In deze zaak stond centraal de toepassing van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) met betrekking tot een crisismaatregel genomen door de burgemeester. Betrokkene werd geconfronteerd met een crisismaatregel, waarna hij beroep instelde tegen deze maatregel en tevens een verzoek tot schadevergoeding indiende wegens schending van wettelijke verplichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de crisismaatregel deels gegrond wegens niet-naleving van de hoorplicht en de verplichting tot tijdige toevoeging van een advocaat, en kende een schadevergoeding toe. De gemeente en burgemeester stelden cassatieberoep in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad oordeelde dat de burgemeester niet te zware eisen mogen worden gesteld aan de hoorplicht, mits hij zich voldoende inspant om betrokkene te horen en kan motiveren waarom dit niet mogelijk was. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat niet-naleving van de verplichting tot rechtsbijstand binnen 24 uur geen invloed heeft op de rechtmatigheid van de crisismaatregel zelf, maar wel kan leiden tot schadevergoeding.
De Hoge Raad verklaarde de gemeente niet-ontvankelijk in het cassatieberoep over de schadevergoeding, vernietigde het oordeel van de rechtbank over de hoorplicht en verklaarde het beroep tegen de crisismaatregel ongegrond. Het incidentele beroep van betrokkene werd verworpen.