Conclusie
in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van:
1. [A] B.V.
2. [B] N.V.
3. [C] B.V.
4. [D] B.V.
5. [E] B.V.
6. [F] B.V.
7. Delta Rental Services B.V.
8. [G] B.V.
9. [H] C.V.
10. [I] B.V.,
eiser tot cassatie,
advocaten: mrs. M.W. Scheltema en J.W. de Jong
[bestuurder 1],
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. J. van der Beek
De gezamenlijke erfgenamen van [bestuurder 2],
verweerders in cassatie,
niet verschenen
1.Inleiding
2.Feiten
[concern]). [bestuurder 1] had daarover de centrale leiding. De kantoren waren in [plaats 1] en [plaats 2] . [concern] bankierde bij Fortis Bank Nederland N.V. (hierna:
Fortis Bank).
[bestuurder 1] , vanaf 26-10-1976 tot 16-06-2004
[bestuurder 2] , vanaf 01-09-1993 tot 29-06-2004
[bestuurder 1] , vanaf 05-01-1990 tot 16-06-2004
[bestuurder 1] , vanaf 01-10-1980 tot 16-06-2004
[betrokkene 1] , vanaf 1-09-2003 tot 16-06-2004
[bestuurder 1] , vanaf 09-09-1999 tot 02-09-2003
Sumitomo), waarmee tevens een financieringsovereenkomst van 1 januari 2002 was afgesloten. De overeenkomsten hadden betrekking op de eigendomsoverdracht aan Sumitomo van de door [H] C.V. van Komatsu Europe International N.V. (hierna:
Komatsu) afgenomen grondverzetmachines. Sumitomo nam daarbij de betalingsverplichtingen jegens Komatsu over van [B] N.V. Voorts stond Sumitomo op basis van die overeenkomsten kredieten toe aan [H] C.V., tot een maximum van € 8.000.000,-, tegen een vergoeding aan Sumitomo van 2% over de factuurprijs. Verder was voor Sumitomo een eigendomsvoorbehoud overeengekomen.
[betrokkene 2]) als financieel adviseur bij [concern] in functie getreden, met onder meer als opdracht het opstellen van een plan ter verbetering van de rentabiliteit van de onder [A] B.V. vallende vennootschappen. In een memo van 14 mei 2004 schrijft [betrokkene 2] het volgende:
Imagoschade. Vooral naar klanten en Komatsu.
[bestuurders]) gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam (hierna:
de rechtbank). De curator heeft gevorderd, kort samengevat:
het hof). Zij hebben, onder aanvoering van vijf grieven, gevorderd dat het vonnis wordt vernietigd en de vorderingen van de curator alsnog worden afgewezen.
In dat verband hebben zij onder meer aangevoerd dat de import van Komatsu-grondverzetmachines – wat winstgevendheid betreft – op zijn best een marginale activiteit was, dat ook de voorgaande importeur is gefailleerd en dat het marktaandeel van Komatsu inmiddels is teruggelopen tot een fractie van wat het aan het begin van deze eeuw was.”
b) Kan, voor zover dit niet besloten ligt in de beantwoording van de vorige vraag, iets worden gezegd over de mate waarin te voorzien was dat bedoelde oorzaak/oorzaken tot de faillissementen zouden leiden en over hetgeen door [bestuurders] gedaan had kunnen worden om de faillissementen te voorkomen?
c) Zijn er op grond van het ingestelde onderzoek nog andere opmerkingen die voor de door het hof te nemen beslissing van belang kunnen zijn?”
in control’ zijn van de onderneming, het niet op orde zijn van de administratieve organisatie en een beperkte (fysieke) betrokkenheid bij de (dagelijkse) bedrijfsvoering, in combinatie met een gebrek aan gestructureerd overleg met degenen die daarvoor op operationeel [niveau, toevoeging A-G] verantwoordelijk waren, waardoor geen (goed) zicht bestond op de ernst van de verslechterende situatie die tot ingrijpen noopte, niet, zoals [bestuurders] doen, vergoelijkend kan worden afgedaan als een ‘niet steeds optimale keuze’/’inschattingsfout’ van en/of ‘misrekening’ door het bestuur, in het onderhavige geval te minder, nu er ondertussen wel gewerkt werd aan een financiële/juridische reorganisatie/herschikking, waardoor, aldus de deskundige, op een kritisch moment de liquiditeit en solvabiliteit van de onderling verbonden vennootschappen van [concern] verslechterden.”
[bestuurders] hebben getracht de kritiek op de transacties te weerleggen, maar zijn daar niet in geslaagd. Uit wat zij hebben aangevoerd blijkt bijvoorbeeld niet dat en waarom deze onverplichte transacties, behalve goed voor henzelf/de niet gebonden vennootschappen, wel degelijk ook een probaat middel waren om – in samenspraak met de financiers – de naderende faillissementen af te wenden en de financiers te bewegen tot een bijdrage in de financiering van de reorganisatie van de ondernemingsactiviteiten. (…)”
in control’ zijn van de organisatie, waardoor tijdig en adequaat ingrijpen in een verslechterende situatie die daarom vroeg achterwege bleef, en, aan de andere kant, het juist in die penibele situatie doorvoeren van een complexe, althans via vele schakels lopende, financiële herschikking, waarvan het resultaat was dat tegoeden of voordelen terecht kwamen bij andere aan [bestuurders] gelieerde vennootschappen dan bij de (jegens de schuldeisers) onderling verbonden vennootschappen van [concern] , maakt het doen en laten van [bestuurders] als bestuurders ernstig verwijtbaar. (…) Het gaat er om dat, toen de situatie erom vroeg en het nog niet te laat was, [bestuurders] niets hebben gedaan om te voorkomen dat een voorzienbaar faillissement zich verwezenlijkte, terwijl zij ondertussen wel druk doende waren met een financiële reorganisatie die niet dienstig was aan een streven naar continuïteit. (…)
Voldoende aangetoond is dat deze kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van de faillissementen. Ook in hoger beroep is derhalve het kennelijk onbehoorlijk bestuur aangetoond en het oorzakelijk verband met de faillissementen aannemelijk geworden. De betwisting hiervan is onvoldoende gemotiveerd. Een consequentie hiervan is dat [bestuurders] er niet in zijn geslaagd om te ontzenuwen dat de faillissementen aan hun onbehoorlijk bestuur zijn te wijten. Dit betekent dat grief I faalt. Hetzelfde lot treffen de grief II tot en met IV, waarmee [bestuurders] tevergeefs de (mate van) verwijtbaarheid van de hiervoor bedoelde transacties en het verband met de faillissementen bestrijden. Die verwijtbaarheid is er en zo ook bedoeld verband, voor zover al niet ten aanzien van alle verweten gedragingen/transacties afzonderlijk, dan toch zeker indien deze in onderlinge samenhang worden bezien.”
Alle omstandigheden in aanmerking nemende - waaronder de op zichzelf genomen geringe beloning van [bestuurder 1] en [bestuurder 2] (gedurende enkele jaren), het ontbreken van concrete aanwijzingen dat zij zich daadwerkelijk persoonlijk op grove/ontoelaatbare wijze hebben verrijkt en de beperkte winstgevendheid van de activiteit - bestaat aanleiding om de aansprakelijkheid te beperken tot 10% van het boedeldeficit.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 2.1);
onder 2.2);
onder 2.3); en
onder 2.4 en 2.5).
Voorts kan de rechter rekening houden met de wijze waarop het faillissement is afgewikkeld. (…)”
limitatief karakterhebben. [13] Uw Raad volgde (en verwees naar) de conclusie van A-G Assinkin die zaak. In die conclusie wordt aan de hand van onder meer de wetsgeschiedenis toegelicht waarom de matigingsgronden in lid 4 uitputtend zijn. [14] Dit limitatieve karakter betekent volgens A-G Assink echter niet dat die gronden ook restrictief moeten worden uitgelegd of ingevuld. [15] Ik sluit mij daarbij aan. Een bepaling die
fraudebestrijding nastreeft en daarom voor een bestuurder kan leiden tot een verdergaande betalingsverplichting (het gehele boedeltekort) dan waarvoor hij aansprakelijk kan worden gehouden o.g.v. art. 2:9 BW Pro of art. 6:162 BW Pro (schade), dient een correctiemogelijkheid te bevatten om te voorkomen dat de omvang van die betalingsverplichting disproportioneel uitvalt. [16] Mij lijkt een dergelijke bescherming tegen onredelijke consequenties vooral van belang als bestuurders aansprakelijk worden gehouden op grond van het vermoeden genoemd in lid 2 van art. 2:248 BW Pro. [17] Zoals blijkt uit de hiervoor weergegeven vaststellingen van het hof (in cassatie niet bestreden), is er in deze zaak duidelijk meer aan de hand dan het niet tijdig voldoen aan de boekhoudplicht of de publicatieplicht (zie rov. 13).
aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling’. Hekman heeft daarover opgemerkt: [18]
A. Het limitatieve karakter van de matigingsgronden van art. 2:248 BW Pro
alle omstandigheden” in aanmerking genomen, en een aantal omstandigheden met name genoemd (“
waaronder”). Het middel klaagt terecht dat het hof aldus het limitatieve karakter van de in art. 2:248 lid 4 BW Pro genoemde matigingsgronden heeft miskend. Nu niet blijkt uit rov. 15 welke tot “alle omstandigheden” behorende factoren eventueel in aanmerking zijn genomen – naast de drie met name genoemde omstandigheden – heeft het hof bovendien onvoldoende inzicht geboden in zijn gedachtegang en zijn oordeel daaromtrent niet toereikend gemotiveerd.
eerste omstandigheid(‘de op zichzelf genomen geringe beloning van de bestuurders’). Deze omstandigheid valt sowieso niet onder de gronden ‘
andere oorzaken van het faillissement’ en ‘
de wijze waarop het faillissement is afgewikkeld’. Maar hetzelfde dient mijns inziens te gelden voor de matigingsgrond ‘
de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling’. Ook van een bestuurder met een beloning die duidelijk achter blijft bij een marktconforme beloning, mag worden verwacht dat hij zijn taken behoorlijk vervult. Bovendien moet een naar verhouding gering vast salaris (waar het hier kennelijk over gaat) in zijn context worden gezien. Zo kan het totale beloningspakket van een bestuurder, afhankelijk van de omstandigheden, ook variabele componenten bevatten zoals bonussen. En een bestuurder die tevens (groot)aandeelhouder is, heeft hij in de periode vóór faillissement mogelijk – rechtstreeks of onrechtstreeks – dividenduitkeringen ontvangen.
derde omstandigheidwaarop het hof zijn matigingsoordeel baseert (‘de beperkte winstgevendheid van de activiteit’), is naar mijn mening te brengen onder de matigingsgrond ‘
andere oorzaken van het faillissement’. In het systeem van art. 2:248 BW Pro ligt besloten dat een (mogelijke) andere oorzaak van het faillissement, die niet aan het vaststellen van onbehoorlijke taakuitoefening in de weg staat, bij het matigingsoordeel toch in aanmerking kan worden genomen.
tweede omstandigheidwaarop het hof zijn matigingsoordeel baseert (‘concrete aanwijzingen ontbreken dat de bestuurders zich daadwerkelijk persoonlijk op grove/ontoelaatbare wijze hebben verrijkt’). In een geval als hier aan de orde – waarbij de onbehoorlijke taakvervulling er mede in bestaat dat de bestuurders andere aan hen gelieerde vennootschappen hebben bevoordeeld ten detrimente van de (schuldeisers van de) later gefailleerde vennootschappen (zie rov. 10, 12 en 13) – zou de omstandigheid dat er geen aanwijzingen zijn van ernstige persoonlijke verrijking mijns inziens onder de matigingsgrond ‘
aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling’kunnen worden meegewogen. Voor het geval het middel zo moet worden gelezen dat ook de tweede omstandigheid bij de klachten onder 2.1 worden betrokken, dan dient een dergelijke klacht om de zojuist genoemde reden te falen.
onder 2.4 en 2.5richten zich tegen een van de omstandigheden die het hof in rov. 15 aan zijn matigingsoordeel ten grondslag heeft gelegd, te weten dat concrete aanwijzingen ontbreken dat “
de bestuurders zich daadwerkelijk persoonlijk op grove/ontoelaatbare wijze hebben verrijkt”.
rechtstreekspersoonlijk op grove/ontoelaatbare wijze hebben verrijkt door op die wijze tegoeden of voordelen van de gefailleerde vennootschappen direct te doen overgaan naar hun privévermogens. Volgens het middel valt niet (zonder meer) in te zien dat het ontbreken van concrete aanwijzingen van een dergelijke
rechtstreekseverrijking van de bestuurders in privé voor de beoordeling van het beroep op matiging een relevant verschil zou maken ten opzichte van een indirecte verrijking door middel van het bevoordelen van aan hen gelieerde vennootschappen, waardoor zij in privé een vermogensvoordeel (verrijking) genieten.
indirecthebben verrijkt. Het onderdeel klaagt in de eerste plaats dat dit oordeel niet begrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd, omdat uit de gedingstukken niet anders kan worden afgeleid dan dat (wel degelijk) concrete aanwijzingen bestaan dat de bestuurders de uiteindelijk belanghebbenden zijn van/bij de andere aan hen gelieerde, bevoordeelde vennootschappen. Het middel citeert daarvan voorbeelden uit de gedingstukken. Het onderdeel acht niet begrijpelijk het oordeel dat concrete aanwijzingen ontbreken dat de bestuurders met de transacties in het kader van de reorganisatie hebben bewerkstelligd dat de aan hen gelieerde vennootschappen werden bevoordeeld en hun belang in/bij die vennootschappen in waarde toenam.
niet relevantis of bestuurders wel of niet zelf voordeel hebben genoten. [23] Ik wijs erop dat de door de curator aangehaalde passage uit de memorie van antwoord volgt op een passage waar een vergelijking wordt gemaakt met het Franse stelsel, waarin bestuurders in geval van faillissement
kunnen worden aangesprokenvoor het tekort in bepaalde gevallen van misbruik, ongeacht of hun gedragingen het faillissement hebben veroorzaakt. Daarover wordt door de regering in de memorie van antwoord onder meer opgemerkt: [24]
aansprakelijkheidvan de bestuurders te beperken tot gevallen waarin sprake is van (een oogmerk van) persoonlijk voordeel. Het gaat om de benadeling van de schuldeisers, zoals onderstaande passage uit de memorie van antwoord bevestigt: [25]
ontbrekenvan persoonlijk voordeel in geen geval van betekenis kan zijn voor de vraag of de rechter tot matiging kan overgaan? Ik meen van niet. Er kan immers een verband bestaan tussen het behalen van een persoonlijk voordeel en de tweede matigingsfactor genoemd in art. 2:248 lid 4 BW Pro: “
de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur”. Dat neemt niet weg dat indien de aan bestuurders te maken verwijten ernstig zijn, het ontbreken van concrete aanwijzingen van persoonlijke verrijking ten algemene geen reden zou moeten vormen om tot matiging over te gaan. Althans vergt het een omstandige motivering indien de rechter wel in die zin beslist, zeker als de toegepaste matiging aanzienlijk is. Een dergelijke motivering ontbreekt in rov. 15.
op grove/ontoelaatbare wijzeheeft plaatsgevonden betreft een kwalificatie die aan de feitenrechter is voorbehouden. Het hof heeft niet geoordeeld dat geen persoonlijke verrijking
heeft plaatsgevonden.