Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Procesverloop
3.Het eerste middel
DerhalveGelet op het ontbreken van de relevante stukken die essentieel zijn voor de onderbouwing van het klaagschrift, welke door het OM aan het beklagdossier hadden moeten worden toegevoegd. Omdat de rechtmatigheid, van de nog in beslag genomen goederen gelegen ligt in de ontbrekende stukken, en deze door de verdediging betwist worden, verzoekt de verdediging Uw Rechtbank vriendelijk het OM een redelijk termijn te geven om deze stukken alsnog aan het dossier toe te voegen, zodat het klaagschrift naar behoren onderbouwd kan worden. Bij eventueel verzuim door het OM om deze stukken toe te voegen, wordt u – mede gelet op de AG Vellinga bij HR 30 oktober 2012, LJN BU8735 en BU8737 – vriendelijk verzocht niet al te hoge eisen te stellen aan de onderbouwing van het klaagschrift op grond van dit arrest van de Hoge Raad, te weten HR 30 oktober 2012, LJN BU8735 en BU8737, waarin is bepaald dat in bepaalde gevallen een last tot het aannemelijk maken van de feitelijke grondslag van een beklag niet uitsluitend op de klager mag worden gelegd.
Raadsvrouw:
Ik heb er moeite mee dat ik de belangen van klager op deze manier niet op correcte wijze kan verdedigen. Ik heb een verdedigingsbelang bij het inzien van de (geheime) stukken. Klager heeft geen enkel idee waarom de auto onder hem in beslag is genomen en zou ook niet weten waar hij strafrechtelijk van wordt verdacht (in België). Kortom, klager is zich van geen kwaad bewust. Ook ik heb geen enkel idee waar klager van wordt verdachte dan wel wat de reden van de inbeslagname is. Er is op dit moment geen equality of arms vandaar dat ik persisteer in mijn verzoek tot inzage van alle stukken die betrekking hebben op deze zaak.”
4.Het tweede middel
3. In afwijking van het eerste lid, kan indien de uitvaardigende autoriteit voldoende heeft gemotiveerd dat een onmiddellijke overdracht essentieel is voor het goede verloop van het onderzoek of voor de bescherming van de individuele rechten, aan de uitvaardigende autoriteit bewijsmateriaal vergaard ter uitvoering van het bevel voorlopig ter beschikking worden gesteld, indien en voor zover dit geen ernstige en onomkeerbare schade toebrengt aan de belangen van de belanghebbende. De voorlopige terbeschikkingstelling vindt plaats onder de voorwaarden dat het Nederlandse recht onverkort blijft gelden ten aanzien van de overhandigde resultaten en dat het gebruik daarvan als bewijsmiddel pas mogelijk is nadat deze definitief ter beschikking worden gesteld.
4. (…)
Art. 5.4.10
1. (…)
2. (…)
3. (…)
4. De rechtbank beslist binnen dertig dagen na ontvangst van het klaagschrift. (…)
5. (…)”
5.Het derde middel
De inbeslaggenomen personenauto is voor [klager] van belang om op zijn werk te kunnen verschijnen. In verband met zijn baan als onderaannemer dient [klager] veelvuldig te reizen en het gemis van zijn auto is daarbij ondenkbaar. Daarnaast liggen er nog andere goederen in zijn auto die van cruciaal belang zijn voor [klager], mede om zijn werk uit te kunnen voeren, zoals zijn werkkleding, veiligheidshelm, toegangssleutels/passen etc.. Zijn werkkleding en veiligheidshelm, zijn noodzakelijk om te kunnen werken op de bouw. Deze werkkleding en veiligheidshelm, zijn op grond van de regels rondom de bouw verplicht. Zonder deze kleding en veiligheidshelm, mag iemand de bouwplaats niet op. Geen toegang tot de bouwplaats, betekent voor [klager] dat hij zijn werk niet kan uitvoeren. Deze veiligheidshelm en werkkleding zijn voor hem als ZZP’er niet vervangbaar, gelet op het feit dat deze zeer prijzig zijn en dit onnodige kosten en een verliespost voor [klager] opleveren. Tevens lagen er diverse pasjes in zijn auto, deze pasjes verschaften [klager] toegang tot diverse plaatsen op de bouwplaats en fungeerde dan ook als toegangssleutel. De pasjes zijn voor [klager] dan ook onmisbaar. Zonder deze pasjes kan hij niet op de bouwplaats verschijnen en de werkzaamheden van zijn bedrijf niet exploiteren. Dit maakt dat [klager] vreest voor verlies van werk/zijn baan, omdat [klager] vreest dat de aannemer die hem inhuurt, naar aanleiding van dit oponthoud besluit niet langer van zijn diensten gebruik wenst te maken. [klager] lijdt een enorm inkomsten verlies, omdat het op dit ogenblik onmogelijk is om zijn werk uit te voeren.”
De rechtbank neemt verder tot uitgangspunt dat in een geval als het onderhavige, waarin op grond van art. 94 Sv Pro beslag is gelegd ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel, bij de beantwoording van de vraag of het strafvorderlijk belang – ook wanneer dit niet is beperkt tot het Nederlandse strafvorderlijk belang – het voortduren van het beslag vordert, in beginsel verondersteld mag worden dat het recht van de lidstaat dat het Europees onderzoeksbevel heeft uitgevaardigd voorziet in een regeling die materieel rechtelijk overeenkomt met hetgeen geldt naar Nederlands recht. Dit mede gelet op het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op hetgeen in het Europees onderzoeksbevel is gerelateerd het belang van strafvordering de voortduring van het beslag op voornoemde voorwerpen vordert. Aannemelijk is dat deze voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv Pro gelegde beslag ongegrond verklaren.”