1 stuk scherfhandgranaat M50 (replica)
- 2 stuks oefenscherfhandgraat M69 (replica)
- 1 stuk oefengeweergranaat Super Energa
- 1 stuk oefengeweer granaat Bullet Thru AP-X FN240
- 1 stuk steelhandgranaat 58 (replica)
- 1 stuk oefenantitankmijn M6
Categorisering conform de Wet wapens en munitie
Gezien het technische feit dat de originele munitieartikelen NIET af-fabriek lading hebben gehad en derhalve niet bestemd zijn voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, en dat alle replica munitieartikelen, zijnde nabootsing van wapens, welke voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met bestaande munitieartikelen, zijn de voorwerpen een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3, onder a, Regeling wapens en munitie.
(pg.89)
Tevens is op voornoemde locatie door aanwezig EODD personeel een aantal munitieartikelen geclassificeerd en geïdentificeerd in:
Bijlage A:
hierbij is bepaald door personeel van de EODD dat de navolgende munitieartikelen geen explosieve stof bevatten. Het betreft de volgende munitieartikelen:
- 1 stuk antitankbrisantgeweergranaat M9A1
- 1 stuk scherfhandgranaat no. 5
- 1 stuk scherfhandgranaat MK2
- 1 stuk aanvalshandgranaat no. 69
- 1 stuk scherfhandgranaat MK2
- 1 stuk scherfhandgranaat F1
- 1 stuk scherfhandgranaat MK2
- 1 stuk aanvalshandgranaat 39
- 1 stuk scherfhandgranaat MK2 met adapter
- 1 stuk stun handgranaat
- 1 stuk steelhandgranaat 24
- 1 stuk handgranaatontsteker onbekend
- 1 stuk handgranaatontsteker M6 serie
- 1 stuk handgranaatontsteker onbekend
Categorisering conform de Wet wapens en munitie
Alle bovengenoemde voorwerpen c.q. van wezenlijke aard zijnde onderdelen (handgranaatontstekers) zijn bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing. Dit betreft geen explosieven voor civiel gebruik. Met betrekking tot deze explosieven is geen erkenning verleend overeenkomstig de Wet explosieven voor civiel gebruik. Derhalve zijn deze voorwerpen een wapen c.q. onderdelen van een wapen en van wezenlijke aard in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie II onder 7° van de Wet wapens en munitie.
(pg. 90) tevens is op voornoemde locatie door aanwezig EODD personeel een aantal munitieartikelen geclassificeerd en geïdentificeerd.
Bijlage A:
Hierbij is bepaald door personeel van de EODD dat de navolgende munitieartikelen geen explosieve stof bevatten. Het betreft de volgende munitieartikelen:
- 1 stuk oefengeweergranaat FN-LAC M1, en bijbehorend 1 stuk slagpin voor oefengeweergranaat
- 1 stuk 40mm oefen break-up granaat.
Categorisering conform de Wet wapens en munitie
Voor wat betreft de oefengeweergranaat FN-LAC M1 en de bijbehorende slagpin voor deze oefengeweergranaat is het technisch aspect dat deze samengevoegd dienen te zijn voor een juiste werking en mogelijkheid van afvuren van deze granaat.
De oefengranaat (het hof begrijpt: de oefengeweergranaat) is bestemd om te worden verschoten vanuit een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2, eerste lid, categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie. Derhalve is deze oefengeweergranaat munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4° gelet op artikel 2, tweede lid, categorie III van de Wet wapens en munitie.
De 40mm oefen break-up granaat is munitie c.q. een onderdeel van munitie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder 4° gelet op artikel 2, tweede lid, categorie II van de Wet wapens en munitie. (munitie die uitsluitend geschikt is voor vuurwapens van categorie II)
5. Het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg d.d. 23 februari 2018 (pg. 1-6), voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte:
(pg. 2)
Op 26 februari 2014 had ik alle in de tenlastelegging genoemde wapens en munitie in mijn woning te [plaats] voorhanden. Ik heb nooit een ontheffing gekregen. Ik had een verlof voor een wapen- en voor een munitieverzameling vanaf eind zeventiger jaren. Ik moest steeds verlenging vragen.
6. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 27 februari 2014 (pg. 20-22 politiedossier), voor zover inhoudende een weergave van het verhoor van de verdachte:
(pg. 21)
V: (...) bent u op de hoogte van de Wet wapens en munitie?
A: ik ben daar redelijk van op de hoogte.
V: bent u lid van de Nederlandse vereniging tot bestudering van munitie en ballistiek?
A: daar was ik lid van. (...) Ik denk tot begin vorig jaar.
(pg. 22)
V: weet u wat categorie I onder 7 wapens zijn volgens de Wet wapens en munitie?
A; ja.
V: heeft u een ontheffing ingevolge het tweede lid van artikel 13 van Pro de Wet wapens en munitie? A: nee.
7. Het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg d.d. 23 februari 2018 (pg. 1-6), voor zover inhoudende de verklaring van de deskundige [verbalisant 1] :
(pg. 3)
De EODD spreekt ten aanzien van alle voorwerpen over munitie. Diezelfde voorwerpen kunnen in juridische zin op grond van de Wet wapens en munitie wapens zijn. Zo zijn granaten op de grond van Wet wapens en munitie wapens, want ze zijn bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of ontploffing. Ze vallen onder artikel 2, eerste lid, categorie II onder 7° van de Wet wapens en munitie.
Van een aantal onderzochte wapens staat vast dat ze geen explosieven bevatten, maar dat is voor de categorisering van wapens volgens de Wet wapens en munitie niet van belang. De bestemming van een granaat zonder lading blijft ongewijzigd en dus is een dergelijke granaat een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie II wapen waarvoor ontheffing moet worden aangevraagd.
Replica's zijn niet af-fabriek bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van vuur of ontploffing. Ze vallen niet onder artikel 2, eerste lid, categorie II onder 7° van de Wet wapens en munitie maar onder artikel 2, eerste lid, categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie. Deze wapens vallen onder artikel 3.2.3. van de Circulaire wapens en munitie.
Ik onderschrijf nog steeds ten volle de door mij gegeven categorisering van de wapens.
8. Het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg d.d. 23 februari 2018 (pg. 1-6), voor zover inhoudende de verklaring van de deskundige ing. J. van Driel:
(pg. 4)
Een handgranaat, met of zonder lading, is een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie II onder 7° van de Wet wapens en munitie. Een replica valt onder artikel 2, eerste lid, categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie.
9. Het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg d.d. 6 juni 2017 (pg. 1-6), voor zover inhoudende de verklaring van de deskundige A.E. Hartink:
(pg. 4)
Pagina 68. De voorwerpen afgebeeld op
- foto 1 [
het hof begrijpt: 1 scherfhandgranaat MK2 met ontsteker],
- foto 3 [
het hof begrijpt: 1 scherfhandgranaat MK2 zonder ontsteker, aangepast] en
foto 4 [
het hof begrijpt: 1 scherfhandgranaat F1 zonder ontsteker]
zijn wapens in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie II onder 7° van de Wet wapens en munitie.
Pagina 69. De voorwerpen afgebeeld op
- foto 3 [
het hof begrijpt: 1 scherfhandgranaat MK2 zonder ontsteker] en
- foto 4 [
het hof begrijpt: 1 aanvalshandgranaat 39]
zijn wapens in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie II onder 7° van de Wet wapens en munitie.
Pagina 70. De voorwerpen afgebeeld op
- foto 1 [
het hof begrijpt: 1 scherfhandgranaat MK2 met geweergranaatadapter M1A2] en
- foto 3 [
het hof begrijpt: 1 stunhandgranaat]
zijn wapens in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie II onder 7° van de Wet wapens en munitie.
Pagina 71. Het voorwerp afgebeeld op
- foto 4 [
het hof begrijpt: 1 steelhandgranaat 24]
is een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie II onder 7° van de Wet wapens en munitie.
Pagina 77. De voorwerpen afgebeeld op
- foto 1 [
het hof begrijpt: 1 rookhandgranaat zonder ontsteker] en
- foto 2 [
het hof begrijpt: 1 lichtgeweergranaat M21 A1]
zijn wapens in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie II onder 7° van de Wet wapens en munitie.
10. De verklaring van de deskundige prof. mr. H.J.B. Sackers, afgelegd ter terechtzitting d.d. 9 februari 2021 van de achtste meervoudige strafkamer van dit hof, voor zover inhoudende:
De voorzitter houdt mij voor dat de deskundige [verbalisant 1] heeft verklaard dat de wapens waarvan hij heeft vastgesteld dat deze bestemd zijn voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, alleen de bestemming en niet de geschiktheid bepalend is. Dat kan ik bevestigen.
Ik acht het begrijpelijk hoe deskundige [verbalisant 1] de voorwerpen heeft gecategoriseerd in de zin van de Wet wapens en munitie in zijn proces-verbaal van 13 maart 2015, dossierpagina’s 86 t/m 91.
11. De verklaring van de deskundige E.M. Kok, afgelegd ter terechtzitting d.d. 9 februari 2021 van de achtste meervoudige strafkamer van dit hof, voor zover inhoudende:
De raadsvrouw vraagt aan mij of ontstekers van granaten kunnen worden aangemerkt als wezenlijke onderdelen. Ja.
Afhankelijk van de redenering kan er op een andere categorisering worden uitgekomen maar in beginsel klopt hetgeen deskundige [verbalisant 1] heeft gerelateerd in zijn proces-verbaal van 13 maart 2015, dossierpagina’s 86 t/m 91.”
18. Het hof heeft in zijn bestreden arrest verder het volgende overwogen:
“De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Op gronden nader verwoord in de pleitnota heeft de verdediging daartoe - kort weergegeven - het volgende aangevoerd.
a. De in de tenlastelegging genoemde wapens en munitie vallen onder de in het verleden verleende verloven omdat sprake is van voortgezette verloven.
b. Ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde wapens geldt dat deze geen sprekende gelijkenis vertonen. De voorwerpen waren leeg en dienen als dummy te worden aangemerkt.
c. De verdediging is ernstig in zijn belangen geschaad omdat het materiaal is vernietigd, een politieagent - die daarvoor niet is opgeleid - heeft gerapporteerd en omdat de verdediging de mogelijkheid had willen hebben om het materiaal door een NRGD-deskundige te laten beoordelen, aldus de verdediging.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Anders dan de verdediging kennelijk veronderstelt, leidt het achter a. vermelde verweer, indien succesvol, tot ontslag van alle rechtsvervolging. Het hof zal dit verweer onder het kopje “strafbaarheid van het feit” behandelen.
De achter b. en c. vermelde verweren lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Het hof zal allereerst een aantal overwegingen wijden aan het verloop van het onderzoek. De Explosieve Opruimings Dienst Defensie (EODD) heeft alle in de tenlastelegging genoemde wapens en munitie gecontroleerd en geïdentificeerd.
Omdat de wapens/munitie zijn vernietigd, zijn de deskundigen Hartink en Van Driel, beiden gehoord ter terechtzitting in eerste aanleg, niet in staat geweest om zelfstandig de voorwerpen te determineren. Aan de hand van alleen foto's is dat volgens hen niet goed mogelijk. Gelet op de specifieke deskundigheid van de EODD op het gebied van de aangetroffen wapens/munitie (voornamelijk explosieven) en de ruime ervaring met het identificeren van deze wapens ziet het hof met de rechtbank geen reden te twijfelen aan de identificatie door de EODD.
[verbalisant 1] is al jaren bij de landelijke eenheid van de politie werkzaam als expert CBRN-explosieven, dus met name goed bekend met de wapens zoals granaten en mijnen die bij verdachte zijn aangetroffen en waarop de tenlastelegging doelt. [verbalisant 1] heeft in zijn hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar van politie, werkzaam als expert CBRN-Explosieven bij de Landelijke Eenheid Centrex CBRN-explosieven/Nationaal Bom Data Centrum, aan de hand van de foto's van de wapens en de identificatie daarvan door de EODD, de wapens en munitie gecategoriseerd overeenkomstig de Wet wapens en munitie en zijn bevindingen vastgelegd in een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft [verbalisant 1] verklaard dat hij bij zijn bevindingen blijft. De deskundigen Sackers en Kok hebben ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij de categorisering van de wapens/munitie door [verbalisant 1] begrijpelijk en/of in beginsel juist achten. Ook de deskundigen Hartink en Van Driel zijn het grotendeels eens met [verbalisant 1] .
Naar het oordeel van het hof is het onderzoek met voldoende waarborgen omkleed en zijn de onderzoeksresultaten betrouwbaar. Het hof volgt [verbalisant 1] voor wat betreft de categorisering van de wapens en de munitie dus ook ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde wapens. Dat deze voorwerpen leeg waren, maakt niet uit, nu bepalend is of het voorwerp zodanig op een wapen gelijkt, dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is.
Het hof verwerpt de verweren van de verdediging in al zijn onderdelen.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.”
19. Voor de beoordeling van de eerste deelklacht is het van belang om allereerst onderscheid te maken tussen de identificatie van de aangetroffen zaken door de EODD (bewijsmiddel 3) en de categorisering door [verbalisant 1] (bewijsmiddel 4 en 7). Het hof heeft overwogen dat de deskundigen Hartink en Van Driel, die in eerste aanleg zijn gehoord, niet in staat zijn geweest om de zaken zelfstandig te determineren omdat deze voorwerpen zijn vernietigd, maar dat het, gezien de specifieke deskundigheid van de EODD op het gebied van de aangetroffen wapens/munitie (voornamelijk explosieven) en de ruime ervaring met het identificeren van deze wapens geen reden ziet om te twijfelen aan deze identificatie door de EODD. Die overweging acht ik niet onbegrijpelijk, temeer daar de verdediging niet gemotiveerd heeft aangevoerd dat en waarom er zou moeten worden getwijfeld aan de deskundigheid van en identificatie door de EODD. De enkele omstandigheid dat de medewerker van de EODD die het identificatie rapport heeft opgesteld in dat rapport slechts met een nummer is aangeduid, zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, maakt dat niet anders.
20. Het hof heeft verder vastgesteld dat nadat de aangetroffen zaken door de EODD waren geïdentificeerd, verbalisant [verbalisant 1] in zijn hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar van politie, werkzaam als expert CBRN-Explosieven bij de Landelijke Eenheid Centrex CBRN-explosieven/Nationaal Bom Data Centrum, aan de hand van de foto's van de wapens en de identificatie daarvan door de EODD, de wapens en munitie heeft gecategoriseerd overeenkomstig de Wet wapens en munitie en zijn bevindingen heeft vastgelegd in een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal.
21. De eerste deelklacht berust op de opvatting dat het hof heeft gemeend op basis van uitsluitend fotomateriaal tot een bewezenverklaring te kunnen gekomen. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn bewezenverklaring immers mede gebaseerd op de rapportage betreffende de identificatie van de aangetroffen goederen door het EODD.
22. Bij de beoordeling van de tweede deelklacht moet voorop worden gesteld dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt, is voorbehouden om voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. De motiveringsplicht van de tweede volzin van art. 359 lid 2 Sv Pro doet niet af aan het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [5]
23. Tijdens de verhoren van de verschillende deskundigen op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep is vooral de categorisering van de zaken aan de orde geweest. Ook de inhoud van de in hoger beroep voorgedragen pleitnota richtte zich vooral op dat onderwerp. In de toelichting op de tweede deelklacht wordt een groot aantal punten besproken waaruit zou blijken dat de in eerste aanleg en hoger beroep ter terechtzitting gehoorde deskundigen Hartink, Van Driel, Sackers en Kok veelvuldig met [verbalisant 1] van mening verschilden wat betreft de categorisering van de aangetroffen voorwerpen.
24. Het hof heeft overwogen dat de deskundigen Sackers en Kok ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard dat zij de categorisering van de wapens/munitie door [verbalisant 1] begrijpelijk en/of in beginsel juist achten en dat de deskundigen Hartink en Van Driel het grotendeels eens zijn met [verbalisant 1] . Gelet op de inhoud van de door het hof als bewijsmiddel gebruikte verklaringen van Sackers, Kok, Hartink en Van Driel (respectievelijk de bewijsmiddelen 10, 11, 9 en 8) – waaruit blijkt dat Sackers heeft verklaard dat hij het begrijpelijk acht hoe [verbalisant 1] de voorwerpen heeft gecategoriseerd, dat Kok heeft verklaard dat er afhankelijk van de redenering op een andere categorisering kan worden uitgekomen, maar dat wat [verbalisant 1] heeft gerelateerd in beginsel klopt, dat Hartink voor een groot aantal van de bewezenverklaarde zaken tot eenzelfde categorisering als [verbalisant 1] komt en dat Van Driel heeft verklaard dat een handgranaat, met of zonder lading, een wapen in in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie II onder 7° van de Wet wapens en munitie en dat een replica valt onder artikel 2, eerste lid, categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie – is die overweging niet onbegrijpelijk. Dat het hof daarbij niet is ingegaan op alle individuele punten waarop de deskundigen, in het bijzonder Hartink en Van Driel, van mening verschilden met [verbalisant 1] betekent niet dat de overweging van het hof daardoor lijdt aan een motiveringsgebrek. Ook de omstandigheid dat de in de bewezenverklaring genoemde zaken mogelijk, met een andere redenering, ook op een andere manier gecategoriseerd zouden kunnen worden, maakt de overweging van het hof niet onbegrijpelijk nu die omstandigheid niet met zich meebrengt dat de door het hof vastgestelde categorisering onjuist is en de bewezenverklaring van het hof steun vindt in het door het hof geselecteerde bewijsmiddelen, die door het hof betrouwbaar zijn geacht. Ook de tweede deelklacht van het middel faalt derhalve.
25. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het vierde middel

26. Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte geen beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde toekomt.
27. Het hof heeft dit oordeel in het bestreden arrest als volgt gemotiveerd:

Strafbaarheid van de verdachte
Uit de verklaring van de verdachte begrijpt het hof dat hij heeft gedwaald ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde omdat zijn verloven altijd verlengd werden, hij niet op de gewijzigde regelgeving was gewezen en tijdens eerdere controles geen problemen had ondervonden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Vooropgesteld moet worden dat voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde, vereist is dat aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Van een zodanige onbewustheid kan slechts sprake zijn, indien de verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was (vgl. HR 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:A01490).
Het hof wil van de verdachte aannemen dat de autoriteiten hem niet proactief hebben benaderd. Dat ontslaat de verdachte echter niet van de zelfstandige verplichting om te voldoen aan bestaande wet en regelgeving en zich daarover te (laten) informeren. Te meer nu het voorwerpen betreffen die door de wetgever in beginsel expliciet verboden zijn. De verdachte is daarin tekortgeschoten door na te laten zelf bij enige bevoegde instantie te informeren naar de toelaatbaarheid van de door hem verzamelde wapen- en munitiecollectie en af te gaan op het feit dat zijn verlof verlengd werd en er niet op is gewezen dat zijn handelen ongeoorloofd was en in strijd met de wet. Dat hij ook bij beweerdelijke controles niet op de ongeoorloofdheid van zijn gedragingen is gewezen, wat overigens niet is komen vast te staan, maakt dat niet anders. Nog afgezien dat onduidelijk is gebleven wat (het verloop van) de samenstelling van de wapen- en munitiecollectie van de verdachte destijds was en hij mogelijk voor het bewezenverklaarde andere wapens en/of munitie tot zijn beschikking had dan hetgeen thans ter beoordeling staat. Bovendien was de verdachte, gelet op voorschrift 1 van het verlof, er nadrukkelijk op gewezen dat hij de bepalingen bij of krachtens de Wet wapens en munitie (en de Wet milieubeheer) gesteld, stipt moest naleven. Ook is niet aannemelijk geworden dat de verdachte is afgegaan op de uitlating van een persoon aan wie zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van die uitlating mocht vertrouwen. Van een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedragingen is dan ook geen sprake.
Er zijn ook geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.”
28. Voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde, is vereist dat aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Van een zodanige onbewustheid kan slechts sprake zijn, indien de verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was. [6] Van een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen. Bij de beoordeling van een daartoe strekkend verweer kunnen verschillende aspecten van belang zijn, waaronder de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de adviseur, de specifieke deskundigheid van de adviseur, de complexiteit van de materie waarover advies wordt ingewonnen en de precieze inhoud van de adviezen. [7]
29. Het middel klaagt dat de overwegingen van het hof dat de verdachte een eigen verantwoordelijkheid had waar het de onjuistheid betrof van het jaarlijks te verlengen verlof door de korpschef, dat hij zelf had moeten realiseren dat hij voor de bewezenverklaarde zaken een ontheffing nodig had en dat hij zelf bij enige bevoegde instantie had moeten informeren naar de toelaatbaarheid van het steeds weer verstrekte verlof, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende deugdelijk onderbouwd zijn. Daartoe voert de steller van het middel aan dat de verdachte reeds zeer lang in het bezit is geweest van het verlof, dat zijn verzameling reeds een keer in beslag is genomen en op basis van datzelfde verlof in zijn geheel is teruggegeven, dat ieder jaar door de verdachte verlenging is aangevraagd en verkregen en dat het de wet te buiten gaat om van burgers te verlangen dat zij de bevoegde instanties informeren omtrent gewijzigde regelgeving en wetten.
30. De vraag waar het middel in de kern om draait, is of de verdachte als gevolg van het jaarlijks door de korpschef verlengen van het verlof voor een wapen- en munitiecollectie waarover de verdachte al sinds de jaren ’70 beschikte erop mocht vertrouwen dat de hem verweten gedragingen geoorloofd waren. Het hof heeft die vraag negatief beantwoord en daartoe overwogen dat de verdachte, ook aangenomen dat de autoriteiten hem niet actief benaderd hebben, een zelfstandige verplichting had om te voldoen aan de bestaande wet- en regelgeving en zich daarover te laten informeren. De verdachte zou daarin tekort zijn geschoten door na te laten zelf bij enige bevoegde instantie te informeren naar de toelaatbaarheid van de door hem verzamelde wapen- en munitiecollectie en slechts af te gaan op het feit dat zijn verlof steeds werd verlengd en dat hij er niet op is gewezen dat zijn handelen ongeoorloofd was. Dat de verdachte ook bij beweerdelijke controles niet op de ongeoorloofdheid van zijn gedragingen is gewezen, wat volgens het hof overigens niet is komen vast te staan, maakt dat niet anders nu onduidelijk is gebleven wat het verloop van de samenstelling van de wapen- en munitiecollectie van de verdachte was en of hij mogelijk voor het bewezenverklaarde andere wapens en/of munitie tot zijn beschikking had en de verdachte bovendien, gelet op voorschrift 1 van het verlof, er nadrukkelijk op was gewezen dat hij de bepalingen bij of krachtens de Wet wapens en munitie gesteld, stipt moest naleven. Voorts is volgens het hof niet aannemelijk geworden dat de verdachte is afgegaan op de uitlating van een persoon aan wie zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van die uitlating mocht vertrouwen.
31. Uit de overwegingen van het hof kan worden opgemaakt dat het van oordeel is dat het verlengen van het verlof van de verdachte door de korpschef niet kan worden aangemerkt als een advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft overwogen dat onduidelijk is of het aan de verdachte verleende, telkens verlengde, verlof betrekking had op de bewezenverklaarde wapens en munitie, alsmede dat een eventueel verzuim van de korpschef niet zonder meer is gelijk te stellen aan een hiervoor bedoeld advies. [8]
32. Gelet op het voorgaande faalt het vierde middel.

Het vijfde middel

33. Het middel bevat de klacht dat het arrest is gewezen door één of meer raadsheren die onjuist is of zijn beëdigd, zodat het arrest nietig dient te worden verklaard en de zaak naar het hof dient te worden teruggewezen.
34. Het middel faalt op de gronden als vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, over onvolkomenheden bij de beëdiging van raadsheren(-plaatsvervangers) in het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Het zesde middel

35. Het middel klaagt dat de situatie die is ontstaan door de onjuiste beëdiging van raadsheren leidt tot rechtsonzekerheid en dat behandeling dat de onderhavige zaak zonder dat reeds duidelijkheid is ontstaan omtrent de vordering tot cassatie in het belang der wet die door de procureur-generaal is aangekondigd, inbreuk zal worden gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de zaak moet worden aangehouden tot het oordeel van Uw Raad over de vordering tot cassatie in het belang der wet kenbaar is.
36. Ik merk allereerst op dat het middel zich niet richt tegen een handeling of beslissing van een rechter als bedoeld in art. 78 lid 1 Wet Pro RO. Daarom kan de klacht niet worden aangemerkt als een middel van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv Pro en dient het onbesproken te blijven.
37. In zoverre merk ik slechts ten overvloede het volgende op. Zoals blijkt uit mijn bespreking van het vijfde middel heeft Uw Raad inmiddels uitspraak gedaan op de vordering tot cassatie in het belang van de wet over onvolkomenheden bij de beëdiging van raadsheren(-plaatsvervangers) in het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Ook als Uw Raad in het aangevoerde toch een middel van cassatie zou lezen, is het tevergeefs voorgesteld.

Conclusie

38. Het tweede en zesde middel dienen onbesproken te blijven. Het eerste, derde, vierde en vijfde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
39. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
40. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:552.
2.Daarmee wijkt deze zaak af van de zaak die ten grondslag lag het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1084. In die zaak heeft het hof namelijk vastgesteld dat de raadsman van de verdachte voorafgaand aan de terechtzitting contact heeft gehad met de getuige-deskundige teneinde zich er van te vergewissen of de deskundige de visie van de raadsman dat het in de onderhavige zaak om “speelgoedwapens” handelt welke op grond van de EG-richtlijnen zouden zijn toegestaan, deelt.
3.Vgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8821,
4.Vgl. A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers,
5.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
6.HR 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1490,
7.HR 26 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0813.
8.Vgl. HR 23 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0052 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl),