ECLI:NL:PHR:2022:1160

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2022
Publicatiedatum
12 december 2022
Zaaknummer
21/04109
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 6 EVRMArt. 288 lid 1 SvArt. 315 SvArt. 348 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek tot horen getuigen bij woninginbraak

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf wegens diefstal door braak bij een woninginbraak. In hoger beroep werd een voorwaardelijk verzoek ingediend om twee getuigen te horen die belastende verklaringen hadden afgelegd. Het hof wees dit verzoek af omdat de verklaringen niet werden betwist en het verzoek slechts diende om de getuigen te confronteren met de verdachte en zijn kleding, wat geen toegevoegde waarde had voor de bewijsvoering.

De verdediging stelde in cassatie dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat het verzoek irrelevant was en dat het hof onvoldoende had onderzocht of aan de eisen van artikel 6 EVRM Pro was voldaan. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat het verzoek niet diende tot het uitoefenen van het ondervragingsrecht over de belastende verklaringen, maar slechts tot nader onderzoek, waarvoor geen noodzaak bestond.

Daarnaast werd een middel ingediend over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie, maar de Hoge Raad achtte dat dit niet tot strafvermindering hoeft te leiden bij voortvarende behandeling. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot vier maanden gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04109

Zitting13 december 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 20 september 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader omschreven.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Voor de volledigheid merk ik op dat de termijn die aan de benadeelde partij is verleend om rechtsklachten over de beslissing betreffende haar vordering in te dienen thans nog niet geheel is verstreken. Uiteraard ben ik bereid aanvullend te concluderen als dat nodig mocht blijken.

Het eerste middel

4. Het middel richt zich tegen de beoordeling van het voorwaardelijke verzoek tot het horen van twee getuigen door het hof. Het valt in twee deelklachten uiteen. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, voor zover het heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat het verzoek onmiskenbaar irrelevant of overbodig is en dat het voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. De tweede deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft doen blijken van een onderzoek naar de vraag of is voldaan aan de eisen van art. 6 EVRM Pro nu de verdachte niet in staat is gesteld belastende getuigen te horen.
5. Voordat ik toekom aan de bespreking van beide deelklachten, geef ik eerst de inhoud van het voorwaardelijke verzoek van de raadsman in hoger beroep en de relevante overwegingen van het hof weer, alsmede het juridische kader voor de beoordeling van beide deelklachten.
Het voorwaardelijke verzoek van de raadsman en de overwegingen daaromtrent van het hof
6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2021 blijkt dat de raadsman van de verdachte een voorwaardelijk verzoek heeft gedaan om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen.
7. Het hof is tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde gekomen en heeft voornoemd verzoek van de raadsman als volgt samengevat en afgewezen:
“De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het enkele voldoen aan het door de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] opgegeven signalement onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. Het zou gaan om een niet heel zeldzame en daarmee te weinig onderscheidende jas, terwijl het om een omvangrijk ‘zoekgebied’ gaat. Ook voor het overige is het signalement te algemeen. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat de getuigen niet met de verdachte of zijn kleding zijn geconfronteerd en dat verder (forensisch) onderzoek niets heeft opgeleverd. De raadsman heeft bij pleidooi, mocht het hof niet tot vrijspraak komen, verzocht de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuige te horen. De raadsman heeft als onderbouwing hiervoor gegeven dat de getuigen dan met de kleding en/of de verdachte kunnen worden geconfronteerd.
Het hof overweegt hierover het volgende.
Op basis van het procesdossier stelt het hof de volgende feiten vast. Op 11 mei 2020 vond een inbraak plaats in een woning aan de [a-straat 1] in [plaats] . De getuige [betrokkene 1] , die verdachte geluiden hoorde, ging om 14.33 uur poolshoogte nemen en zag dat de deur van appartement [001] was ingetrapt. Zij heeft daarop de politie gebeld. Ze zag twee mannen uit het gat van de deur komen. Toen de mannen wegfietsten, is zij achter hen aangerend, daarbij omstanders om hulp roepend. Zij zag dat op de [b-straat] een man, naar later bleek de getuige [betrokkene 2] , reageerde en ook de achtervolging inzette. Als signalement van een van de mannen heeft zij opgegeven: Zuid Europese afkomst, leeftijd eind 40, lichtblauwe jas met een witte horizontale streep ter hoogte van zijn schouderbladen, de rest van de kleding donker en een mollig postuur.
De getuige [betrokkene 2] verklaart dat hij een vrouw zag rennen en dat zij schreeuwde: “bel de politie!”. Voor de vrouw zag hij twee mannen op ieder een fiets. Als signalement van een van de mannen geeft hij op een donker getinte man met zwart haar, blauwe spijkerbroek, blauwe jas met witte streep overdwars, rond de 40 jaar. Hij had een rode rugzak aan het stuur. Hij is achter deze man aan gaan fietsen. De getuige is achter de man over de [brug] gereden en vervolgens via de [c-straat] naar de [d-straat] gegaan. Ter hoogte van de kerk aan de [d-straat] is de getuige de man even uit het oog verloren. Toen de getuige de man even later weer zag, had hij niets meer bij zich. Nabij de plaats waar de getuige [betrokkene 2] de man even uit het oog verloor is korte tijd later door de politie de rode rugzak met spullen afkomstig uit de woning aan de [a-straat] aangetroffen.
Uit het proces-verbaal van de aanhouding volgt dat de verbalisanten op 11 mei 2020 omstreeks 14.40 uur gekoppeld waren aan de melding van de inbraak op de [a-straat] . Via de meldkamer kregen zij door dat een getuige één van de mannen voor het laatst had gezien ter hoogte van de [brug] . Toen de verbalisanten op de [brug] stonden zagen zij op een afstand van ongeveer 70 meter een man op een fiets rijden op de [e-straat] . Zij zagen dat de man een blauwe jas aanhad met op de rug een horizontale witte streep. Bij het naderen van de man zagen zij dat hij diverse keren omkeek naar de verbalisanten. Deze man, de verdachte, is door de politie om 14.50 uur op de Van [f-straat] in [plaats] aangehouden. Het in een proces-verbaal van bevindingen vastgelegde signalement van de verdachte luidt: licht getinte man, ongeveer 35 a 40 jaar oud, blauwe jas met capuchon voorzien van een horizontale witte streep ter hoogte van de schouders en donkerkleurige vlakken aan de zijkanten van de jas, een donkerkleurige spijkerbroek en donkerkleurige schoenen. In het dossier bevindt zich ook een foto van de verdachte met de blauwe jas met witte streep aan.
Het hof stelt voorts vast dat de volgens de getuige [betrokkene 2] afgelegde route, tot de plaats waar de verdachte is aangehouden, volgens algemeen beschikbare routeplanners, op de fiets gemakkelijk valt af te leggen tussen het tijdstip van de melding en de aanhouding.
Gelet op deze feiten en omstandigheden kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat de verdachte degene is geweest die de inbraak heeft gepleegd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de jas van de verdachte zeer specifiek en onderscheidend is en geheel past in de beschrijving daarvan in het door de getuigen opgegeven signalement. Bovendien past de verdachte ook overigens geheel in het opgegeven signalement. Het hof stelt voorts vast dat de dader direct na de inbraak door de getuige is gezien en vanaf dat moment vrijwel onafgebroken in zicht is geweest van getuigen. Op de plaats waar dat zicht korte tijd heeft ontbroken, is de tas met gestolen goederen aangetroffen, die de vluchtende man met de omschreven jas met zich voerde. Zeer korte tijd later is de verdachte in de directe omgeving aangetroffen en aangehouden.
Getuigenverzoek
Ten aanzien van het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] overweegt het hof als volgt. Uit de onderbouwing van het verzoek blijkt dat de verdediging de getuigen niet wenst te bevragen over de door hen afgelegde verklaring. De juistheid van de afgelegde getuigenverklaringen alsmede de betrouwbaarheid daarvan staat derhalve niet ter discussie. De verdediging wenst de getuigen te confronteren met de jas en/of de verdachte en hen te vragen of zij de jas en/of de verdachte herkennen. Zo bezien dient het getuigenverzoek te worden beschouwd als een verzoek om nader onderzoek. Het hof is van oordeel dat de noodzaak daartoe, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet is gebleken.”
8. Het hof heeft de bewezenverklaring mede doen steunen op de als bewijsmiddel 2 en 3 opgenomen verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Deze bewijsmiddelen luiden:
“2.
Een proces-verbaal van
verhoor getuiged.d. 11 mei 2020 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2020133823-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 25 e.v. ):
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 1] , geslacht vrouw, wonende aan de [a-straat 1] te [plaats] :
Op 11 mei 2020 omstreeks 14.33 uur hoorde ik in mijn kamer gelegen op de tweede verdieping (het hof begrijpt: van het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] ) verdachte geluiden vanaf de begane grond. Ik ben toen naar beneden gelopen om poolshoogte te nemen. Toen ik boven aan de trap stond keek ik naar beneden. Toen zag ik dat de deur van [001] ingetrapt, was. Ik zag een groot gat aan de onderzijde van de deur. Toen heb ik gelijk 112 gebeld en melding gemaakt van een inbraak. Ik ben boven aan de trap blijven staan. Ik zag dat er twee mannen uit het gat van de deur kwamen. Ik zag dat de twee mannen het pand verlieten en allebei op een fiets richting de [b-straat] het hazenpad kozen. Daarop ben ik achter de mannen aangerend. Ik zag dat de twee mannen de [g-straat] in waren gefietst. Daarna zag ik dat de mannen via de trap aan het einde van de [g-straat] in de richting van.de [b-straat] fietsten. Daarna ben ik de mannen blijven volgen over de [b-straat] in de richting van de [h-straat] . Ik heb tijdens mijn achtervolging een aantal keer “dit zijn inbrekers” tegen omstanders geroepen. Ik zag op de [b-straat] dat er een man reageerde op mijn geschreeuw en ook de achtervolging inzette. Toen heb ik mijn achtervolging gestaakt. Het signalement van een van de mannen is als volgt: Hij leek op iemand van Zuid Europese afkomst. Ik schat zijn leeftijd op eind 40. De man had een lichtblauwe jas aan met een witte horizontale streep ter hoogte van zijn schouderbladen. De rest van de kleding was donker. Het postuur beschrijf ik als mollig.
3.
Een proces-verbaal van
verhoor getuiged.d. 11 mei 2020 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2020133823-10. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 29 e.v.):
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 2] , geslacht man:
Ik fietste op de [a-straat] in de richting van de [b-straat] . Tijdens het fietsen zag ik een vrouw rennen. Ik zag daarna dat de vrouw een zijstraat in rende. Dit was een zijstraat vóór de kruising met de [b-straat] . Ik zag en hoorde dat zij al rennend schreeuwde: “BEL DE POLITIE!”. Verderop in die zijstraat, voor de vrouw, zag ik twee mannen op ieder een eigen fiets. Het signalement van de eerste man, die ik verder zal benoemen als de verdachte, is:
man
donker getint
zwart haar
blauwe spijkerbroek
blauwe jas met witte streep overdwars
rond de 40 jaar
een rode rugzak aan zijn stuur.
Ik stak vervolgens bij de stoplichten over, de [b-straat] op. Ik zag dat twee fietsers en de vrouw nu ook op de [b-straat] waren. Op dat moment dacht ik, dit klopt niet helemaal. Toen zag ik dat de verdachte in de richting van de [brug] fietste. Ik stond daar op dat moment ook. Ik zag dat hij aan mijn kant fietste. Ik sprak hem op dat moment aan en zei tegen hem: “Volgens mij is dat niet van jou. Die heb je gestolen.” Ik bedoelde daarmee de rode rugzak die hij bij zich had. De verdachte zei op dat moment tegen mij: “Ik ga je schieten. Bemoei je er niet mee. Dat gaat je niks aan.” Ik zag dat hij verder fietste in de richting van de [c-straat] . Ik fietste er achteraan. Ik zag dat hij linksaf de [d-straat] op fietste. Vervolgens zag ik dat hij weer linksaf ging in de richting van de kerk. Toen zag ik dat hij bij de kerk aan kwam. Ik fietste op dat moment nog steeds achter hem aan. Ik zag dat hij weer de [d-straat] op fietste en toen weer terug ging. Ik zag dat hij aan het rommelen was aan die rode rugzak. Ter hoogte van de kerk verloor ik hem even uit het oog. Toen zag ik de verdachte plotseling weer verschijnen. Het viel mij op dat hij op dat moment niks meer bij zich had.”
Juridisch kader
9. In zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, is de Hoge Raad nader ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het horen van belastende getuigen ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen. In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“2.9.1 De motiveringsplicht die in het genoemde arrest van 4 juli 2017 door de Hoge Raad is geformuleerd, houdt in dat de verdediging ten aanzien van iedere door haar opgegeven getuige moet toelichten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van artikel 348 en Pro 350 Sv te nemen beslissing. Aan dit motiveringsvereiste ligt ten grondslag dat de rechter in staat wordt gesteld de relevantie van het verzoek te beoordelen, mede in het licht van de onderzoeksbevindingen zoals deze zich op het moment van het verzoek in het dossier bevinden. Ook draagt dat vereiste eraan bij dat de rechter zo vroegtijdig mogelijk het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM Pro bij de beoordeling van het verzoek kan betrekken.
2.9.2 De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen.
2.9.3 Het vorenstaande betekent niet dat elk verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Zo’n verzoek kan worden afgewezen op de - in artikel 288 lid 1 Sv Pro genoemde, maar ook voor de toepassing van artikel 315 Sv Pro van belang zijnde - gronden dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, of dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen. In de rechtspraak van het EHRM zijn onder meer deze gronden erkend als goede reden voor het niet oproepen en horen van een getuige. Verder verzet artikel 6 EVRM Pro zich niet ertegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.” [1]
10. Uit dit arrest volgt dat niet ieder verzoek tot het oproepen en horen van een niet eerder gehoorde getuige die een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, zonder meer voor toewijzing in aanmerking komt. Afwijzing van het verzoek kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het oproepen en horen van de getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig is, omdat het voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als de reeds afgelegde getuigenverklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
De eerste deelklacht
11. De stellers van het middel betogen dat het oordeel van het hof, voor zover het daarmee heeft bedoeld dat het verzoek onmiskenbaar irrelevant of overbodig is en dat het voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben, onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat door en namens de verdachte in hoger beroep vrijspraak is bepleit en dat aan het verzoek ten grondslag is gelegd dat de getuigen hebben verklaard over een niet heel zeldzame en daarmee te weinig onderscheidende jas, dat het door hen opgegeven signalement te algemeen is, dat de getuigen niet met de verdachte of zijn kleding zijn geconfronteerd en dat zij – indien zij worden opgeroepen als getuigen – met de verdachte zijn kleding en/of de foto van de verdachte kunnen worden geconfronteerd.
12. Voor de leesbaarheid van deze conclusie herhaal ik hier de specifieke overweging van het hof over de afwijzing van het getuigenverzoek:
“Ten aanzien van het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] overweegt het hof als volgt. Uit de onderbouwing van het verzoek blijkt dat de verdediging de getuigen niet wenst te bevragen over de door hen afgelegde verklaring. De juistheid van de afgelegde getuigenverklaringen alsmede de betrouwbaarheid daarvan staat derhalve niet ter discussie. De verdediging wenst de getuigen te confronteren met de jas en/of de verdachte en hen te vragen of zij de jas en/of de verdachte herkennen. Zo bezien dient het getuigenverzoek te worden beschouwd als een verzoek om nader onderzoek. Het hof is van oordeel dat de noodzaak daartoe, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet is gebleken.”
13. Het hof heeft ten aanzien van het voorwaardelijke verzoek van de verdediging om te beginnen dus overwogen dat uit de onderbouwing blijkt dat de verdediging de getuigen niet wenst te bevragen over de door hen afgelegde verklaring, waardoor de juistheid en betrouwbaarheid van hun verklaringen niet ter discussie staat. In deze overweging ligt als oordeel van het hof besloten dat het niet gaat om een verzoek dat betrekking heeft op het uitoefenen van het ondervragingsrecht in verband met de eerder door de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] afgelegde belastende verklaringen die voor het bewijs zijn of kunnen worden gebruikt, nu die verklaringen – gelet op de toelichting op het verzoek – immers niet worden betwist.
14. De voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] houden kortgezegd het volgende in. [betrokkene 1] is naar aanleiding van verdachte geluiden polshoogte gaan nemen bij het appartement van de aangever. Zij constateerde een groot gat in de deur van het appartement en kort daarna zag zij er twee mannen uitkomen die vervolgens wegvluchtten op de fiets. Zij heeft de achtervolging te voet ingezet, waarna de achtervolging per fiets is voortgezet door [betrokkene 2] . Zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] hebben ten overstaan van de politie een signalement van één van de door hen achtervolgde mannen gegeven.
15. De raadsman van de verdachte heeft ter onderbouwing van zijn getuigenverzoek aangevoerd dat de getuigen, als zij worden verhoord, kunnen worden geconfronteerd met de kleding en/of de foto van de verdachte. Uit die onderbouwing, gelezen in samenhang met het gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak, kan worden afgeleid dat het doel van het verzoek is om aan de hand van de kleding en de foto van de verdachte na te gaan of de persoon die de getuigen hebben achtervolgd inderdaad de verdachte was. De raadsman van de verdachte twijfelt dus kennelijk niet aan het verhaal van de getuigen en het door hen gegeven signalement, maar slechts aan de conclusie dat de verdachte degene is die door de getuigen is achtervolgd. Dat is evenwel geen conclusie die volgt uit de voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen, maar een conclusie die het hof op basis van het hele strafdossier trekt. Daartoe overweegt het hof dat de jas van de verdachte en de verdachte zelf geheel in het door de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] opgegeven signalement passen. Ook overweegt het hof dat de dader direct na de inbraak door de getuige is gezien en vanaf dat moment vrijwel onafgebroken in zicht is geweest van de getuigen, terwijl op de plaats waar dat zicht korte tijd heeft ontbroken later de tas met gestolen goederen die de vluchtende man bij zich droeg, werd aangetroffen. Op basis daarvan komt het hof tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte degene is geweest die de inbraak heeft gepleegd.
16. Nu uit de onderbouwing van het voorwaardelijke verzoek blijkt dat het doel daarvan was om te onderzoeken of de door de getuigen achtervolgde persoon inderdaad de verdachte was, heeft het hof kunnen oordelen dat de getuigenverklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] betrekking hebben op feiten en omstandigheden die door de verdachte en de verdediging niet zijn betwist. Hun voor het bewijs gebruikte verklaringen houden immers geen herkenning van de verdachte in maar slechts een signalement van de door hen achtervolgde persoon. Het kennelijke oordeel dat het oproepen en horen van de getuigen voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben, is tegen de achtergrond van de door het hof geschetste verdere inhoud van het strafdossier, niet onbegrijpelijk.
17. De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
18. De klacht houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft doen blijken van een onderzoek naar de vraag of is voldaan aan de eisen van art. 6 EVRM Pro nu de verdachte niet in staat is gesteld belastende getuigen te horen.
19. Zoals hiervoor bij de bespreking van eerste deelklacht al aan de orde is gekomen, heeft het hof op niet onbegrijpelijke wijze uit de onderbouwing van het getuigenverzoek kunnen afleiden dat de getuigenverklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] betrekking hebben op feiten en omstandigheden die door de verdachte en zijn verdediging niet zijn betwist. Daarom levert het gebruik van die verklaringen voor het bewijs zonder dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld de getuigen te horen, geen strijd op met de eisen van het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Gelet hierop hoefde het hof het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van getuige [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet nader te motiveren.
20. Ook de tweede deelklacht faalt.
Slotsom
21. Het middel faalt in alle onderdelen.

Het tweede middel

22. Het middel bevat de klacht dat sprake is van overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering.
23. Op 4 oktober 2021 is namens de verdachte cassatie ingesteld. De inzendtermijn bedraagt acht maanden, terwijl de stukken van het geding pas op 28 juni 2022 bij de griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. In zoverre is het middel terecht voorgesteld. De overschrijding van de inzendtermijn leent zich evenwel nog voor compensatie door een voortvarende behandeling in de cassatiefase. Indien de Hoge Raad uitspraak doet voor 4 februari 2023, hoeft het middel niet tot cassatie te leiden.

Slotsom

24. Het eerste middel faalt. Het tweede middel hoeft bij een voortvarende behandeling in cassatie niet tot vermindering van de opgelegde straf te leiden.
25. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,