ECLI:NL:PHR:2022:192

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2022
Publicatiedatum
28 februari 2022
Zaaknummer
21/05399
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 lid 2 WvggzArt. 7:2 lid 1 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling motivering zorgmachtiging opname in accommodatie onder Wvggz

In deze zaak is door betrokkene cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Limburg die een zorgmachtiging verleende voor verplichte zorg, waaronder opname in een accommodatie. Betrokkene stelde dat de rechtbank onvoldoende was ingegaan op zijn bezwaar tegen deze zorgvorm, met name dat opname niet proportioneel, subsidiariteit en doelmatigheid ontbeerde.

De rechtbank had op basis van een medische verklaring, een zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur geoordeeld dat betrokkene lijdt aan ernstige psychische stoornissen met risico op gevaar voor zichzelf en de omgeving. De verplichte zorg, waaronder opname, werd als evenredig en noodzakelijk beoordeeld. Er waren geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde effect zouden bereiken.

De Hoge Raad overwoog dat de rechtbank niet expliciet hoefde in te gaan op het bezwaar tegen opname, omdat het verweer niet zag op de duur of locatie van de zorg, maar op de zorgvorm zelf. De rechtbank had voldoende gemotiveerd dat opname noodzakelijk was voor stabilisatie, medicatie-instelling en het vergroten van probleembesef. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de zorgmachtiging met opname in een accommodatie blijft van kracht.

Conclusie

.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/05399
Zitting28 februari 2022
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Weerden,
tegen
Officier van Justitie in het arrondissement Limburg,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als betrokkene respectievelijk officier van justitie.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak wordt geklaagd over de motivering van de rechtbank van de toewijzing van de verzochte zorgmachtiging. Het middel betoogt dat op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:202:1012 de rechtbank op het verweer van de advocaat ten aanzien van de opname van betrokkene in een accommodatie had moeten ingaan, zodat de rechtbank het oordeel ten onrechte niet (voldoende) heeft gemotiveerd.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Limburg ingekomen op 21 september 2021, heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene te verlenen voor de duur van zes maanden. Bij dat verzoekschrift is onder meer een medische verklaring overgelegd die op 20 september 2021 is ondertekend door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. De officier van justitie heeft voorgesteld – voor de gehele looptijd van de te verlenen machtiging – daarin de volgende vormen van verplichte zorg op te nemen:
- toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen ter behandeling van een psychische stoornis;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag beïnvloedende middelen;
- opnemen in een accommodatie.
2.2
De mondelinge behandeling van dat verzoek heeft plaatsgevonden op 30 september 2021. Gehoord zijn: betrokkene, bijgestaan door zijn raadsvrouw en raadsman en de officier van justitie.
2.3
Ter zitting heeft de raadsvrouw van betrokkene primair aangevoerd dat de officier van justitie niet voldaan heeft aan haar stelplicht. Subsidiair stelt de advocaat dat de actuele geestestoestand van betrokkene een zorgmachtiging niet rechtvaardigt. Volgens de aan het proces-verbaal aangehechte pleitnota heeft de raadsvrouw zich vervolgens op het standpunt gesteld dat niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid en daartoe het volgende aangevoerd:
“Aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit, doelmatigheid is in casu niet voldaan.
a. Opname in een gesloten instelling is
niet proportioneel, nu [betrokkene] goed is opgeknapt, abstinent is, medicatietrouw is en ambulante hulp wenst te verkrijgen. Opname in een gesloten instelling is een ultimum remedium en dient met grote terughoudendheid te worden toegepast.
b. Nu hij bereid is om vormen van verplichte zorg te accepteren, is opname een
te zwaar middel. Er is immers een
subsidiaire voorzieningmogelijk (ambulante hulpverlening). Inmiddels zou de partner van cliënt alternatieve huisvesting in het vooruitzicht hebben, hetgeen voor deze kwestie uiteraard heel belangrijk is. Opname in een accommodatie zou dus ook niet voldoen aan
het beginsel vansubsidiariteit.
c. Cliënt opsluiten zal contra-productief zijn. Hij vreest plaatsing in een gesloten instelling. Hij heeft reeds goede stappen gezet en ziet nu in, dat hij middels medewerking aan verbetering van zijn gezondheid en bestaan, een goede kans heeft om zijn leven op een aangenamere wijze te leiden. Verdachte geeft aan in het verleden slechte ervaring te hebben gehad, met verplichte zorg en wenst absoluut niet in een gesloten instelling te worden geplaatst. Hij geeft aan nog liever onvoorwaardelijke gevangenisstraf te ondergaan dan in een traject van opname in een gesloten instelling te belanden, waarmede evident is dat dit laatste in strijd zou zijn met
het beginsel van doelmatigheid.
d. Met betrekking tot het
beginsel van veiligheidzijn er andere wegen die leiden naar voorkomen van onveiligheid, namelijk het strafrecht.”
2.4
Mocht de rechtbank desondanks overgaan tot verlening van een zorgmachtiging, dan verzoekt de raadsvrouw om alleen die vormen van verplichte zorg toe te wijzen zoals verzocht in 1, 4, 5, 6 en 7 van het verzoekschrift en de vormen insluiting, beperken bewegingsvrijheid en opname in een accommodatie af te wijzen. Volgens de raadsvrouw geeft betrokkene de voorkeur aan een ambulante behandeling.
2.5
Bij beschikking van 30 september 2021 heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de door de officier van justitie verzochte vormen van verplichte zorg voor de duur van zes maanden. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen. Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan: schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, disruptieve, impulsbeheersings- en andere gedragsstoornissen en middelgerelateerde verslavingsstoomissen. Deze stoornissen leiden tot ernstig nadeel, gelegen in: grensoverschrijdend dan wel delictgedrag en overlast en dreigend gevaar voor buurtbewoners en omgeving en radiatoren. De rechtbank ziet geen mogelijkheden voor passende zorg op louter vrijwillige basis, zodat verplichte zorg nodig is. Ten aanzien van de vormen van verplichte zorg overweegt de rechtbank:
“De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op het zorgplan en de medische verklaring en het advies van de geneesheer-directeur.
(…)
De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste zorg is rekening gehouden met de veiligheid van betrokkene en met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen.
4.7. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
4.8. De rechtbank komt tot de conclusie dat is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. De zorgmachtiging zal dan ook worden verleend.(…)”
2.6
Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt onder verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad van 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012 [1] dat het oordeel van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd. Het middel betoogt dat de rechtbank niet is ingegaan op het verweer van de advocaat van betrokkene dat niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit, doelmatigheid en veiligheid. Op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van 5 juni 2020 onder rov. 4.2.4 was de rechtbank gehouden op dit verweer in te gaan, aldus het middel.
3.2
Bij beschikking van 5 juni 2020 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen over de motivering die de rechtbank dient te geven ten aanzien van de te verlenen verplichte zorg.
“Indien in de medische verklaring van de psychiater is vermeld dat een vorm van zorg waarvoor een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel wordt verzocht, noodzakelijk is om de crisissituatie af te wenden (art. 7:2 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz), kan de rechter volstaan met een verwijzing naar die medische verklaring. Indien echter de betrokkene bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van zorg, zal de rechter zijn beslissing op dat punt moeten motiveren. Zodanig bezwaar kan ertoe leiden dat de rechter de noodzakelijk geoordeelde zorg binnen een categorie van zorg zoals genoemd in art. 3:2 lid 2 Wvggz Pro, nader specificeert of beperkt, in het bijzonder indien het gaat om de ruim geformuleerde categorie genoemd onder a van die bepaling.”
3.3
De toenmalige plv. P-G Langemeijer heeft in de conclusie voor de genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 5 juni 2020 drie zorgcirkels onderscheiden in de Wvggz. De buitenste cirkel omvat de limitatieve wettelijke omschrijving van verplichte zorg in art. 3:2 lid 2 Wvggz Pro. De zorgmachtiging of de crisismaatregel mag geen andere vormen van verplichte zorg bevatten dan in die wettelijke bepaling is omschreven.
3.4
In de middelste cirkel bepaalt de rechter of burgemeester vooraf voor een bepaalde tijdvak welke verplichte zorg aan de individuele patiënt mag worden verleend. De behandelende artsen en andere zorgverleners mogen in dat tijdvak geen andere vormen van verplichte zorg verlenen dan die waarvoor de crisismaatregel, respectievelijk de machtiging, ruimte biedt. De uitspraak van de Hoge Raad van 5 juni 2020 valt binnen de middelste cirkel.
3.5
De binnenste cirkel wordt bepaald door de beslissing van de behandelend psychiater (‘zorgverantwoordelijke’), die van dag tot dag beslist welke verplichte zorg (dwangbehandeling) binnen de toegewezen zorgvormen in de zorgmachtiging of crisismaatregel (middelste cirkel) concreet aan de patiënt wordt gegeven. [2]
3.6
In de onderhavige zaak heeft de raadsvrouw van betrokkene ten aanzien van de verzochte opname in een accommodatie verweer gevoerd. Volgens de raadsvrouw is opname in een accommodatie niet proportioneel, voldoet het niet aan het subsidiariteitsbeginsel, zal opsluiting contra-productief zijn zodat het niet doelmatig is en zijn er andere mogelijkheden om onveiligheid te voorkomen.
3.7
De rechtbank overweegt in rov. 4.5 dat de genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op het zorgplan en de medische verklaring en het advies van de geneesheer-directeur. In het zorgplan is over de diagnose opgenomen:
“Het betreft een bijna 37-jarige man, langdurig bekend met polymiddelenmisbruik en sinds 2013 bekend met psychotische belevingen. In het verleden heeft dit meermaals geleid tot problemen op verscheidenen gebieden; werk, financiële situatie en justitie. Vanuit zijn psychotische belevingen heeft dhr. op 15 juni jl., een ernstig gevaar gevormd voor zichzelf en de omgeving door met een pistool te schieten op mensen die voortkwamen uit zijn paranoïde wanen. Hiervoor zit dhr. inmiddels in detentie. Hoewel dhr. zich aanvankelijk adequaat lijkt te presenteren is zijn informatie niet geheel in lijn met de voorinformatie en worden teksten meer en meer psychotisch gekleurd. Daarnaast is er sprake van incoherentie en spreekt dhr. geregeld in derde persoonsvorm. Er is sprake van ontbrekend probleembesef en probleeminzicht. Er is sprake van een gestoord oordeelsvermogen, waarbij dhr. niet meer in de realiteit staat.
Het gebruik van middelen en het niet therapietrouw innemen van zijn medicatie hebben een groot aandeel aan het ontwikkelen van de psychotische wanen waarbij dhr. zichzelf geregeld kan overschatten. [3]
3.8
Naar het oordeel van de zorgverantwoordelijke is verplichte zorg nodig. In de toelichting bij de beperking van de bewegingsvrijheid en het opnemen in een accommodatie is onder andere opgenomen dat de opname is ter stabilisatie, instellen en monitoren van medicatie, inbedding van zorg, bieden van structuur, abstinentie van middelen bereiken en behouden, probleembesef en -inzicht vergroten en toewerken naar een daginvulling. Verder is opgemerkt:
“Dhr. is momenteel niet voornemens medicatie te gaan gebruiken, noch om gehele abstinentie te bereiken en te behouden. Er is sprake van onvoldoende probleembesef en -inzicht. Eerder ingezetten initiatieven tot zorg en behandeling om de situatie en psychische toestand van dhr. te stabiliseren zijn niet van blijvende aard geweest.
e. Hoe is rekening gehouden met de voorkeuren of zienswijze van betrokkene, vertegenwoordiger en/of relevante familie en naasten ten aanzien van de zorg zoals vastgelegd op de zorgkaart (indien aanwezig)Dhr. wenst ambulante zorg. Betrokkenen geven aan een klinische opname als noodzakelijk te zien voor behandeling van de psychische problematiek, waarbij medicatie een verplicht onderdeel wordt van deze zorg.”
3.9
De zorgverantwoordelijke heeft over de eigen beleving van betrokkene en duiding van wat er aan de hand is opgenomen:
“Dhr. geeft aan niet psychotisch te zijn. Er zou wel sprake zijn van ADHD, gediagnosticeerd in 2013, en middelen gebruik. Dhr. vertelt dat hij toentertijd meegewerkt heeft aan de behandeling en vanuit daar zijn zaken goed op orde had. Zo had hij een woning en was er een regeling voor zijn schulden getroffen. Volgens dhr. volgde hierna bijna tien jaar geen problemen.
Hij vertelt verder in gesprek dat hij ruim 21 jaar cannabis rookt en momenteel niet stoned kan worden hiervan. De laatste vijf jaar is zijn gebruik toegenomen tot 3-5 gram per dag, waarbij soms 10 gram per dag. Er is tevens sprake van alcoholgebruik in combinatie met cocaïne gebruik. Dhr. drinkt 1-3 dagen per week alcohol, waarbij hij soms een geheel weekend doordrinkt. Hij start dan met 25-30 bier, snuift dan cocaïne en gaat dan over op sterke drank van 40% die dhr. mixt met frisdrank. Daarnaast neemt hij een Temazepam bij het alcohol- en cocaïnegebruik. Dhr. vergelijkt zichzelf met Maradona; 'hij is goed in voetballen en snuiven'. Het middelengebruik neemt toe wanneer er sprake is van stress verhogende factoren (bv. ruzie met partner, aanwezigheid van spotters/hitmans). Dhr. vertelt verder dat hij door het gebruik agressief wordt. Dit heeft tot de nodige fysieke agressie geleid, waarbij hij met momenten 'zijn echte vechtersbaas' is tegengekomen en zelf in het ziekenhuis is beland.
(…)
Dhr. vertelt dat hij zijn hele leven in [plaats] woont en zijn flat niet uit wilt. Hij uit hierbij dreigementen naar specifieke personen van de woningcorporatie. Dhr. benoemt duidelijk dat deze dreigementen genoteerd mogen worden en hij degene zou pakken die verantwoordelijk zijn voor het verliezen van zijn flat. Wanneer dhr. in detentie moet, zou partner met haar uitkering de flat kunnen bekostigen. Dhr. is van mening dat er geen sprake is van een psychose, maar enkel ADHD en verslavingsproblematiek. Dhr. wenst aan deze verslavingsproblematiek te werken. Het liefst door middel van een ambulant behandeltraject, waarbij hij terug naar zijn flat zou kunnen en cannabisgebruik kan continueren. Daarnaast zegt dhr. smetvrees te hebben en het liefst thuis is.”
3.1
In de medische verklaring komt de psychiater tot de (voorlopige) diagnose: psychotische stoornis (middelen geïnduceerd). Over de actuele psychische toestand merkt de psychiater op:
“Betrokkene gesproken in een gespreksruimte van het PPC Vught. Betrokkene geeft te kennen dat het op dit moment goed met hem gaat. Hij voelt zich rustig, wordt correct behandeld en geeft aan terug te kijken op een onrustige periode, waarin hij kampte met achterdocht en verwardheid.
Deels zou hierin zijn cannabis gebruik een oorzaak kunnen zijn geweest; dit gebruikt hij – vanwege zijn detentie - nu al geruime tijd niet en daardoor denkt hij dat het beter met hem gaat.
Betrokkene spreekt zich minder expliciet uit in zijn antwoord op de vraag of hij zijn gebruik gestopt wil en kan houden.Ook op de vraag of hij na zijn detentie hulp en/of begeleiding vanuit de ggz nodig heeft, beantwoord hij niet heel concreet. Hij benadrukt daarbij enkele keren dat hij die hulp ambulant wil aanvaarden, maar zelf het niet ziet zitten om nog langer opgenomen te blijven.” [4]
3.11
Op de vraag of er mogelijkheden zijn om de noodzakelijke zorg op vrijwillige basis kan worden verleend wordt in de medische verklaring opgemerkt:
“Er is enig probleembesef, maar weinig tot geen inzicht. Echter er is weinig inzicht en de motivatie om meer structuur en zingeving in zijn leven te creeeren komt op ondergetekende oppervlakkig en sociaal wenselijk over. De inschatting is dat betrokkene bij terugkeer in zijn gebruikelijke sociale context, toch ook weer cannabis (en/of andere middelen) zal gaan gebruiken en een recidief episode overeenkomstig of vergelijkbaar met de eerdere paranoid psychotische decompensatie optreed.”
3.12
Ook de geneesheer-directeur wijst er in zijn bevindingen op dat de behandelmotivatie niet consistent is en dat betrokkene niet de noodzaak tot klinische behandeling onderkent. Ter zitting is door de officier van justitie ook nog benadrukt dat opname in een accommodatie nodig is:
“Meneer heeft weinig probleeminzicht. Er is structuur en zingeving nodig. Wanneer verdachte terug zou keren, zou hij weer terugvallen. Het opnemen van meneer is de enige juiste reactie. De verplichte zorg is nodig en dit is ook voldoende onderbouwd. Dan komt het zorgplan. Alles wordt daarin toegelicht. De conclusie is dat zes maanden medicatie met controles en handelingen de juiste weg is.”
3.13
In het licht van deze stukken is het oordeel van de rechtbank dat alle vormen van verplichte zorg, waaronder dus ook de opname van betrokkene, evenredig en effectief zijn niet onbegrijpelijk, evenals het oordeel dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn. Dat betrokkene ter zitting heeft aangegeven medicatie te gebruiken en mee te willen werken indien hij ambulant behandeld wordt, doet aan het oordeel van de rechtbank niet af. Zoals uit het zorgplan volgt (onder rubriek 3) blijkt dat de afgelopen tien jaar niet probleemloos zijn verlopen en betrokkene al vaker ambulante behandelingen heeft doorlopen, maar dat deze behandelingen geen langdurig effect hebben gehad. De opname in een accommodatie en het beperken van de bewegingsvrijheid zijn, zoals toegelicht in het verzoekschrift van de officier van justitie, nodig om er onder andere voor te zorgen dat betrokkene kan worden ingesteld op medicatie en het gebruik kan worden gecontroleerd. Ook is als doel gesteld om het probleembesef en – inzicht te vergroten. De rechtbank hoefde deze vormen van verplichte zorg in de beschikking niet expliciet nader toe te lichten aangezien de stukken voor zich spreken. Daarin licht besloten dat het verweer van de advocaat van betrokkene door de rechtbank is verworpen. Een nadere specificatie of beperking van de categorie van zorg zoals zich in de uitspraak van de Hoge Raad van 5 juni 2020 voordeed, is in de onderhavige zaak niet van toepassing. De zorg “opname in een accommodatie” kan enkel wat de duur en locatie betreft nader ingevuld worden. Nu het verweer van de advocaat hier echter niet op ziet, faalt het onderdeel dan ook.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De Hoge Raad heeft bij beschikking van 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:284 een soortgelijke uitspraak gedaan.
2.Conclusie plv. PG Langemeijer van 3 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:356, onder 3.15. Zie ook mijn conclusie van 7 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:20.
3.Onderstreping A-G.
4.Onderstreping A-G.