Conclusie
1.Verkorte aanduiding partijen en samenvatting cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
res judicata" zijn, en "
immediately enforceable".
[verzoekster] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 14 april 2020 heeft het Gemeenschappelijk hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof) de beschikking van het GEA in hoger beroep bevestigd, met dien verstande dat het verlof tot tenuitvoerlegging is beperkt tot de Jersey Trial Judgment en de Act of Court van 11 september 2017. [7]
- aan BNP verlof verleend om over te gaan tot verkoop en overdracht van de door haar op 9 november 2018 in beslag genomen aandelen in het kapitaal van Croci;
- bepaald dat BNP de gelegenheid krijgt om de aandelen binnen één jaar na dagtekening van deze beschikking in het openbaar te verkopen; en
- [belanghebbende 2] aangewezen als deurwaarder die met de executie is belast en hem voorts belast met de in de wet aan hem opgedragen taken, als onderdeel waarvan hij binnen twee maanden na de dagtekening van deze beschikking een deskundige aanstelt voor het bepalen van de waarde van de aandelen.
Vervolgens heeft het hof bij beschikking van 6 april 2021 [12] (hierna: de bestreden beschikking) de beschikking van het GEA bevestigd, met verlenging van de door het GEA bepaalde termijn voor de verkoop van de aandelen met een jaar. Het in het incidenteel appel verzochte is voor het overige afgewezen (rov. 2.12).
BNP heeft verweer gevoerd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
(i) Executoriaal beslag op aandelen (art. 474c e.v. RvC)
De Curaçaose regering had aanvankelijk niet het voornemen om deze afdeling op te nemen, maar is daartoe onder aandrang vanuit de advocatuur en de off shore-sector op teruggekomen. Daarbij is de in Nederland sedert 1972 geldende regeling, die per 1 januari 1992 was aangepast aan het nieuwe executie- en beslagrecht, overgenomen. [17]
In deze zaak zijn het Jersey Trial Judgment en de Act of Court uitvoerbaar verklaard op grond van het Nederlands-Brits Executieverdrag (hierna: het Verdrag). [23] Niet ter discussie staat dat dit Verdrag op deze vonnissen van toepassing is. [24]
Deze rechtsoverweging is in cassatie niet bestreden.
In de leden 1 en 2, die gelijkluidend zijn aan het eerste en tweede lid van het Nederlandse art. 441 Rv Pro, is het volgende bepaald:
die akte zelvede hoegrootheid van het verschuldigde bedrag niet kan blijken; dat evenwel zoodanige beperking in de wet niet is gesteld, ook niet in art. 499 van Pro het Wetboek [(oud) dat handelt over de gedwongen verkoop van onroerende goederen, A-G], en voor ten uitvoerlegging vatbaar is ook de grosse eener akte, wanneer deze den weg aangeeft langs welken op voor den schuldenaar bindende wijze het krachtens de acte verschuldigd bedrag kan worden vastgesteld;
Slotsom
Blijkt de omvang van de vordering uit de executoriale titel, dan staat daarmee vast dat zij is vereffend en dan is art. 441 lid 2 Rv Pro dus niet van toepassing. Uit de wetsgeschiedenis van art. 441 Rv Pro valt evenwel niet af te leiden dat de omvang van de vordering
moetblijken uit de executoriale titel. De wet houdt niet meer in dan dat de voortzetting van de executie pas kan aanvangen als de vordering
isvereffend. [44] Logischerwijs wordt de omvang van de vordering, in het geval deze niet uit de executoriale titel blijkt, dus pas daarna vastgesteld, en wel op basis van nadere gegevens. Waren deze gegevens eerder bekend, dan hadden deze immers bij het vaststellen van de executoriale titel een rol gespeeld.
Anders dan het onderdeel veronderstelt, zijn de rov. 2.7 en 2.8 dan ook niet ten overvloede gegeven.
Het onderdeel faalt daarom.
Kernklacht van
subonderdeel 2.1is dat het oordeel van het hof dat de vordering voldoende is vereffend, rechtens onjuist is, omdat deze vraag uitsluitend kan worden beantwoord aan de hand van de executoriale titel zelf. De executoriale titel bestaat in dit geval echter enkel uit de Jersey Trial Judgment en de Act of Court van 11 september 2017, waaruit niet volgt wat de precieze betalingsverplichting van [verzoekster] is. Door acht te slaan op andere documenten, waaronder het Fourth Certificate, zou het hof feitelijk zijn overgegaan tot tenuitvoerlegging van een vreemd vonnis waarvoor geen exequatur is verleend, en daarmee een rechtens onjuiste beslissing hebben gegeven.
Subonderdeel 2.2klaagt dat het oordeel van het hof dat de vordering van BNP voldoende duidelijk blijkt uit de Acts of Court en het Fourth Certificate, onvoldoende is gemotiveerd. Volgens het subonderdeel is het hof met dat oordeel voorbijgegaan aan de essentiële stelling van [verzoekster] dat de vraag of de vordering is vereffend in de zin van art. 441 RvC Pro enkel kan worden beoordeeld aan de hand van de vonnissen waarvoor exequatur is verleend, en dat daarbij geen andere uitspraken en documenten kunnen worden betrokken, omdat zich dit niet verdraagt met art. 985 en Pro 474g RvC.
Subonderdeel 3.1heeft betrekking op het oordeel dat (i) het onwaarschijnlijk is dat de functionaris van het Royal Court onjuist heeft verklaard en (ii) dat de beschuldigingen van [verzoekster] dat BNP nog niet heeft betaald of de Royal Court op dit punt zou hebben misleid, genoegzaam zijn ontkracht. Volgens het subonderdeel kan dit niet rechtvaardigen waarom het hof zijn oordeel dat de vorderingen van BNP voldoende zijn vereffend kon baseren op drie Acts of Court en het Certificate waarvoor geen exequatur is verleend. Volgens het subonderdeel heeft het hof hiermee een onjuist, dan wel onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Het hof heeft dat betoog verworpen, onder meer door erop te wijzen dat onwaarschijnlijk is dat BNP kostbare pogingen tot verhaal zou ondernemen als zij nog niet zou hebben betaald. Ook is volgens het hof aannemelijk dat de crediteuren van [verzoekster] en BNP zich in dat geval tot [verzoekster] zouden wenden, maar is dat niet gebleken. Voor samenspanning tussen BNP en [dochter 2] bestaat volgens het hof geen aanwijzing. Al met al komt het betoog van [verzoekster] volgens het hof neer op een betwisting bij gebrek aan wetenschap; [verzoekster] heeft ook niet gesteld dat zij heeft gevraagd om inzage in de betalingsbewijzen bij BNP of de Royal Court. Met deze overwegingen heeft het hof uitvoerig gemotiveerd waarom er geen aanwijzingen zijn dat de Acts of Court en het Fourth Certificate op onjuiste gegevens of valse stukken zijn gebaseerd. De overwegingen worden bovendien op zichzelf niet bestreden. Ook daarop loopt de motiveringsklacht van subonderdeel 3.1 stuk.