ECLI:NL:PHR:2022:1220

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2022
Publicatiedatum
19 december 2022
Zaaknummer
21/03482
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36d SrArt. 33c SrArt. 552f Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking onttrekking auto met verborgen ruimten wegens ontbreken strafbaar feit

De rechtbank Amsterdam had op vordering van het openbaar ministerie een personenauto met verborgen ruimten onttrokken aan het verkeer, zonder geldelijke vergoeding toe te kennen aan de belanghebbenden. De belanghebbenden stelden cassatie in tegen deze beschikking.

De Hoge Raad oordeelt dat de ontvankelijkheid van het cassatieberoep niet wordt beïnvloed door het feit dat de auto na het instellen van het beroep is vernietigd. De kern van het cassatiemiddel is dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanwezigheid van verborgen ruimten op zichzelf voldoende is om de auto onttrokken te verklaren, zonder dat een relatie met een strafbaar feit is vastgesteld.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin is bepaald dat voor onttrekking aan het verkeer een verband met een begaan strafbaar feit moet worden vastgesteld. De enkele aanwezigheid van verborgen ruimten en de algemene bekendheid dat dergelijke ruimten vaak voor criminele doeleinden worden gebruikt, is onvoldoende.

De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor een nieuwe behandeling en beslissing. De klacht over de afwijzing van de geldelijke compensatie behoeft geen verdere bespreking.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot onttrekking van de auto en wijst de zaak terug voor herbeoordeling wegens ontbreken van een relatie met een strafbaar feit.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03482 B
Zitting20 december 2022
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[belanghebbende 1] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995
en
[belanghebbende 2] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956
hierna: de belanghebbenden

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 30 juli 2021 de op art. 552f Sv gebaseerde vordering van de officier van justitie toegewezen en de in beslaggenomen personenauto van het merk Volkswagen Passat, kleur zwart met kenteken [kenteken] onttrokken aan het verkeer. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat aan de belanghebbende geen geldelijke vergoeding wordt toegekend.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de belanghebbenden. R.J. Baumgardt, S. van den Akker en P. van Dongen, allen advocaat te Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

2.De beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Het gaat in deze zaak om een onder belanghebbende [belanghebbende 1] op 25 september 2020 inbeslaggenomen personenauto met het kenteken [kenteken] . De rechtbank heeft deze auto, die geregistreerd stond op naam van [belanghebbende 2] , zijnde de vader van [belanghebbende 1] , op vordering van de officier van justitie op 30 juli 2021 onttrokken verklaard aan het verkeer. Op 10 augustus 2021 respectievelijk 15 november 2021 hebben de zoon en zijn vader tegen de beschikking van de rechtbank cassatie ingesteld. Uit bij het openbaar ministerie ingewonnen inlichtingen blijkt dat de auto op 12 januari 2022 – dus na het wijzen van de bestreden beschikking en na het instellen van het beroep in cassatie – is vernietigd.
2.2
Uit de geraadpleegde beslagregistratie van het openbaar ministerie blijkt dat het openbaar ministerie op grond van art. 117 Sv Pro een machtiging heeft verleend om het voertuig te vernietigen vanwege twee in het voertuig aangetroffen verborgen ruimtes. Door de vernietiging van het voertuig is het beslag op grond van art. 134 lid 2 onder Pro c Sv beëindigd.
2.3
In de ‘reguliere’ op art. 552a Sv gebaseerde beklagprocedure leidt beëindiging van het beslag tot niet-ontvankelijk verklaring van het beklag. Die procedure ziet op het al dan niet laten voortduren van het beslag. Als dat beslag er niet meer is, is de basis voor die procedure vervallen. Dat ligt anders bij een vordering tot onttrekking aan het verkeer als bedoeld in art. 552f Sv. Die vordering is gericht op een definitieve afdoening van het beslag. Als in dat geval het beslag door vernietiging is beëindigd, strekt de vordering tot onttrekking en de daarbij behorende procedure ertoe te doen vaststellen of een voorwerp zich leent voor onttrekking aan het verkeer. [1] Tegen de door de rechtbank op de vordering genomen beslissing staat cassatieberoep open.
2.4
De ontvankelijkheid van het cassatieberoep hangt in een geval als het onderhavige dus niet af van de vraag of het beslag op de auto is beëindigd. [2] De belanghebbenden zijn derhalve ontvankelijk in hun cassatieberoep.

3.Het middel

3.1
In het middel wordt geklaagd over de toewijzing van de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de personenauto. In de eerste plaats wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat de verborgen ruimtes maken dat de auto kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijke toezicht te onttrekken en dat het ongecontroleerde bezit van een auto met een verborgen ruimte afbreuk doet aan een effectieve voorkoming en bestrijding van die criminele doeleinden en daarom in strijd is met het algemeen belang in de zin van art. 36c Sr. De stellers van het middel klagen dat dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en ook onbegrijpelijk is, nu niet valt in te zien hoe de in beslaggenomen auto te relateren is aan enig strafbaar feit op één van de wijzen zoals vermeld in art. 36c Sr. In de tweede plaats wordt geklaagd dat de afwijzing van het verzoek tot toekenning van geldelijke compensatie op grond van art. 33c lid 2 Sr onjuist althans onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat de Staat inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de belanghebbende en dat de enkele mogelijkheid dat de belanghebbende langs civielrechtelijke weg de door de onttrekking geleden schade kan verhalen op degene die de auto met de verborgen ruimten aan hem heeft verkocht, onvoldoende is om tot het oordeel te komen dat de belanghebbende door de onttrekking aan het verkeer niet onevenredig is getroffen (in de zin van art. 36b lid 2 jo art. 33c lid 2 Sr).
3.2
De rechtbank heeft op grond van een, ingevolge art. 552f lid 2 Sv gedane, vordering van de officier van justitie een personenauto die toebehoorde aan de belanghebbende [belanghebbende 2] en die in beslag is genomen onder zijn zoon, de belanghebbende [belanghebbende 1] , onttrokken aan het verkeer. De beschikking van de rechtbank houdt onder meer het volgende in:

5. De beoordeling
Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Op 25 september 2020 hebben verbalisanten van de Nationale Politie Eenheid Amsterdam het voertuig onder [belanghebbende 1] in beslag genomen. In de auto werden verborgen ruimtes aangetroffen. Uit de RDW-gegevens blijkt dat de eigenaar van het voernoemde voertuig [belanghebbende 2] is.
De verborgen ruimtes maken dat de auto kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijke toezicht te onttrekken. Door de auto terug te geven, zouden criminele activiteiten in stand worden gehouden, dan wel gestimuleerd. Het ongecontroleerde bezit van een auto met een verborgen ruimte doet dan ook afbreuk aan een effectieve voorkoming en bestrijding van die criminele doeleinden en is daarom in strijd met het algemeen belang in de zin van artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank zal de vordering derhalve toewijzen.”
3.3
Art. 36b lid 1, aanhef en onder 4º Sr luidt:
“Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd:
(...)
4°. bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie.”
3.4
Art. 36c Sr luidt:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
1°. die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen;
2°. met betrekking tot welke het feit is begaan;
3°. met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
4°. met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;
5°. die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.”
3.5
Art. 36d Sr luidt:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”
3.6
In de onderhavige zaak is in geen enkel opzicht een relatie vastgesteld tussen een strafbaar feit en de in de auto gevonden verborgen ruimten. De Hoge Raad heeft in een tweetal beschikkingen van 25 januari 2022 in min of meer vergelijkbare zaken het volgende overwogen:
“Met het “feit” in artikel 36c en 36d Sr wordt een begaan strafbaar feit bedoeld. De rechter die bij afzonderlijke beschikking als bedoeld in artikel 36b lid 1, onder 4°, Sr de onttrekking aan het verkeer beveelt, zal moeten vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een in artikel 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit.” [3]
En voorts:
“Gelet hierop, is het oordeel van de rechtbank dat de auto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer ontoereikend gemotiveerd, nu de bestreden beschikking niets inhoudt waaruit kan worden afgeleid dat de auto in verband staat tot een begaan strafbaar feit.”
In de ene beschikking voegt de Hoge Raad hieraan toe:
“De door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden dat in de auto een verborgen ruimte is aangebracht en dat een feit van algemene bekendheid is dat dergelijke verborgen ruimtes veelal worden gebruikt voor criminele doeleinden, zoals het vervoer van drugs, geld en/of vuurwapens, zijn niet toereikend voor dat oordeel.” [4]
In de andere beschikking voegt hij toe:
“De door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden dat in de auto een verborgen ruimte is aangebracht en dat dit kennelijk tot doel had “te zorgen dat criminele activiteiten onontdekt -en dus mogelijk- blijven en/of om er voor te zorgen dat de feitelijke uitvoering ervan minder risico’s voor de daders oplevert en aldus wordt vergemakkelijkt” zijn niet toereikend voor dat oordeel.” [5]
3.7
De door de Hoge Raad in deze beschikkingen uitgezette lijn geldt onverkort voor de onderhavige zaak. Gelet daarop is de conclusie dat het cassatiemiddel in zoverre terecht is voorgesteld en dat de klacht over de afwijzing van het verzoek tot toekenning van geldelijke compensatie als bedoeld in art. 33c lid 2 Sr geen bespreking meer behoeft.

4.Slotsom

4.1
Het middel is terecht voorgesteld.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 14 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4905,
2.Vgl. Knigge in zijn conclusie van 6 januari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:100, randnr. 4.3 en 4.4.
3.Vgl. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:37,
4.HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:37,
5.HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:40, rov. 2.3.2.