Conclusie
Nummer20/02241
Inleiding
Beoordeling van het middel
middelbehelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van feit 1 onbegrijpelijk, althans onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd, dan wel dat de bewezenverklaring niet of onvoldoende wordt geschraagd door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.
hij op 3 september 2014 te Leiden en/of Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers hebben hij verdachte en zijn mededader die [slachtoffer] :
hij in de periode tussen 3 september 2014 en 5 september 2014 te Den Haag opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16,8 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I”
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2020 verklaard - zakelijk weergegeven -:
het hof begrijpt: [slachtoffer]) woont. Dat is bij zijn huis. Ik zocht hem. Ik wilde hem hebben. Dat was voor handel. Ik ontmoette [slachtoffer] op de weg. [slachtoffer] was met de auto. [slachtoffer] ging bij mij voorin zitten en [medeverdachte] achter [slachtoffer] . We gingen rijden. [slachtoffer] had ongeveer 20 minuten, want hij moest daarna zijn vrouw ophalen bij Schiphol.
Uit dit onderzoek bleek dat de vrouw van [slachtoffer] op 3 september 2014 terugkeerde naar Nederland en door [slachtoffer] opgehaald zouden worden vanaf Schiphol. Voorafgaand aan haar terugkeer en het ophalen hadden [slachtoffer] en [betrokkene 1] chatgesprekken via Whatsapp. Daarbij gebruikt [betrokkene 1] het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en [slachtoffer] het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .
Aantreffen voertuig
7. Een proces-verbaal van verhoor getuige met proces-verbaalnummer PL1500-2014208855-4, d.d. 4 september 2014, van de politie eenheid Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 83 e.v. van het algemeen dossier):
Het standpunt van de advocaat-generaal