Conclusie
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
- toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beinvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beinvloedende middelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelbetoogt dat het oordeel van de rechtbank dat uit het verweer van de burgemeester en de overige stukken voortvloeit dat ook zonder betrokkene te horen op grond van alle feiten en omstandigheden tot de crisismaatregel besloten had kunnen worden, zodat de crisismaatregel rechtmatig is, onjuist en onbegrijpelijk is aangezien de niet-naleving van de hoorplicht de rechtmatigheid van de crisismaatregel aantast. Ook mist het oordeel feitelijke en juridische grondslag doordat niet vastgesteld kon worden of sprake was van verzet of vrijwilligheid. Het
tweede onderdeelklaagt dat de rechtbank het verschil miskent tussen enerzijds het feit dat betrokkene niet kan of wil worden gehoord en anderzijds dat de burgemeester zich door een derde heeft laten informeren om vervolgens, met inachtneming van de verkregen informatie, alsnog tot de crisismaatregel te kunnen besluiten. Zowel de informatie van de rapporteurs als de informatie uit de medische verklaring voldoet volgens het onderdeel niet aan hetgeen daarover is geoordeeld in de uitspraak van de Hoge Raad van 20 november 2020 [1] . Volgens het onderdeel geeft de rechtbank met een verwijzing naar hetgeen de rapporteurs hebben waargenomen en de medische verklaring van de psychiater, blijk van een verkeerde maatstaf bij het oordeel dat de burgemeester, ook als betrokkene wel voldoende in de gelegenheid zou zijn gesteld om te worden gehoord, tot dezelfde beslissing was gekomen en dat er
daaromsprake is van een rechtmatig besluit.
De onderdelen lenen zich voor gezamenlijk bespreking.