Conclusie
€ 24.966,50. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen:
“zonder toestemming een merk dragen dat gelijk is aan het voor deze waren ingeschreven Uniemerk of in zijn belangrijkste onderdelen niet van dat merk kan worden onderscheiden”. Vóór de inwerkingtreding van deze bepaling kon (alleen) de Douane op grond van de Anti-piraterijverordening (Verordening (EU) nr. 608/2013 van 12 juni 2013, hierna: APV) handhavend optreden tegen namaakgoederen die de douanestatus van niet-communautaire goederen hebben. De APV is blijkens paragraaf 6 van de considerans nadrukkelijk niet van toepassing op inbreuken die het gevolg zijn van aan de merkhouder voorbehouden handelingen met oorspronkelijke merkgoederen, zoals het geval is bij illegale parallelhandel en hoeveelheidsoverschrijdingen. Namaakgoederen zijn in de APV gedefinieerd als:
“goederen die het voorwerp zijn van een handeling waarmee inbreuk wordt gemaakt op een fabrieks- of handelsmerk in de lidstaat waar de goederen worden aangetroffen, en waarop zonder toestemming een teken is aangebracht dat identiek is aan het geldig geregistreerde fabrieks- of handelsmerk voor dergelijke goederen of daarvan niet wezenlijk kan worden onderscheiden”.Uit de in artikel 9 lid 4 UMVo Pro gebruikte vrijwel gelijke bewoordingen moet worden afgeleid dat deze bepaling – net als de APV – niet ziet op oorspronkelijke merkgoederen.
Op de gevolgen die uit het arrest Philips/Nokia voortvloeien, is heel wat kritiek van belanghebbenden gekomen, die van mening zijn dat daardoor een onredelijk zware bewijslast op houders van rechten komt te liggen en de strijd tegen namaak wordt gehinderd. Het is duidelijk dat in Europa snel een regelgevingskader moet worden ingevoerd om de strijd tegen deze snel groeiende namaakactiviteiten daadwerkelijk te kunnen aanvatten. Daarom wordt voorgesteld de bestaande lacune op te vullen en houders van rechten de mogelijkheid te bieden het binnenbrengen van waren in het douanegebied van de Unie door derden te verhinderen, wanneer deze waren zonder toestemming een merk dragen dat in wezen gelijk is aan het voor deze waren ingeschreven merk en ongeacht of de waren al dan niet in de vrije handel worden gebracht”.
“Het „invoeren” in de zin van artikel 5, lid 3, sub c, van de richtlijn en artikel 9, lid 2, sub c, van de verordening, waartegen de merkhouder zich kan verzetten voorzover dit een „gebruik [van het merk] in het economisch verkeer"in de zin van lid 1 van elk van deze artikelen impliceert, veronderstelt dus een binnenbrengen van de goederen in de Gemeenschap met als doel ze aldaar in de handel te brengen.” Daaruit volgt dat voor de vraag of een merkhouder zich tegen het binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de EU/EER kan verzetten, relevant is of de goederen al dan niet in het vrije verkeer zijn gebracht. Immers, uit derde landen afkomstige goederen worden niet in de EU/EER in de handel gebracht indien zij zich niet in het vrije verkeer bevinden in de zin van artikel 29 VWEU Pro (artikel 24 EG Pro oud). Bij de Douane aangebrachte goederen uit derde landen moeten een voor die goederen toegestane douanebestemming krijgen. Zij kunnen (onder meer) onder een bijzondere douaneregeling worden geplaatst, in het vrije verkeer worden gebracht of weer uitgevoerd worden. Zolang uit derde landen afkomstige goederen niet in het vrije verkeer zijn gebracht, worden deze aangemerkt als niet-Uniegoederen (voorheen: niet-communautaire goederen). Over deze goederen worden geen invoerrechten en accijnzen geheven.
2.Bespreking van de middelen
Inleiding
Onderdeel 1bestrijdt het oordeel in rov. 4.3 dat de bepaling van art. 438 lid Pro 5 (oud) Rv, niettegenstaande het feit dat RPM niet tevens [de logistiek dienstverlener] heeft gedagvaard, onder de gegeven omstandigheden niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van RPM in haar vorderingen.
Onderdeel 2keert zich tegen het oordeel in rov. 4.5-4.12 dat art. 9 lid 4 UMVo Pro [2] niet van toepassing is in de hier aan de orde zijnde omstandigheden, waarbij als onbestreden vaststaat dat de Partij oorspronkelijke van PMP zelf afkomstige merkgoederen betreft, die nog niet door PMP of met haar toestemming in de EER in de handel zijn gebracht.
Onderdeel 3richt zich tegen de oordelen in rov. 4.12-4.16 en stelt de reikwijdte van het
Class-arrest [3] aan de orde.
Onderdeel 4komt op tegen het oordeel in rov. 4.19 dat de regelgeving die volgens PMP door RPM (of de koper) dreigt te worden overtreden of ontdoken, zoals die omtrent tabaksontmoedigingsbeleid, tabaks- en warenwetgeving, verpakkingseisen en de afdracht van accijnzen, invoerrechten en/of andere belastingen, strekt tot de bescherming van consumenten en de maatschappij, in het bijzonder de volksgezondheid, maar niet tot bescherming van de belangen van tabaksfabrikanten als PMP bij de voorkoming van reputatieschade en het behoud van controle over hun distributienetwerk.
Onderdeel 1keert zich tegen rov. 4.3 en klaagt over de toepassing van art. 438 lid Pro 5 (oud) Rv.
Onderdeel 2bestrijdt de volgende passage in rov. 4.15: “
Vast staat dat de Partij afkomstig was uit een derde land en dat deze niet in het vrije verkeer is gebracht in de zin van het Douaneboek van de Unie (voorheen communautair douanewetboek, hierna DWU). Over de Partij zijn geen invoerrechten en accijnzen betaald. Ingevolge artikel 5, onder 24 DWU moet de Partij daarom worden aangemerkt als niet-Uniegoederen. Of al dan niet, en zo ja door wie en op welk moment, een T1 aangifte is gedaan is niet relevant voor de vraag of PMP kan optreden tegen het binnenbrengen van de Partij in het douanegebied van de EU en kan daarom in het midden blijven.”
Subonderdeel 1.1bestrijdt dit oordeel met de rechtsklacht dat de regel van art. 438 lid Pro 5 (oud) Rv van dwingend recht is en daarop in het belang van de executant en de geëxecuteerde geen uitzonderingen dienen te worden aanvaard, althans dat dat alleen met de grootst mogelijke terughoudendheid kan en dat het hof dat heeft miskend.
Subonderdeel 1.2keert zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen de passage uit rov. 4.3 dat het buiten iedere twijfel is verheven dat [de logistiek dienstverlener] geen enkel zelfstandig belang heeft bij de Partij, nu zij daarop geen aanspraak maakt en ook geen andere belangen van [de logistiek dienstverlener] daarbij zijn gesteld of aannemelijk geworden.
Volgens de
rechtsklachtis dit onjuist voor zover het hof van opvatting is dat het aan PMP (of RPM) zou zijn om stellingen in te nemen over de eventuele aanspraken en belangen van [de logistiek dienstverlener] : dat is uitsluitend aan [de logistiek dienstverlener] zelf.
Volgens de
motiveringsklachtis de passage dat [de logistiek dienstverlener] geen aanspraak maakt op de Partij en ook geen andere belangen van [de logistiek dienstverlener] daarbij zijn gesteld of aannemelijk geworden onbegrijpelijk, omdat [de logistiek dienstverlener] niet is gedagvaard en niet in het geding is verschenen en haar standpunt over haar eventuele aanspraken en belangen (dan ook) niet in dit geding kenbaar heeft gemaakt.
Subonderdeel 1.3bevat geen klacht, maar stelt dat de passage uit rov. 4.3 dat [de logistiek dienstverlener] de Partij niet in haar macht heeft en zich daarop evenmin jegens RPM zou kunnen verhalen, het voorgaande niet anders maakt.
“Verzet tegen de executie door een derde geschiedt door dagvaarding van zowel de executant als de geëxecuteerde.”Dit artikel is in art. 705 lid 3 Rv Pro van overeenkomstige toepassing verklaard op vorderingen tot opheffing van conservatoir beslag: de derde, die tegen een conservatoir beslag wil opkomen, moet zowel de beslaglegger als de beslagene in kort geding dagvaarden [5] .
Volgens het hof wordt met dit voorschrift beoogd de zelfstandige belangen van een geëxecuteerde te beschermen en die belangen hoeven niet parallel te lopen met die van de derde die zich tegen executie of het beslag verzet (rov. 4.3). Deze vooropstelling wordt in cassatie terecht niet bestreden.
exceptio plurium litis consortium) [10] . Maakt een partij die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding niet (of niet tijdig) van voornoemde gelegenheid gebruik, dan dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering respectievelijk het door haar aangewende rechtsmiddel [11] .
often laste van [de logistiek dienstverlener] onder een derde (rov. 2.9). RPM is eigenaar van de Partij (rov. 4.2) en heeft gevorderd dat de rechter het gelegde verbod opheft. De klachten volgen in de subonderdelen 1.1-1.3.
Uit rov. 4.3 volgt in mijn ogen dat het hof PMP heeft aangemerkt als executant/beslaglegger, [de logistiek dienstverlener] als geëxecuteerde/beslagene en RPM als derde die zich tegen de executie/het beslag verzet; dit alles in de zin van art. 705 lid 3 Rv Pro jo. art. 438 lid Pro 5 (oud) Rv. Het hof beoordeelt immers of RPM (als derde) niet alleen PMP (de executant/beslaglegger), had moeten dagvaarden, maar ook [de logistiek dienstverlener] (als geëxecuteerde/beslagene). Dit blijkt ook uit het feit dat het hof in rov. 4.3 voorop heeft gesteld dat art. 438 lid Pro 5 (oud) Rv beoogt de zelfstandige belangen van de geëxecuteerde te beschermen (zie hiervoor in 2.6), en het hof in zijn oordeel vervolgens betrekt wat het hof bekend is over de zelfstandige belangen van [de logistiek dienstverlener] bij de Partij [14] .
“ten laste van”[de logistiek dienstverlener] beslag gelegd, en daarin wordt [de logistiek dienstverlener] ook aangeduid als “
beslagene”:
aldaar heb ik
ten laste van beslagene,
IN GLOBAAL CONSERVATOIR BESLAG TOT AFGIFTE GENOMEN:(…)
” [17] (Onderstrepingen A-G)
onder[de logistiek dienstverlener] als expediteur en douane-entreposeur ten laste van eigenaar RPM, de opdrachtgever van [de logistiek dienstverlener] ,
of ten lastevan [de logistiek dienstverlener] onder een derde, omdat uit het arrest dan niet kan worden opgemaakt welke partij als ‘geëxecuteerde’ en welke partij als ‘derde’ kwalificeert in de zin van art. 438 lid Pro 5 (oud) Rv. Althans het hof heeft volgens de klacht met zijn oordeel in rov. 4.3 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat voor de vraag of art. 438 lid Pro 5 (oud) Rv toepasselijk is het hof niet in het midden mocht laten of RPM als ‘derde’ of als ‘geëxecuteerde’ kwalificeert.
“Althans”) in een situatie als de onderhavige, waarin door de beslaglegger PMP in haar verzoekschrift [24] en de rechter in het verlof [25] in het midden wordt gelaten of het beslag
onder of ten lastevan [de logistiek dienstverlener] wordt gelegd, RPM geen rekening met art. 438 lid Pro 5 (oud) Rv behoefde te houden. In feitelijke instanties is geen debat geweest over de eventuele toepasselijkheid van art. 438 lid Pro 5 (oud) Rv en de hoedanigheid van [de logistiek dienstverlener] en/of RPM in dit verband [26] . Een redelijke toepassing van art. 438 lid Pro 5 (oud) Rv brengt volgens de klacht in die situatie mee dat de rechter dit artikel niet (ambtshalve) toepast, hetgeen het hof heeft miskend. Het hof had partijen eerst in de gelegenheid dienen te stellen zich over de toepasselijkheid van art. 438 lid Pro 5 (oud) Rv uit te laten, althans RPM eerst in de gelegenheid dienen te stellen om [de logistiek dienstverlener] op de voet van art. 118 Rv Pro alsnog in het geding te roepen [27] .