ECLI:NL:HR:2004:AR4905
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Beëindiging beslag door vernietiging staat onttrekking aan het verkeer niet in de weg
In deze zaak stond centraal of het openbaar ministerie nog ontvankelijk was in een vordering tot onttrekking aan het verkeer van voorwerpen die reeds waren vernietigd en waarvan het beslag op grond van artikel 134, tweede lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) was beëindigd.
De Rechtbank had de vordering van het Openbaar Ministerie tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen toegewezen, ondanks dat het beslag formeel was geëindigd door vernietiging van de voorwerpen op basis van een machtiging ex artikel 117 Sv Pro. De betrokkenen stelden dat het OM niet meer ontvankelijk was omdat het beslag was beëindigd.
De Hoge Raad bevestigde dat het beslag inderdaad eindigt door vernietiging, maar dat dit niet in de weg staat aan een afzonderlijke rechterlijke beschikking tot onttrekking aan het verkeer op grond van artikel 36b, eerste lid, onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De vordering strekt ertoe vast te stellen of de voorwerpen zich lenen voor onttrekking, ook al bestaan ze feitelijk niet meer.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontvankelijkheid van het OM in de vordering tot onttrekking. Tevens benadrukte de Hoge Raad dat indien teruggave wordt gelast van vernietigde voorwerpen, compensatie op grond van artikelen 552e juncto 119 Sv geboden is.
Deze uitspraak verduidelijkt de juridische positie omtrent de beëindiging van beslag en de mogelijkheid tot onttrekking aan het verkeer na vernietiging van de voorwerpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat vernietiging van inbeslaggenomen voorwerpen het beslag beëindigt, maar de onttrekking aan het verkeer niet uitsluit.