ECLI:NL:PHR:2022:1212

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2022
Publicatiedatum
19 december 2022
Zaaknummer
21/01263
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 592a SvArt. 81 lid 1 ROArt. 11 onder d Besluit tarieven in strafzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van schadevergoeding en proceskosten in strafzaak betreffende reiskosten en overige schadeposten

In deze zaak heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad een aanvullende conclusie genomen over de middelen van cassatie die door de benadeelde partij zijn ingediend tegen het oordeel van het hof. De benadeelde partij vorderde onder meer een hogere kilometervergoeding voor reiskosten, vergoeding van kosten voor het verwijderen van dreadlocks, aanschaf van een elektrische fiets en een bedrag voor toekomstige schade.

Het hof had geoordeeld dat de kilometervergoeding voor reiskosten niet hoger kan worden vastgesteld dan €0,19 per kilometer, conform het Besluit tarieven in strafzaken, en dat reiskosten gemaakt voor het bijwonen van zittingen en gesprekken met advocaten onder proceskosten vallen, die niet als materiële schade kunnen worden gevorderd. Deze kosten zijn wel toegekend als proceskosten. De kosten voor het verwijderen van dreadlocks en de aanschaf van een elektrische fiets werden door het hof niet als rechtstreekse schade aangemerkt en de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard voor deze posten.

Ook de vordering voor toekomstige schade wegens studievertraging werd niet toegewezen omdat het hof zich onvoldoende voorgelicht achtte om deze schadepost inhoudelijk te beoordelen. De Procureur-Generaal concludeert dat geen van de middelen slaagt en dat het hof zijn oordeel begrijpelijk en voldoende gemotiveerd heeft gegeven.

De Hoge Raad bevestigt hiermee het oordeel van het hof en verklaart de middelen van de benadeelde partij ongegrond, waarmee de beslissing over de schadevergoeding en proceskosten in stand blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de middelen van de benadeelde partij ongegrond en bevestigt het oordeel van het hof over de schadevergoeding en proceskosten.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01263

Zitting24 mei 2022
Aanvullende
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte
Op 12 april 2022 heb ik in de onderhavige zaak een conclusie genomen, ertoe strekkende dat het namens de verdachte ingestelde cassatieberoep dient te worden verworpen. In die conclusie heb ik de namens de verdachte voorgestelde cassatiemiddelen besproken. Per abuis heb ik over het hoofd gezien dat het dossier is aangevuld met een verweerschrift, tevens inhoudende een schriftuur houdende vier middelen van cassatie, die door mr. F.W. Oehlen, advocaat te Sittard, binnen de daarvoor geldende termijn namens de benadeelde partij [aangeefster] is ingediend. In deze aanvullende conclusie zal ik ingaan op de namens de benadeelde partij ingediende middelen.
Het eerste middel
2.1
Het
eerste middelbehelst de klacht dat de beslissing van het hof om de kilometervergoeding vast te stellen op € 0,19 per kilometer onvoldoende met redenen is omkleed, althans niet begrijpelijk is.
2.2
Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering, maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv Pro rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van het uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade. In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan. [1]
2.3
In de onderhavige zaak heeft de advocaat van de benadeelde partij het hof verzocht om ten aanzien van de reiskosten een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer vast te stellen op basis van het Besluit tarieven in strafzaken. De raadsvrouw van de verdachte heeft deze vordering van de benadeelde partij gemotiveerd betwist en verzocht om de namens de benadeelde partij gevoerde kilometervergoeding met verwijzing naar de Letselschade Richtlijn te matigen met € 0,02 per kilometer.
2.4
Het hof heeft ten aanzien van de kostenpost “reiskosten” het volgende overwogen:
“Deze post ziet op gemaakte reiskosten van en naar het ziekenhuis, de huisarts, de bedrijfsarts, de soa poli, CSG, de winkel voor aanschaf van vervangende kleding, het politiebureau, therapie, de terechtzittingen bij de rechtbank, een afspraak met [betrokkene 1], een gesprek met de officier van justitie, het UWV, de advocaat en de apotheek. De benadeelde partij heeft gesteld dat zij daarvoor in totaal 3.582,8 kilometer heeft afgelegd. Gelet op de door het Besluit tarieven in strafzaken geïndiceerde kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer bedragen de reiskosten volgens de benadeelde partij: 3.582,8 x €0,28 = € 1.003,18.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de reiskosten voor toewijzing vatbaar zijn minus de reiskosten voor zover deze zijn gemaakt ten behoeve van een terechtzitting waarbij de advocaat van de benadeelde partij aanwezig was.
De verdediging heeft gesteld dat aangesloten moet worden bij de door De Letselschade Richtlijn Kilometervergoedingen voorgeschreven kilometervergoeding van € 0,26 per kilometer. Daarnaast heeft de verdediging betwist dat de reiskosten ten behoeve van de terechtzittingen kunnen worden aangemerkt als materiële (rechtstreekse) schade en dat deze kosten dienen te worden afgewezen.
Ten aanzien van de kilometervergoeding overweegt het hof dat zowel de stelling van de benadeelde partij als de stelling van de raadsvrouw geen steun vinden in het recht. Het hof zal de werkelijk gemaakte reiskosten beramen aan de hand van de standaard kilometervergoeding à € 0,19 per kilometer.
Het hof overweegt voorts dat de reiskosten gemaakt in het kader van het bijwonen van terechtzittingen in eerste aanleg, een gesprek met de officier van justitie en gesprekken met de advocaat, moeten worden geschaard onder proceskosten. Proceskosten kunnen niet worden aangemerkt als schade die rechtstreeks geleden is als gevolg van het strafbare feit, zodat de benadeelde partij deze kosten niet als onderdeel van haar materiële schade kan vorderen. Om die reden moet de benadeelde partij in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Evenwel ziet het hof aanleiding om deze gemaakte posten in het kader van proceskosten toe te wijzen (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2338).
Van de overige gevorderde reiskosten is genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van (2.247,2 kilometer x € 0,19 =) € 426,97. Het hof zal de post reiskosten voor voormeld bedrag toewijzen en voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.”
2.5
Het hof heeft aldus overwogen dat de stelling van de benadeelde partij en de stelling van de raadsvrouw dat de Letselschade Richtlijn van toepassing is, geen steun vindt in het recht en het de werkelijk gemaakte reiskosten zal beramen aan de hand van de standaard kilometervergoeding van € 0,19 per kilometer. Dit oordeel betreft een oordeel van feitelijke aard dat in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid kan worden getoetst. Onbegrijpelijk is de door het hof gehanteerde raming niet. Ik merk daarbij op dat de in art. 11 onder Pro d van het Besluit tarieven in strafzaken genoemde reiskostenvergoeding ziet op zowel andere situaties als op andere actoren in het strafproces.
2.6
Het eerste middel faalt.

Het tweede middel

3. Het
tweede middelbehelst de klacht dat het hof de benadeelde partij ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard ten aanzien van de reiskosten die zijn gemaakt voor het bijwonen van zittingen, gesprekken met de advocaat en slachtoffergesprekken en dat ’s hofs overweging dat deze kosten niet als rechtstreekse schade kunnen worden aangemerkt, onvoldoende met redenen is omkleed, althans niet begrijpelijk is.
3.1
Het hof heeft overwogen dat de reiskosten die in het kader van het bijwonen van terechtzittingen in eerste aanleg, een gesprek met de officier van justitie en gesprekken met de advocaat moeten worden geschaard onder proceskosten. Proceskosten kunnen niet worden aangemerkt als schade die rechtstreeks geleden is als gevolg van het strafbare feit, zodat de benadeelde partij deze kosten niet als onderdeel van haar materiële schade kan vorderen. Dit brengt mee dat het hof de benadeelde partij ten aanzien hiervan niet-ontvankelijk verklaart, maar het wel aanleiding ziet om de gemaakte reiskosten in het kader van proceskosten toe te wijzen.
3.2
De steller van het middel merkt in haar toelichting terecht op dat de in de jurisprudentie geldende opvatting is dat de namens de benadeelde partij gevorderde vergoeding van de reiskosten niet is aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, maar als proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven. [2]
3.3
Het hof heeft hieraan toepassing gegeven door te oordelen dat de door de benadeelde partij gemaakte kosten niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade en de gemaakte reiskosten in het kader van proceskosten toe te wijzen.
3.4
Ik zie geen aanleiding om, zoals door de steller van het middel wordt betoogd, van deze civiele proceskostenregeling af te wijken, zodat ook deze klacht niet slaagt.
3.5
Het middel slaagt niet.

Het derde middel

4. Het
derde middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de kosten voor het verwijderen van de dreadlocks van de benadeelde partij en de aanschaf van een elektrische fiets niet als rechtstreekse schade aangemerkt kunnen worden en dat deze beslissing onvoldoende met redenen is omkleed, althans niet begrijpelijk is.
4.1
Blijkens het proces-verbaal van 17 februari 2021 is namens de benadeelde partij ten aanzien van deze kostenposten het volgende aangevoerd:
“Ik zal ingaan op de posten die door de rechtbank niet zijn toegewezen. Ten aanzien van de dreadlocks merk ik op dat dit een lastige post is. Daarvan zou gezegd kunnen worden dat de benadeelde partij deze kosten ook gehad zou hebben zonder het strafbare feit. Dat is een ander verhaal ten aanzien van de elektrische fiets want deze zou niet hoeven te worden aangeschaft zonder het strafbare feit. De benadeelde partij durft nog steeds niet weg zonder haar elektrische fiets. Het vermindert voor haar gevoelens van onveiligheid. Er is sprake van rechtstreekse schade.”
4.2
Ten aanzien van deze kostenposten geldt dat de raadsvrouw van de verdachte de vordering van de benadeelde partij heeft betwist en heeft aangevoerd dat de kostenposten geen rechtstreekse schade betreft.
4.3
Het hof heeft wat betreft deze kostenpost het volgende overwogen:
“Dreadlocks en elektrische fiets
De benadeelde partij heeft gesteld dat zij medio november 2016 dreadlocks heeft laten zetten. Uit angst dat de dader haar zou herkennen, heeft de benadeelde partij de dreadlocks uit haar haren laten verwijderen. Vanwege het kortstondig kunnen dragen van de dreadlocks alsmede de kosten voor het verwijderen van de dreadlocks, heeft de benadeelde partij een bedrag van € 100,00 gevorderd. Daarnaast heeft benadeelde partij een bedrag van € 1.450,00 gevorderd vanwege de aanschaf van een elektrische fiets.
Anders dan de rechtbank heeft beslist, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze schadeposten integraal zal toewijzen.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat op dit moment niet kan worden vastgesteld dat de benadeelde rechtstreeks door de bewezenverklaarde feiten deze kosten heeft gemaakt. Het hof zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering ten aanzien van de schadeposten "dreadlocks" en "elektrische fiets" verklaren.”
In zijn overwegingen omtrent de diverse vorderingen heeft het hof vervolgens aldus overwogen:
“De benadeelde partij kan thans in de vordering met betrekking tot de dreadlocks ter hoogte van €100,00 en de gevorderde kosten vanwege aanschaf van een elektrische fiets van € 1.450,00 niet worden ontvangen en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”
4.4
Voor de beoordeling van het middel geldt hetgeen ik hierboven in paragraaf 2.2 reeds uiteen heb gezet. Voorts is van belang dat een benadeelde partij in het strafproces vergoeding kan vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. [3]
4.5
Het hof is mijns inziens niet onbegrijpelijk gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat thans niet kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze kosten rechtstreeks als gevolg van de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feiten heeft gemaakt. Dat oordeel acht ik, gelet op hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd, evenmin ontoereikend gemotiveerd.
4.6
Ook het derde middel slaagt niet.

Het vierde middel

5. Het
vierde en laatste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de benadeelde partij ten aanzien van de toekomstige schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
5.1
Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat zij onder meer studievertraging heeft opgelopen door de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feiten en vordert een bedrag van € 10.000,- als vergoeding voor de toekomstige schade. Ter onderbouwing van deze schadepost is door de raadsvrouw van de benadeelde partij een document getoond, verstrekt door de decaan van de desbetreffende onderwijsinstelling.
5.2
De verdediging heeft ook deze schadepost gemotiveerd betwist en daartoe aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het onduidelijk is om welke kosten het nu precies gaat.
5.3
Het hof heeft ten aanzien van deze schadepost het volgende overwogen:
“Met de verdediging en de rechtbank, is het hof van oordeel dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht om deze post inhoudelijk te kunnen beoordelen. De door de benadeelde partij in hoger beroep ingebrachte informatie maakt dat niet anders. Het inwinnen van de benodigde nadere informatie ter zake zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het hof zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat zij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.”
5.4
Het oordeel van het hof dat het zich onvoldoende voorgelicht acht om deze post inhoudelijk te kunnen beoordelen, acht ik gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. Dat namens de benadeelde partij een schriftelijke verklaring van de decaan van haar onderwijsinstelling is overlegd, maakt dat mijns inziens niet anders.
5.5
Het middel faalt.
6. Alle middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
7. Deze aanvullende conclusie strekt tot ongegrondverklaring van de door de benadeelde partij ingediende middelen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
2.Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653 en HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2338.
3.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,