Conclusie
1.Aanduiding partijen en korte inhoud cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
Model koopovereenkomst voor een bestaande eengezinswoning (model 2018). Vastgesteld door de Nederlandse Vereniging van Makelaars en Taxateurs in onroerende goederen NVM, VastgoedPro, VBO Makelaar, de Consumentenbond en Vereniging Eigen Huis.”
Bedenktijd. De koper die een natuurlijke persoon is en niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft bedenktijd om deze koopovereenkomst te ontbinden. De bedenktijd duurt drie dagen en begint om 0.00 uur van de dag die volgt op de dag dat de door partijen ondertekende koopovereenkomst (in kopie) aan koper ter hand gesteld is. Indien de bedenktijd op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt deze verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. De bedenktijd wordt, zo nodig, zoveel verlengd, dat daarin ten minste twee dagen voorkomen die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag zijn. Als koper binnen de bedenktijd de koopovereenkomst wil ontbinden, moet hij ervoor zorgen dat de ontbindingsverklaring verkoper of diens makelaar voor het einde van de bedenktijd bereikt.”
Procesverloop in hoger beroep [3]
[verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping en hun standpunt schriftelijk toegelicht.
Van der Zwan heeft gerepliceerd.
3.Ontvankelijkheid
4.Bespreking van het cassatiemiddel
oral hearing) zoals dat thans is vastgelegd in art. 87 lid 2 onder Pro b en lid 8 Rv en in art. 6 EVRM Pro, slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden geweigerd. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden zijn hier gesteld noch gebleken. Ook is gebleken dat er geen comparitie na aanbrengen is geweest en er verder geen andere inhoudelijke proceshandelingen zijn verricht dan een memorie van grieven en een memorie van antwoord. Er zijn evenmin op andere wijze bijzondere omstandigheden gebleken die maken dat een mondelinge behandeling in dit (uitzonderlijke) geval achterwege zou moeten blijven. Door in een dergelijk geval desalniettemin een comparitie of mondelinge behandeling te weigeren gaat het hof hetzij uit van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
subonderdeel 1.2met de klacht, zakelijk weergegeven, dat bij weigering het hof zijn beslissing naar behoren moet motiveren, zodat (zeker) een – ongemotiveerde – vermelding op de rol daartoe niet volstaat.
subonderdeel 1.3nog toegevoegd dat de rechter bovendien in zijn motivering van de weigering, gelet op het feit dat de
oral hearingslechts in uitzonderlijke gevallen mag worden geweigerd, blijk dient te geven van een terughoudende toetsing. Indien het hof dit niet heeft miskend heeft het in elk geval geen, althans volstrekt onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven. Het gaat hier om een fundamenteel recht, waarvan Van der Zwan geen afstand heeft gedaan, aldus de klacht.
subonderdeel 1.4is het arrest van 9 november 2021, samengevat, in strijd met het fundamentele recht op ‘oral hearing’ als bedoeld in art. 6 EVRM Pro dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd nu elke motivering van de weigering ontbreekt.
2. Tijdens de mondelinge behandeling stelt de rechter partijen in de gelegenheid hun stellingen toe te lichten en kan de rechter:
a. partijen verzoeken hem inlichtingen te geven,
b. partijen gelegenheid geven hun stellingen nader te onderbouwen,
c. een schikking beproeven,
d. met partijen overleggen hoe het vervolg van de procedure zal verlopen, en
e. die aanwijzingen geven of die proceshandelingen bevelen die hij geraden acht, voor zover de rechter dit in overeenstemming acht met de eisen van een goede procesorde.
Via de schakelbepaling van art. 353 Rv Pro lid 1 Rv is art. 87 Rv Pro ook van toepassing in hoger beroep in dagvaardingsprocedures. [15]
Artikel 134, dat betrekking heeft op het pleidooi, vervalt. In de wetgeving uit 2016 is het pleidooi als afzonderlijke proceshandeling komen te vervallen, omdat de rechter partijen altijd in de gelegenheid moet stellen om hun standpunt over de zaak mondeling toe te lichten (vgl. artikel 30k, eerste lid, aanhef en onderdeel b, in dit wetsvoorstel overgenomen in artikel 87). Het vierde lid van artikel 134 (artikel 30k, vierde lid over de aanwezigheid van partijen bij het pleidooi) komt in dit wetsvoorstel terug in artikel 87, vijfde lid, derde volzin. Naar aanleiding van een opmerking van de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht is het van belang te constateren dat het schrappen van het pleidooi in combinatie met het handhaven van de mogelijkheid voor de rechter om een mondelinge behandeling te bevelen (artikel 87, eerste lid), niet betekent dat er procedures kunnen zijn waarin de rechter geen mondelinge behandeling beveelt en er ook geen pleidooi plaatsvindt (bijvoorbeeld na re- en dupliek is dat niet altijd zo, zie artikel 132 Rv Pro). Gelet op het uit artikel 6 EVRM Pro voortvloeiende recht op een mondelinge behandeling («fair and public hearing») en de strenge jurisprudentie daaromtrent van de Hoge Raad [20] kan de rechter een verzoek om een mondelinge behandeling te houden niet zonder meer naast zich neerleggen. Daarom is mede op advies van de Raad voor de rechtspraak
een vangnetbepaling opgenomen in artikel 87, achtste lid, om te waarborgen dat als er geen mondelinge behandeling gehouden wordt, partijen toch aanspraak kunnen maken op een gelegenheid om hun standpunt mondeling uiteen te zetten(curs. A-G).
Heeft er echter al enige zitting plaatsgevonden, bijvoorbeeld een comparitie van partijen, dan is er niet altijd recht op nog een mondelinge behandeling.”
mede in aanmerking genomen dat in hoger beroep kan worden voortgebouwd op het debat in eerste aanleg en steeds gelegenheid bestaat om de zaak mondeling toe te lichten (art. 87 lid 8 Rv Pro in verbinding met art. 353 lid 1 Rv Pro; art. 279 Rv Pro in verbinding met art. 362 Rv Pro). Bovendien voorzien de procesreglementen in de mogelijkheid om, op grond van de kenmerken van de concrete zaak, toestemming te verkrijgen voor de indiening van een omvangrijker processtuk.”
Uit de bij de procesinleiding gevoegde producties (waaronder de uitdraai van het roljournaal), die in cassatie ook niet zijn weersproken, blijkt de volgende feitelijke gang van zaken:
(i) nadat [verweerders] hun memorie van antwoord hadden genomen, is de zaak door (de rolraadsheer van) het hof voor “beraad partijen” gezet op 25 mei 2021;
(ii) op die datum hebben [verweerders] arrest gevraagd en heeft Van der Zwan een comparitie/mondelinge behandeling verzocht;
(iii) Van der Zwan heeft dit verzoek via een H-10 formulier met bijlage als volgt toegelicht:
(v) in het bestreden arrest wordt bij het verloop van het geding geen melding gemaakt van het verzoek en de beslissing daarop en ook overigens bevat het bestreden arrest geen overweging met betrekking tot het verzoek om een mondelinge behandeling.
Uit een en ander volgt m.i. dat de rechter een verzoek om een mondelinge behandeling te houden op de voet van art. 87 lid 8 Rv Pro niet ongemotiveerd naast zich neer kan leggen en bij een afwijzing van het verzoek zal moeten motiveren waarom in het concrete geval die mondelinge behandeling achterwege kan blijven. De voor een afwijzing te hanteren maatstaf kan m.i. worden ontleend aan de hierboven onder 4.17 en 4.18 genoemde vaste rechtspraak over het afwijzen van een pleidooiverzoek als bedoeld in art. 134 Rv Pro (oud).