Conclusie
KPN) maakt gebruik van antennelocaties, waarvoor zij aan de eigenaren van de antennelocaties huur en retributies betaalt. De eigenaren hebben hun huur- en retributievorderingen op KPN in vruchtgebruik gegeven aan eiseres tot cassatie (hierna:
Telecom Vastgoed). Doel van deze constructie is om Telecom Vastgoed bevoegd te maken tot inning van de huurpenningen en retributies. Tussen KPN en Telecom Vastgoed is een geschil gerezen over de rechtsgeldigheid van het vruchtgebruik. Het hof heeft geoordeeld dat het gesloten stelsel van het goederenrecht zich verzet tegen een vruchtgebruik zoals tussen Telecom Vastgoed en de eigenaren overeengekomen, onder meer omdat het beoogde object van vruchtgebruik (de huur- en retributievorderingen) samenvalt met de beoogde vruchten (de huurpenningen en retributies). Verder heeft het hof geoordeeld dat Telecom Vastgoed, door de wijze waarop zij uitvoering wenst te geven aan het vruchtgebruik, misbruik van bevoegdheid maakt en onrechtmatig handelt jegens KPN. Tegen deze drie zelfstandig dragende gronden (geen rechtsgeldig vruchtgebruik, rechtsmisbruik en onrechtmatig handelen) is het cassatiemiddel gericht.
1.Feiten en procesverloop
non-recourse loan’. [5] APWireless maakt winst als er een positief verschil bestaat tussen enerzijds de kasstromen die zij op de lange termijn ontvangt en anderzijds de afkoopsommen die zij per direct investeert. APWireless heeft er belang bij dat haar investeringen worden terugbetaald door een paar grote kapitaalkrachtige bedrijven en niet door een grote hoeveelheid particulieren of kleinere bedrijven (zoals het gros van de eigenaren). Om dat te bereiken, bepaalt zij voor ieder land haar lokale investeringsstructuur op basis van lokaal geldend recht.
akte houdende de (…) vestiging van vruchtgebruik op huurpenningen’ (hierna: de Akten). [7] Deze Akten vermelden (in essentie, in soms afwijkende bewoordingen) onder meer: [8]
- a) dat Telecom Vastgoed de huurpenningen wenst te verkrijgen en dat daartoe een 'vruchtgebruik op de huurpenningen’ zal worden gevestigd (considerans sub d);
- b) dat het recht van vruchtgebruik rust op ‘de periodieke huurpenningen, alsmede op alle andere geldelijke verplichtingen welke als vorderingsrechten van de Eigenaar voortvloeien uit de Huurovereenkomst’ (art. 3);
- c) dat Telecom Vastgoed het recht heeft om de goederen waarop het vruchtgebruik rust ‘te gebruiken, te verpanden en daarvan de vruchten te genieten’ (art. 4 sub Pro a);
- d) dat als vruchten in de zin van art. 3:9 BW Pro worden beschouwd ‘de periodieke huurpenningen, alsmede alle andere geldelijke verplichtingen welke als vorderingsrechten voortvloeien uit de Huurovereenkomsten’ (art. 4 sub Pro a).
- e) dat Telecom Vastgoed het recht heeft tot ‘gehele of gedeeltelijke vervreemding en vertering van aan het vruchtgebruik onderworpen goederen’ (art. 4 sub Pro b);
- f) dat partijen verstaan dat met deze akte ‘geen vruchtgebruik of enig ander zakelijk recht op het Registergoed [de antennelocatie;
akte houdende (…) de vestiging van vruchtgebruik op retributie/andere geldelijke verplichtingen’ (hierna eveneens: de Akten). [11] Deze Akten zijn in essentie gelijkluidend aan de onder (vi) vermelde Akten, met dien verstande dat de woorden ‘huurovereenkomst’ en ‘huurpenningen’ zijn vervangen door ‘recht van opstal’ en ‘retributies’.
non-recourse loan’. Deze constructie denatureert volgens KPN het recht van vruchtgebruik op ontoelaatbare wijze. Bovendien meent KPN dat niet aan de wettelijke vereisten voor vruchtgebruik is voldaan. In dat kader wijst KPN er onder meer op dat in de Akten het goed waarop het vruchtgebruik rust (de huur- en retributievorderingen) en de vruchten (de huurpenningen en retributies) goeddeels samenvallen. Zo al sprake zou zijn van een rechtsgeldig gevestigd vruchtgebruik, dan is volgens KPN sprake van misbruik van bevoegdheid c.q. onrechtmatig handelen, gelet op de intenties van Telecom Vastgoed bij de vruchtgebruikconstructie en de gevolgen daarvan voor KPN. [19]
toekomstigehuur- en retributievorderingen betrof) en de voorlopige voorziening (strekkende tot veroordeling van KPN tot betaling van een voorschot) spelen in cassatie geen rol. [21]
uitvoeringwenst te geven aan het recht van vruchtgebruik, de toets der kritiek niet kan doorstaan (rov. 4.1, uitgewerkt in rov. 5.1-5.8). Wat betreft deze wijze van uitvoering oordeelt het hof dat, ook als het recht van vruchtgebruik wél rechtsgeldig zou zijn gevestigd, de vorderingen van Telecom Vastgoed niet toewijsbaar zouden zijn, omdat het beroep van KPN op misbruik van bevoegdheid en onrechtmatig handelen slaagt (rov. 5.1). Met betrekking tot het beroep op misbruik van bevoegdheid (de tweede zelfstandig dragende grond) oordeelt het hof dat art. 3:13 BW Pro [24] aan een beroep op art. 3:210 BW Pro (inningsbevoegdheid van de vruchtgebruiker van een vordering) in de weg staat (rov. 5.2). Met betrekking tot het beroep op onrechtmatig handelen (de derde zelfstandig dragende grond) oordeelt het hof dat Telecom Vastgoed onrechtmatig handelt jegens KPN, door het stelselmatig uitlokken van wanprestatie van de eigenaren jegens KPN (rov. 5.3-5.8). [25]
2.Inleidende opmerkingen
Het cassatiemiddel
Onderdeel 1stelt de kern van het geschil aan de orde: [26] de rechtsgeldigheid van het recht van vruchtgebruik (de eerste zelfstandig dragende grond).
Onderdeel 2bouwt hierop voort met een subsidiair beroep op
verbintenisrechtelijkewerking van de Akten, voor zover daarmee geen rechtsgeldig recht van vruchtgebruik zou zijn gevestigd.
Onderdeel 3bestrijdt ’s hofs oordeel dat Telecom Vastgoed misbruik van bevoegdheid maakt (de tweede zelfstandig dragende grond).
Onderdeel 4komt op tegen ‘s hofs oordeel dat Telecom Vastgoed onrechtmatig handelt jegens KPN (de derde zelfstandig dragende grond). Aangezien ’s hofs oordeel omtrent de rechtsgeldigheid van de vruchtgebruikconstructie de bestreden beslissing zelfstandig draagt, behoeven de onderdelen 3 en 4 bij het falen van onderdeel 1 geen behandeling (en
vice versa).
typenbeperkte rechten) komt tot uitdrukking in art. 3:81 lid 1 BW Pro, waarin is bepaald dat binnen de grenzen van het moederrecht alleen ‘de in de wet genoemde beperkte rechten’ kunnen worden gevestigd. Dit wordt ook wel ‘
Typenzwang’ genoemd. [29] Een door partijen geschapen recht kan alleen een goederenrechtelijk recht zijn (met goederenrechtelijke werking jegens derden), indien het kan worden gebracht onder de definitie van een in de wet erkend goederenrechtelijk recht. [30] Partijen kunnen, met andere woorden, geen andere beperkte rechten in het leven roepen dan de wet erkent (vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, erfpacht, opstal, pand en hypotheek).
inhoudvan beperkte rechten) komt tot uitdrukking in het wettelijk systeem dat wetsbepalingen die de inhoud van beperkte rechten omschrijven dwingend van aard zijn, voor zover uit de wet niet het tegendeel blijkt. [31] Dit wordt ook wel ‘
Typenfixierung’ genoemd. [32] Op dit punt is het stelsel niet volledig gesloten, want bij vele beperkte rechten laat de wet uitdrukkelijk toe dat partijen in de vestigingsakte een afwijkende regeling van hun bevoegdheden en verplichtingen treffen (vgl. voor het vruchtgebruik bijvoorbeeld art. 3:208 lid Pro 2, 3:210 leden 1 en 2, 3:214 lid 1 en 3:219 BW). Blijkens de wetsgeschiedenis hebben partijen in dat geval, en ook waar de wet zich van een regeling onthoudt, in beginsel ‘de vrijheid (…) om binnen de grenzen van de wettelijke definitie de inhoud van het recht zelf te bepalen’. [33] Deze verwijzing naar de grenzen van de wettelijke definitie correspondeert met het eerste element van het gesloten stelsel (
Typenzwang). Een beding dat de bevoegdheden of verplichtingen van partijen zodanig wijzigt dat het tussen partijen overeengekomen recht niet meer voldoet aan de wettelijke definitie, heeft tot gevolg dat het beoogde goederenrechtelijke recht ‘niet tot stand komt’. [34] Naast deze typologische randvoorwaarde vermeldt de wetsgeschiedenis een inhoudelijke ‘restrictie’ (ook voor bedingen die binnen de grenzen van de wettelijke definitie vallen), namelijk dat bevoegdheden en verplichtingen die niet in de wet zijn geregeld slechts tot inhoud van het goederenrechtelijke recht kunnen worden gemaakt, indien zij ‘voldoende verband’ met dat recht hebben. [35]
usus’) en (ii) het recht om van die goederen de vruchten te genieten (‘
fructus’). [43] Mist de vruchtgebruiker een of meer van deze rechten, dan is, gelet op het voorgaande, van een rechtsgeldig recht van vruchtgebruik (met goederenrechtelijke werking jegens derden) geen sprake.
gebruiksrecht– dat door de wetgever ‘de kern van het recht van de vruchtgebruiker’ is genoemd [44] – is uitgewerkt in art. 3:207 e.v. BW. [45] De vruchtgebruiker mag de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen ‘gebruiken of verbruiken’ overeenkomstig de in de vestigingsakte neergelegde regels of, bij gebreke daarvan, met inachtneming van de ‘aard van de goederen’ en ‘plaatselijke gewoonten’ (art. 3:207 lid 1 BW Pro). Hieruit volgt dat
verbruikbare goederen(zoals voedsel en kleding, maar niet geld [46] ) behoudens andersluidend beding verbruikt mogen worden. [47] Onder het oude BW werd in zulke situaties van ‘oneigenlijk vruchtgebruik’ gesproken, omdat art. 803 oud Pro BW aan het zakelijk recht van vruchtgebruik de eis stelde ‘dat de zaak zelve in stand blijve’. [48] Deze ‘instandhoudingseis’ is in het huidige BW uit de definitie van het vruchtgebruik geschrapt, om een vruchtgebruik op gehele vermogens (inclusief daartoe behorende verbruikbare zaken) mogelijk te maken. [49] Niettemin wordt aangenomen dat nog altijd in de aard van het vruchtgebruik en het vrucht(trekkings)begrip besloten ligt dat het vruchtgebruikvermogen zoveel mogelijk in stand moet blijven. [50] Men bedenke hierbij dat het vruchtgebruik eindigt door het tenietgaan van het vruchtgebruikobject (art. 3:81 lid 2 onder Pro a BW). [51]
vorderingsrechtenomvat het gebruiksrecht – als uitvloeisel van de beheersbevoegdheid (art. 3:207 lid 2 BW Pro) – de bevoegdheid om in en buiten rechte nakoming te eisen van de aan het vruchtgebruik onderworpen vorderingen en tot het in ontvangst nemen van betalingen (art. 3:210 lid 1 BW Pro). Deze
inningsbevoegdheidis in beginsel exclusief: de hoofdgerechtigde is slechts met toestemming van de vruchtgebruiker of machtiging van de kantonrechter tot inning bevoegd (art. 3:210 lid 3 BW Pro). De vruchtgebruiker is echter niet
gerechtigdtot het geïnde: hetgeen door inning van de aan vruchtgebruik onderworpen vordering wordt ontvangen, behoort aan de hoofdgerechtigde toe en is eveneens aan het vruchtgebruik onderworpen (art. 3:213 lid Pro 1, tweede volzin, BW). Dit laatste wordt
substitutieof (minder zuiver)
zaaksvervanginggenoemd. [52] Substitutie kan worden beschouwd als het complement van de zojuist besproken afschaffing van de instandhoudingseis. Door substitutie wordt immers bewerkstelligd dat het vruchtgebruikvermogen (weliswaar niet in stand blijft maar wel) zoveel mogelijk zijn oorspronkelijke omvang behoudt. [53]
vervreemding en verteringvan de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen (art. 3:215 lid 1 BW Pro). [55] Deze bepaling heeft een erfrechtelijke achtergrond: het doel ervan is de vruchtgebruiker (vaak de langstlevende echtgenoot) in staat te kunnen stellen ‘dat hij op een bepaalde voet kan leven’. [56] In de literatuur wordt de figuur van een vruchtgebruik met vervreemdings- en verteringsbevoegdheid als atypisch beschouwd. [57] Ter vermijding van misverstand merk ik op dat het een
samenstelvan bevoegdheden betreft. Op grond van art. 3:215 BW Pro kan de vruchtgebruiker niet ‘zonder meer’ tot vertering van het vruchtgebruikvermogen bevoegd worden gemaakt (wat in strijd zou zijn met het wezen van het vruchtgebruik), maar alleen tot ‘vervreemding gevolgd door vertering’ (wat gezien kan worden als een mengvorm van gebruik en vruchttrekking: het ‘verbruik van vermogen’). [58]
vruchttrekking– het tweede wezenskenmerk van het vruchtgebruik – is uitgewerkt in art. 3:216 BW Pro, dat bepaalt dat de vruchtgebruiker ‘alle vruchten’ toekomen die tijdens het vruchtgebruik afgescheiden of opeisbaar worden. [59] Onder
vruchtenworden, van oudsher, [60] verstaan de opbrengsten die goederen met behoud van hun substantie voortbrengen. [61] Art. 3:9 BW Pro maakt, zonder zelf een definitie te geven, onderscheid tussen
natuurlijke vruchten(vruchten van zaken, zoals de appels van een appelboom) en burgerlijke vruchten (vruchten van goederen, zoals de rente van een geldvordering). De kwalificatie van zaken en goederen als natuurlijke of burgerlijke vruchten geschiedt volgens art. 3:9 BW Pro naar
verkeersopvatting. Huurpenningen worden volgens eenduidige verkeersopvatting beschouwd als burgerlijke vruchten van (het eigendomsrecht op) een verhuurde zaak. [62] Ook de wetgever is daarvan uitgegaan. [63]
restitutieplichtgeldt óók als sprake is van een bevoegdheid tot vervreemding en vertering als bedoeld in art. 3:215 BW Pro, zij het dat de vruchtgebruiker zich dan van die verplichting kan bevrijden door te bewijzen dat de in vruchtgebruik gegeven goederen of hetgeen daarvoor in de plaats getreden is ‘verteerd of door toeval tenietgegaan’ zijn (art. 3:215 lid 1 BW Pro). Ook de hiervoor besproken substitutieregeling is een uitvloeisel van dit wezenskenmerk (art. 3:213 BW Pro), evenals diverse andere verplichtingen van de vruchtgebruiker die in het teken staan van het beheer en behoud van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen, zoals de in art. 3:205 BW Pro neergelegde verplichting tot boedelbeschrijving en de in art. 3:207 lid 3 BW Pro neergelegde zorgplicht. Van deze verplichtingen kan de vruchtgebruiker niet worden vrijgesteld. [67] Dit betekent dat bedingen die de vruchtgebruiker, anders dan overeenkomstig art. 3:215 BW Pro, bevoegd maken tot toe-eigening van het vruchtgebruikvermogen, in strijd zijn met het wezen van het vruchtgebruik en derhalve de totstandkoming van een rechtsgeldig recht van vruchtgebruik (met goederenrechtelijke werking jegens derden) verhinderen.
termijnen van een lijfrentebetreft. Die worden krachtens wetsduiding aangemerkt als ‘vruchten van het recht op de lijfrente’ (art. 3:9 lid 3 BW Pro). De wetgever heeft hiermee aansluiting gezocht bij ‘de gebruikelijke opvatting der praktijk’, met de uitdrukkelijke kanttekening dat een ‘theoretisch wellicht juistere opvatting’ was geweest, ‘in iedere termijn een deel vrucht en een deel restitutie van kapitaal’ te onderscheiden. [68] Lijfrenten vormen dus de uitzondering die de regel bevestigt dat het geïnde op een vordering geen vrucht van die vordering kan zijn.
financieringsdoeleindenkan worden ingezet. [69] Omdat een cessie bij voorbaat van toekomstige huurvorderingen door de werking van art. 35 lid 2 Fw Pro niet ‘faillissementsbestendig’ is, is in de literatuur geopperd dat financiers die extra zekerheid wensen in de vorm van een verhaalsrecht op toekomstige huurpenningen, een recht van
vruchtgebruik op het verhuurde objectzouden kunnen doen vestigen. Een dergelijk ‘zekerheidsvruchtgebruik’ zou wél faillissementsbestendig zijn, omdat de vruchten (de huurpenningen) rechtstreeks in het vermogen van de vruchtgebruiker (de financier) zouden vloeien, zonder het vermogen van de hoofdgerechtigde (de verhuurder-debiteur) te passeren. [70] De meeste auteurs achten deze constructie ongeldig, namelijk in strijd met het fiduciaverbod (art. 3:84 lid 3 BW Pro) en de wezenskenmerken van het vruchtgebruik (omdat geen gebruiksrecht maar een verhaalsrecht is beoogd). [71] Daarbij wordt ook gewezen op huurrechtelijke complicaties: de vruchtgebruiker krijgt op grond van art. 7:226 BW Pro de verplichtingen van de verhuurder, terwijl dit bij een zekerheidsvruchtgebruik niet de bedoeling van partijen is. [72]
renteopbrengsten. [80]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1: rechtsgeldigheid van het vruchtgebruik (rov. 4.1-4.9)
vier argumentenwaarom in dit geval – ‘voor het met de onderhavige Akten beoogde vruchtgebruik’ (rov. 4.3) – niet van een rechtsgeldige constructie kan worden gesproken (rov. 4.3-4.9).
eerste argument(rov. 4.3-4.5) luidt dat in dit geval sprake is van een ‘samenval tussen het recht van vruchtgebruik en de vruchten’ [84] en dat dit ‘niet kan’ (rov. 4.4). Het hof onderbouwt een en ander met verwijzing naar (a) het wettelijke stelsel (rov. 4.3) en (b) de Akten (rov. 4.4-4.5).
(a)het wettelijke stelsel overweegt het hof als volgt. Vruchtgebruik is het recht om goederen die aan een ander toebehoren te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten (art. 3:201 BW Pro). Wanneer het vruchtgebruik rust op een vordering, strekt het vruchtgebruik zich uit over hetgeen door inning van die vordering wordt ontvangen (art. 3:213 lid Pro 1, tweede volzin, BW [85] ). Deze bepaling sluit naar het oordeel van het hof uit dat huurpenningen tevens vruchten zijn, ‘want het is moeilijk denkbaar dat een goed waarop het vruchtgebruik rust, tevens zelf de vrucht is; de huurpenningen kunnen niet gelden als vruchten van zichzelf’ (rov. 4.3).
(b)de Akten overweegt het hof als volgt. Gelet op art. 3 van Pro de Akten (de omschrijving van het object van vruchtgebruik) en art. 4 van Pro de Akten (de omschrijving van de vruchten) valt ‘moeilijk in te zien dat het recht van vruchtgebruik niet gelijk is aan de vruchten’. Dit wordt niet anders doordat ‘telkens nieuwe huurvorderingen ontstaan waarop het vruchtgebruik rust’ (aldus het hof in reactie op het hiervoor onder 1.2 geciteerde advies van [deskundige] ). De samenval ‘repeteert zich dan’ en dat ‘herhalingseffect maakt niet dat wat eenmalig, vanwege de samenval, niet kan, door die herhaling wel moet kunnen’ (rov. 4.4).
tweede argumentwaarom in dit geval niet van een rechtsgeldige vruchtgebruikconstructie kan worden gesproken, is dat volgens ‘(eenduidige) verkeersopvatting’ als bedoeld in art. 3:9 BW Pro huurpenningen en retributies gelden als ‘vruchten van de onroerende zaak’ (in dit geval de antennelocatie). Dit impliceert volgens het hof dat ‘huurpenningen niet (ook) kunnen worden aangemerkt als vruchten van het vorderingsrecht’. Het is immers ‘niet goed denkbaar dat huurpenningen zowel de vrucht zijn van de onroerende zaak als van het vorderingsrecht’. Het staat partijen daarom ‘niet vrij – met een beroep op artikel 3:216 BW Pro – te bepalen dat de huurpenningen van een onroerende zaak zijn aan te merken als vruchten van een vorderingsrecht op die huurpenningen’ (rov. 4.6).
derde argumentis toegespitst op gevallen waarin in de Akten is bepaald dat partijen geen vruchtgebruik of ander zakelijk recht op het registergoed zelf hebben willen vestigen. In die gevallen zou de kwalificatie van de huurpenningen als vrucht van het vorderingsrecht tot ‘problemen’ kunnen leiden als een eigenaar ‘het recht om een vruchtgebruik te vestigen op het registergoed zou uitoefenen’. Ook dit pleit volgens het hof ‘tegen het aanvaarden van de toegepaste constructie als rechtsgeldige vorm van vruchtgebruik’. Het hof voegt hieraan ten overvloede (‘overigens’) nog toe dat ook ‘de in de Akten opgenomen kwalitatieve verplichtingen’ daaraan in de weg staan (rov. 4.7). [86]
vierde argumentvoor ongeldigheid van de constructie houdt in ‘dat de meeste Overeenkomsten zijn aangegaan voor een kortere termijn dan de periode waarvoor het recht van vruchtgebruik is verleend’. Het hof noemt dit in navolging van KPN ‘opvallend’, omdat er na het eindigen van de Overeenkomst ‘geen vorderingsrecht meer [is] waarover het vruchtgebruik zich uitstrekt’, zodat er vanaf dat moment ook geen ‘nieuwe vruchten’ meer ontstaan. Een recht van vertering maakt dit niet anders (aldus het hof in reactie op het hiervoor onder 1.2 geciteerde advies van [deskundige] ). Ervan uitgaande dat Telecom Vastgoed de huurpenningen niet op een aparte, op naam van de eigenaar staande rekening heeft veiliggesteld, kan na het eindigen van de Overeenkomst ‘bij gebreke van een goed waarop het vruchtgebruik is gevestigd (een vorderingsrecht, of hetgeen ter inning daarvan is ontvangen) van een vruchtgebruik geen sprake (meer) zijn’. Aan de ‘essentialia om van een vruchtgebruik te kunnen spreken’ is dan ‘ook om die reden’ niet meer voldaan (rov. 4.8).
antennelocatiezouden deze verplichtingen ‘niet nodig zijn geweest’, aldus het hof (rov. 4.8).
conclusie‘dat van een rechtsgeldig gevestigd recht van vruchtgebruik in de Akten geen sprake is’. Het hof preciseert dit met de overweging dat het ‘gesloten stelsel van het goederenrecht [zich] verzet (…) tegen een vruchtgebruik zoals in de Akten weergegeven’. Dit impliceert volgens het hof dat Telecom Vastgoed niet met een beroep op art. 3:210 BW Pro betaling van de huurpenningen kan vorderen van KPN. De vorderingen kunnen daarom niet worden toegewezen (rov. 4.9).
onderdelen 1.1 tot en met 1.6zijn gericht tegen de algehele goederenrechtelijke argumentatie van het hof, meer in het bijzonder tegen (a) rov. 4.1, waar het hof vooropstelt dat in de Akten geen rechtsgeldig recht van vruchtgebruik is gevestigd, althans dat de wijze waarop Telecom Vastgoed daaraan uitvoering wil geven de toets der kritiek niet kan doorstaan, (b) rov. 4.2, waar het hof vooropstelt dat bijkomende omstandigheden kunnen maken dat niet van een rechtsgeldige constructie kan worden gesproken en (c) rov. 4.9, waar het hof tot de conclusie komt dat het gesloten stelsel van het goederenrecht zich verzet tegen een vruchtgebruik zoals weergegeven in de Akten. De klachten strekken ertoe dat deze vooropstellingen en conclusie ‘op zichzelf al onjuist’ zijn. [88] Daartoe wordt het volgende aangevoerd.
Onderdeel 1.2bouwt hierop voort met de klacht dat het hof, met name in rov. 4.2, miskent dat, als hetgeen partijen zijn overeengekomen als vruchtgebruik moet worden gekwalificeerd en aan de vestigingsvereisten is voldaan, ‘bijkomende omstandigheden’ niet kunnen afdoen aan de rechtsgeldigheid van het vruchtgebruik. De argumentatie van het hof kan volgens het onderdeel ‘niet de conclusie dragen dat geen sprake is van een geldig vruchtgebruik’. Het hof zou onder meer miskennen ‘dat de contractvrijheid meebrengt dat een vruchtgebruik mag worden ingericht zoals partijen dat wensen, zolang dit niet in strijd komt met het wezen van het vruchtgebruik’.
Onderdeel 1.3bouwt hierop voort met de klacht dat het hof, met name in rov. 4.9, miskent dat het gesloten stelsel van het goederenrecht slechts kan afdoen aan de geldigheid van een vruchtgebruik ‘voor zover hetgeen partijen zijn overeengekomen zich niet als vruchtgebruik laat kwalificeren’.
wettelijke definitievan het vruchtgebruik en (ii) dat de overeengekomen bevoegdheden en verplichtingen, voor zover zij niet in de wet zijn neergelegd,
voldoende verbandhouden met het recht van vruchtgebruik (zie 2.4 e.v.).
naar zijn aard(dus nog daargelaten de afwijkende bedingen waarop KPN zich heeft beroepen [93] ) niet past binnen het gesloten stelsel van beperkte rechten, omdat niet is voldaan aan de eerstgenoemde randvoorwaarde: de grenzen van de
wettelijke definitievan het vruchtgebruik. [94] In rov. 4.3 tot en met 4.5 zet het hof immers uiteen dat en waarom in dit geval sprake is van een ‘samenval’ tussen het object van vruchtgebruik (de huur- en retributievorderingen) en de in de Akten omschreven vruchten (de huurpenningen en retributies). Een dergelijke samenval brengt mee dat het overeengekomen recht niet aan de wettelijke definitie van het vruchtgebruik voldoet, aangezien niet is voldaan aan het wezenskenmerk dat het vruchtgebruik rust op ‘goederen die aan een ander toebehoren’ (art. 3:201 BW Pro; zie 2.15 hiervoor). Reeds deze samenval kan de conclusie dragen die het hof in rov. 4.9 trekt, te weten dat het gesloten stelsel zich verzet tegen een vruchtgebruik zoals in de Akten weergegeven. Hetgeen het hof in rov. 4.6, 4.7 en 4.8 toevoegt (het tweede, derde en vierde argument) is zo bezien ten overvloede. [95]
overeengekomen, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 4.1 e.v. in het midden gelaten hoe de overeenkomsten tussen Telecom Vastgoed en de eigenaren moeten worden uitgelegd. Het hof is immers uitsluitend ingegaan op de rechtsgeldigheid van een recht van vruchtgebruik met de door Telecom Vastgoed gestelde inhoud.
gekwalificeerd, omdat sprake is van een ‘samenval’ tussen het vruchtgebruikobject en de vruchten, waardoor het in de Akten neergelegde vruchtgebruik buiten de grenzen van de wettelijke definitie van het vruchtgebruik valt. Voor zover het onderdeel van deze lezing uitgaat, faalt het echter omdat dat oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Ter toelichting merk ik het volgende op.
huur- en retributievorderingen. [99] Deze uitleg van de Akten en de daaraan ten grondslag liggende overeenkomsten heeft KPN in hoger beroep uitdrukkelijk onbestreden gelaten. [100] Deze uitleg diende daarmee in appel tot uitgangspunt. Ook in cassatie staat deze uitleg niet ter discussie. [101] De vraag is of het in de Akten neergelegde vruchtgebruik, aldus uitgelegd, voldoet aan de wettelijke definitie van het vruchtgebruik.
tegelijkertijdtoebehoren aan verschillende rechthebbenden. Hiervoor in 2.15 bleek dat voor het vruchtgebruik nu juist kenmerkend is dat de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen ‘aan een ander toebehoren’ dan de vruchten.
behoud van hun substantievoortbrengen (zie 2.13). Bedingen die de vruchtgebruiker in staat stellen de aan het vruchtgebruik onderworpen vorderingen
te eigen batete incasseren (zich toe te eigenen), zijn wezensvreemd aan het vruchtgebruik en staan aan goederenrechtelijke werking ervan in de weg, niet alleen omdat zulke bedingen in strijd zijn met het wettelijke vereiste dat het vruchtgebruik rust op ‘goederen die aan een ander toebehoren’, maar ook omdat daarmee de substitutieregeling van art. 3:213 BW Pro wordt omzeild (het argument dat het hof in rov. 4.3 gebruikt).
vervreemding en vertering, zoals in sommige van de Akten neergelegd. [104] Ook dan geldt dat het geïnde aan de hoofdgerechtigde toebehoort en aan het vruchtgebruik is onderworpen (art. 3:213 lid Pro 1, tweede volzin, BW). Op grond van art. 3:215 lid 1 BW Pro kan de hoofdgerechtigde immers bij het einde van het vruchtgebruik afgifte vorderen van ‘de in vruchtgebruik gegeven goederen of hetgeen daarvoor in de plaats getreden is’, tenzij de vruchtgebruiker bewijst dat die goederen ‘verteerd of door toeval tenietgegaan zijn’. Dit betekent dat, afgezien van gevallen van vermenging, de opbrengsten van een aan het vruchtgebruik onderworpen vordering hooguit
indirectin het vermogen van de vruchtgebruiker kunnen vloeien, namelijk doordat de vruchtgebruiker de vordering of het geïnde bevoegdelijk vervreemdt en de opbrengsten dáárvan verteert (en slaagt in het leveren van bewijs daarvan). Die situatie is hier niet aan de orde. Integendeel: vast staat dat Telecom Vastgoed, in strijd met art. 3:211 lid 2 BW Pro, op haar eigen rekening wenst te worden betaald, waardoor de huurpenningen en retributies door vermenging in haar eigen vermogen vloeien (rov. 4.5).
uitvoeringwenst te geven aan het vruchtgebruik, de toets der kritiek niet kan doorstaan. Volgens het onderdeel is dit oordeel onjuist op de gronden die in de voorgaande onderdelen zijn aangevoerd en tevens omdat ‘de wijze van uitvoering van een vruchtgebruik op zichzelf niet aan de rechtsgeldigheid ervan kan afdoen’.
onderdelen 1.7 en 1.8strekken ten betoge dat het hof, na te hebben geoordeeld dat geen rechtsgeldig vruchtgebruik tot stand is gekomen, ambtshalve [105] toepassing had moeten geven aan art. 3:41 BW Pro (partiële nietigheid) en/of art. 3:42 BW Pro (conversie). Volgens de onderdelen had het hof moeten onderzoeken of het in de Akten neergelegde vruchtgebruik
gedeeltelijkrechtsgeldig is (
onderdeel 1.7), respectievelijk of het in de Akten neergelegde vruchtgebruik zozeer beantwoordt aan de strekking van een
andere rechtshandeling, dat aangenomen moet worden dat die andere rechtshandeling zou zijn verricht, indien van het overeengekomen vruchtgebruik wegens zijn ongeldigheid was afgezien (
onderdeel 1.8).
onderdeel 1.7) faalt, omdat een recht dat de essentialia mist om gekwalificeerd te kunnen worden als vruchtgebruik, ook niet
gedeeltelijkals vruchtgebruik kan worden aangemerkt. Bij gebreke van één van de wezenskenmerken van het vruchtgebruik is, in de woorden van Everaars, de ‘ondergrens’ van de wettelijke definitie niet in acht genomen. Partiële nietigheid biedt dan geen uitkomst. [106] Overigens zou voor het honoreren van een beroep op partiële nietigheid ook feitenonderzoek nodig zijn ter beantwoording van de vraag of het geldige deel van de rechtshandeling al dan niet in ‘onverbrekelijk verband’ met het nietige deel staat (art. 3:41 BW Pro). Daarvoor is in cassatie geen plaats. [107]
onderdeel 1.8) kan op vergelijkbare gronden niet slagen. Het probleem is dat Telecom Vastgoed en de eigenaren iets (zeggen te) willen wat niet kan, namelijk een vruchtgebruik op vorderingen met aanwijzing van het geïnde als de vruchten. Een rechtsgeldig alternatief zou een cessie bij voorbaat van de huur- en retributievorderingen [108] of een vruchtgebruik op de antennelocaties zijn geweest. Die (veel logischer) alternatieven hebben partijen waarschijnlijk bewust vermeden, want een cessie bij voorbaat is niet faillissementsbestendig [109] en een vruchtgebruik op de antennelocaties heeft fiscale gevolgen die Telecom Vastgoed kennelijk niet wenst, [110] nog daargelaten de huurrechtelijke consequenties en de voor een zakelijk vruchtgebruik vereiste formaliteiten die niet zijn vervuld. [111] Zonder feitenonderzoek kan hoe dan ook niet worden vastgesteld dat partijen een andere rechtshandeling hadden verricht (en wélke dat was geweest), als zij zich bewust waren geweest van de ongeldigheid van de gekozen constructie (art. 3:42 BW Pro), nog daargelaten dat zij zich wel degelijk bewust lijken te zijn geweest van die ongeldigheid. [112] Voor een dergelijk onderzoek naar mogelijke alternatieven is in cassatie geen plaats. [113]
onderdelen 1.11 tot en met 1.13zijn gericht tegen rov. 4.3 en 4.4, waar het hof oordeelt dat in dit geval sprake is van een ontoelaatbare ‘samenval’ tussen het vruchtgebruikobject en de vruchten (het eerste argument dat ik hiervoor onderscheidde). Geklaagd wordt dat het hof hiermee in meerdere opzichten de betekenis van het vruchtbegrip miskent. [117]
onderdeel 1.11). Verder zou het hof miskennen dat er verschil is tussen een vordering en hetgeen ter voldoening daarvan wordt gepresteerd, en dat bij een vruchtgebruik op een vordering ‘in ieder geval eventuele rente of boete als vruchten’ moeten worden gekwalificeerd. Het bestreden oordeel zou tevens onbegrijpelijk en in strijd met art. 24 Rv Pro zijn, voor zover het inhoudt dat het recht van vruchtgebruik (niet op de vorderingen maar) op het geïnde zou zijn gevestigd. Ook zou het hof miskennen dat de bedoelde ‘samenval’ geen kwestie van rechtsgeldigheid is, maar moet worden opgelost door vast te stellen of het geïnde als vrucht kan gelden (
onderdeel 1.12). Hierop voortbouwend wordt aangevoerd dat, ook als juist is dat betalingen op vorderingen niet als vruchten daarvan kunnen gelden, dit niet in de weg staat aan rechtsgeldigheid van een recht van vruchtgebruik op die vorderingen. Als het hof ervan is uitgegaan dat er ‘geen vruchten (kunnen) zijn’, is dat oordeel volgens Telecom Vastgoed onjuist, onvoldoende gemotiveerd en/of in strijd met art. 24 Rv Pro, gelet op haar betoog dat ‘in ieder geval eventuele rente of boete als vruchten moeten worden gekwalificeerd’ (
onderdeel 1.13).
geïnde(de huurpenningen en retributies). Feitelijk zou het geïnde volgens deze benadering wel in haar vermogen vloeien, aangezien vaststaat dat Telecom Vastgoed op haar eigen rekening wenst te worden betaald (rov. 4.5).
te eigen batede aan het vruchtgebruik onderworpen huur- en retributievorderingen kan innen. De door Telecom Vastgoed ingestelde vorderingen hebben uitsluitend betrekking op de door haar gepretendeerde aanspraak op de
huurpenningen en retributies. [118] Het bestreden oordeel is, evenals het partijdebat, toegespitst op de rechtsgeldigheid van de algehele vruchtgebruik
constructiewaarvan Telecom Vastgoed gebruikmaakt. [119] De kern van die constructie wordt gevormd door de aanwijzing van de
huurpenningen en retributies als vruchten(art. 4 van Pro de Akten). De considerans van de Akten vermeldt met zoveel woorden dat Telecom Vastgoed de
huurpenningen en retributieswenst te verkrijgen en dat dáártoe een vruchtgebruik op de huurpenningen en retributies (lees: de huur- en retributievorderingen) zal worden gevestigd. Een mogelijke aanspraak van Telecom Vastgoed op
rente of boetesis alleen bij schriftelijk pleidooi in hoger beroep zijdelings aan de orde geweest, in reactie op een tardieve grief van KPN die in cassatie geen rol speelt. [120]
andersdan waarop Telecom Vastgoed in de feitelijke instanties aanspraak heeft gemaakt, namelijk een aanspraak op
rente en boetesin plaats van huurpenningen en retributies, gebaseerd op de kwalificatie van de verschuldigde huurpenningen en retributies als
objectvan vruchtgebruik in plaats van als de vruchten zélf. Voor zover de klachten neerkomen op een beroep op partiële nietigheid, falen zij op de gronden die ik hiervoor in 3.21 heb genoemd. Voor zover wordt geklaagd dat het hof het verschil zou hebben miskend tussen een vordering en hetgeen ter voldoening daarvan wordt geïnd, verwijs ik naar alinea 3.12.
onderdelen 1.14 en 1.15zijn gericht tegen rov. 4.5, waar het hof de gevolgen van de geconstateerde ‘samenval’ toelicht met verwijzing naar ‘de Akten waarin geen verteringsrecht is opgenomen’. Op grond van die Akten mag de vruchtgebruiker alleen de vruchten van de huurpenningen (bijvoorbeeld rente) genieten, hetgeen ‘klaarblijkelijk niet de bedoeling is van partijen bij de Akten’, aldus het hof. Geklaagd wordt (na een voortbouwende klacht zonder zelfstandige betekenis) dat het hof zou miskennen dat partijen kunnen
overeenkomendat hetgeen een vruchtgebruiker op grond van art. 3:210 lid 1 BW Pro int aan hem gaat toebehoren en dat ‘het dossier’ geen andere conclusie toelaat dan dat de overeenkomsten tussen Telecom Vastgoed en de eigenaren een dergelijke partijafspraak inhouden (
onderdeel 1.14). Verder zou het hof miskennen dat het in rov. 4.5 gemaakte onderscheid tussen Akten mét en zonder verteringsbevoegdheid voor de rechtsgeldigheid van het vruchtgebruik ‘niet relevant’ is (
onderdeel 1.15).
onderdelen 1.16 tot en met 1.23zijn gericht tegen de argumenten die het hof in rov. 4.6, 4.7 en 4.8 heeft genoemd, in aanvulling op het eerste argument (de ‘samenval’ tussen het vruchtgebruikobject en de vruchten). Zoals gezegd meen ik dat reeds dat eerste argument het oordeel kan dragen dat het vruchtgebruik niet rechtsgeldig is (zie 3.6). Dit betekent dat deze onderdelen falen bij gebrek aan belang. Ten overvloede bespreek ik de onderdelen hierna.
onderdelen 1.16 en 1.17zijn gericht tegen rov. 4.6, waar het hof als tweede argument voor ongeldigheid van het vruchtgebruik noemt dat huurpenningen en retributies volgens eenduidige verkeersopvatting gelden als vruchten van de
onroerende zaak.
vorderingenter zake van de huurpenningen of retributies de vruchten zijn van een onroerende zaak. Bovendien valt volgens Telecom Vastgoed niet in te zien dat ‘huurpenningen of retributies niet in het ene geval kunnen gelden als vruchten van een huurvordering, en in het andere geval als vruchten van een onroerende zaak’.
vorderingenter zake van de huurpenningen en retributies. Vanuit goederenrechtelijk perspectief kan immers geen zinvol onderscheid worden gemaakt tussen de huur- en retributievorderingen enerzijds en de huurpenningen en retributies anderzijds (zie 3.12). Overigens is juist ’s hofs oordeel dat het ‘niet goed denkbaar [is] dat huurpenningen zowel de vrucht zijn van de onroerende zaak als van het vorderingsrecht’.
onderdelen 1.18 en 1.19zijn gericht tegen rov. 4.7, waar het hof als derde argument voor ongeldigheid van het vruchtgebruik noemt dat kwalificatie van de huurpenningen als vrucht van het vorderingsrecht tot problemen zou kunnen leiden als een eigenaar een vruchtgebruik op het
registergoed(de antennelocatie) zou vestigen.
vorderingsrechtenworden aangemerkt. Dat zulke problemen níet ontstaan indien de huurpenningen en retributies als vruchten van het
registergoedworden beschouwd, is juist wat het hof hier probeert aan te tonen.
onderdelen 1.20 tot en met 1.23zijn gericht tegen het vierde en laatste argument dat het hof in rov. 4.8 bespreekt, te weten dat de constructie ongeldig is omdat het vruchtgebruik langer voortduurt dan de meeste onderliggende Overeenkomsten met KPN.
onderdeel 1.20). Verder wordt geklaagd dat het hof miskent dat er na het verstrijken van de looptijd van een overeenkomst wel degelijk nog vorderingsrechten uit hoofde van die overeenkomst kunnen bestaan, en (dus) ook nog vruchten van die vorderingsrechten kunnen ontstaan (
onderdeel 1.21). Het niet meer bestaan en kunnen ontstaan van (nieuwe) vorderingen uit een overeenkomst heeft volgens Telecom Vastgoed ‘geen gevolgen voor reeds ontstane vorderingen uit die overeenkomst en de vruchtgebruiken waarmee die vorderingen zijn bezwaard’. Voor zover het hof oordeelt dat ‘op iedere afzonderlijke vordering een afzonderlijk recht van vruchtgebruik tot stand komt’, is dat oordeel volgens Telecom Vastgoed onjuist, althans onbegrijpelijk (
onderdeel 1.22). Ook de overweging dat Telecom Vastgoed ‘een voortgezet vruchtgebruik probeert af te dwingen’, wordt (voor zover dragend) als onjuist en onbegrijpelijk bestreden, omdat de relevantie hiervan voor de rechtsgeldigheid van het vruchtgebruik volgens Telecom Vastgoed ‘niet zonder nadere motivering valt in te zien’ (
onderdeel 1.23).
kwalitatieve verbintenissenaan te gaan, die zich volgens het hof ‘moeilijk verhouden tot een recht van vruchtgebruik op de vordering’.
onderdeel 1, betreffende de rechtsgeldigheid van het vruchtgebruik (de eerste zelfstandig dragende grond), geen doel treft. Dit betekent dat Telecom Vastgoed alleen belang heeft bij bespreking van
onderdeel 2, betreffende een mogelijke verbintenisrechtelijke werking van de Akten. De
onderdelen 3 en 4kunnen bij gebrek aan belang onbesproken blijven. Niettemin zal ik die onderdelen hierna ook behandelen.
verbintenisrechtelijkerechtsverhouding met de eigenaren. Het ‘partijdebat’ althans het ‘standpunt van Telecom Vastgoed’ zou geen andere uitleg toelaten dan dat Telecom Vastgoed en de eigenaren zijn overeengekomen ‘dat Telecom Vastgoed inningsbevoegd zou zijn ter zake van de huurpenningen’. Die inningsbevoegdheid kan volgens het onderdeel, zo niet op het vruchtgebruik en art. 3:210 BW Pro, ‘in ieder geval op het overeengekomene’ berusten.
als vruchtgebruikereen
goederenrechtelijkeaanspraak maakt op de huurpenningen en retributies. De door Telecom Vastgoed gevorderde verklaringen voor recht en veroordelingen staan niet in de sleutel van een verbintenisrechtelijke aanspraak. Een dergelijke aanspraak kan ook niet als onderdeel daarvan worden beschouwd (het ‘mindere’). Het gaat immers om een wezenlijk andere grondslag, niet alleen juridisch maar ook feitelijk. Voor het aannemen van een verbintenisrechtelijke aanspraak zouden de overeenkomsten tussen Telecom Vastgoed en de eigenaren moeten worden uitgelegd. Over die uitleg hebben partijen in dit geding slechts zijdelings gediscussieerd, omdat het partijdebat gericht was op de
rechtsgeldigheidvan een vruchtgebruik met de door Telecom Vastgoed gestelde inhoud. Het onderdeel vermeldt niet aan welke verbintenisrechtelijke rechtsgrond Telecom Vastgoed denkt, maar bijvoorbeeld een cessie of lastgeving (‘cessie ter incasso’) kan niet ambtshalve in ‘het overeengekomene’ worden gelezen, als het partijdebat in de sleutel van een vruchtgebruik staat. Overigens hééft het hof in rov. 4.10 een mogelijke verbintenisrechtelijke grondslag besproken, namelijk art. 6:34 BW Pro, dat in cassatie geen rol meer speelt. [125]
eerste argumentluidt dat als onvoldoende weersproken vaststaat dat Telecom Vastgoed zich niet wenst te houden aan een aantal bij vruchtgebruik behorende
wettelijke verplichtingendie niet in de Akten zijn vermeld, waaronder de verplichting tot het doen van jaaropgave (art. 3:205 lid 4 BW Pro) en de verplichting tot zekerheidstelling (art. 3:206 lid 1 BW Pro). Dit duidt erop, aldus het hof, dat het Telecom Vastgoed ‘om de vordering zelf gaat, niet om de vruchten (rente) daarvan’. [126]
tweede argumentluidt dat Telecom Vastgoed niet overtuigend heeft toegelicht welk te respecteren
belangzij heeft bij de door haar gekozen, ‘op het eerste gezicht niet bij dit doel passende’ vruchtgebruikconstructie. Aldus heeft Telecom Vastgoed naar ’s hofs oordeel het door KPN gemaakte verwijt van ‘
cherry picking’ onvoldoende weersproken. [127]
cherry picking’ inhoudt. [128] Telecom Vastgoed beoogt ‘materieel de rechten te verkrijgen behorend bij een vruchtgebruik van de onroerende zaak (…), zonder de daarbij behorende verplichtingen (…) en zonder gebonden te zijn aan de daarvoor geldende voorwaarden’, aldus het hof in navolging van KPN, onder verwijzing naar de in rov. 4.8 onder i genoemde bevoegdheid van Telecom Vastgoed om op eigen naam nieuwe huurovereenkomsten aan te gaan. [129]
cherry picking’ geeft het hof vervolgens
drie voorbeelden. Ten eerste bevatten de Akten
kwalitatieve verplichtingen(ook genoemd in de slotzin van rov. 4.7), die zich volgens het hof ‘moeilijk verhouden tot een recht van vruchtgebruik op de vordering’. Ten tweede spreekt Telecom Vastgoed op haar
websitevan ‘(ver)koop’ van de vordering, en niet van vruchtgebruik. Ten derde zijn de in de Akten opgenomen kwalitatieve verplichtingen vormgegeven als een
kettingbedingdat is verbonden aan het
registergoed(de antennelocatie), en niet aan de vordering waarop het vruchtgebruik is gevestigd. Dit laatste voorbeeld duidt erop, aldus het hof, ‘dat de opstellers van de Akten zich ervan bewust waren dat de afspraken buiten de wettelijke regeling en daarmee buiten de zakelijke werking van het vruchtgebruik vielen’. Als het vruchtgebruik op de antennelocaties was gevestigd, zou een kettingbeding immers niet nodig zijn. [130]
onderdelen 3.1 tot en met 3.4strekken ten betoge dat het hof in rov. 5.2 de ‘misbruikmaatstaf’ miskent. Om te beginnen zou het hof miskennen dat art. 3:13 BW Pro met terughoudendheid moet worden toegepast. De door het hof vastgestelde omstandigheden zouden niet de conclusie kunnen dragen dat art. 3:13 BW Pro aan uitoefening door Telecom Vastgoed van haar inningsbevoegdheid in de weg staat (
onderdeel 3.1). Het hof zou ten onrechte hebben volstaan met een ‘algemeen oordeel over de totstandkoming en inrichting van de (…) vruchtgebruikconstructie’. Zonder nadere motivering valt volgens het middel niet in te zien welke
concreteomstandigheden meebrengen dat Telecom Vastgoed misbruik van haar inningsbevoegdheid maakt (
onderdeel 3.2). Voor zover het hof oordeelt dat de ‘inrichting’ van de vruchtgebruikconstructie misbruik van bevoegdheid oplevert, is dat oordeel onjuist (
onderdeel 3.3). Het bestreden oordeel zou ook onbegrijpelijk zijn in het licht van stellingen van Telecom Vastgoed die inhielden dat KPN geen relevant
nadeellijdt door de constructie (
onderdeel 3.4).
cherry picking’. Beide argumenten komen op hetzelfde neer. Telecom Vastgoed streeft volgens het hof met de vruchtgebruikconstructie iets anders na dan waarvoor het vruchtgebruik is bedoeld. Zij wenst de
vorderingente verkrijgen, in plaats van de vruchten ervan. Het misbruik is volgens het hof gelegen in de wijze waarop Telecom Vastgoed de aan het vruchtgebruik onderworpen vorderingen
incasseert. Het hof verwijst in de tweede volzin van rov. 5.2 naar ‘hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen’. Aldaar (in rov. 4.5) stelt het hof, als zodanig onbestreden in cassatie, vast dat Telecom Vastgoed de vorderingen ‘op haar eigen rekening’ wenst te ontvangen, waardoor de huurpenningen en retributies ‘door vermenging in haar vermogen vloeien’. Kennelijk is het hof van oordeel dat deze wijze van inning – dus het
te eigen bateincasseren van de aan het vruchtgebruik onderworpen vorderingen, zulks in strijd met art. 3:211 lid 2 BW Pro [134] – misbruik van inningsbevoegdheid oplevert, óók als het recht van vruchtgebruik als zodanig rechtsgeldig is, omdat daarmee het recht van vruchtgebruik alsnog, door de wijze van uitvoering ervan, wordt gedenatureerd. Dit oordeel geeft, aldus opgevat, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
onderdelen 3.5 tot en met 3.11zijn gericht tegen de afzonderlijke overwegingen van het hof over misbruik van bevoegdheid. Zij falen op grond van het voorgaande. Ten overvloede bespreek ik de onderdelen hierna.
onderdeel 3.5).
cherry picking’). Het hof zou miskennen dat voor het aannemen van misbruik van inningsbevoegdheid niet relevant is waar het Telecom Vastgoed ‘om gaat’ bij de inrichting van de vruchtgebruikconstructie.
Onderdeel 3.7bouwt hierop voort met de klacht dat Telecom Vastgoed voor het kunnen uitoefenen van haar inningsbevoegdheid geen ‘specifiek belang’ behoeft te kunnen aantonen. Het hof zou bovendien een onbegrijpelijke uitleg geven aan de eigen stelling van Telecom Vastgoed dat het met de constructie bereikte resultaat ‘economisch gezien in feite niets anders is dan een zogeheten
non recourse loan’. Met het door Telecom Vastgoed beoogde ‘doel’ zou dat resultaat niets te maken hebben.
Onderdeel 3.8voegt nog toe dat het hof nader had moeten responderen op het verweer van Telecom Vastgoed tegen het ‘
cherry picking’-argument. Zelfs al zou sprake zijn van ‘
cherry picking’, dan nog valt volgens het onderdeel niet in te zien waarom dat misbruik van inningsbevoegdheid zou opleveren.
incasseert, namelijk op haar eigen rekening, waardoor de huurpenningen en retributies in haar eigen vermogen vloeien (rov. 5.2 in samenhang met rov. 4.5). Dat is in strijd met het wezen van het vruchtgebruik en levert daarom naar ’s hofs oordeel misbruik van inningsbevoegdheid op (zo de aanwijzing van de huurpenningen en retributies als vruchten niet reeds aan de rechtsgeldigheid van het vruchtgebruik in de weg staat).
onderdelen 3.9 tot en met 3.11zijn gericht tegen de nadere uiteenzetting die het hof in rov. 5.2 (zevende tot en met elfde volzin) geeft van het verwijt van ‘
cherry picking’, en tegen de voorbeelden die het hof in dat verband noemt. Om te beginnen wordt geklaagd dat deze overwegingen ‘ontoelaatbaar onduidelijk’ geformuleerd zouden zijn en bijgevolg onbegrijpelijk (
onderdeel 3.9). Verder wordt geklaagd dat ‘irrelevant’ is of aan de verplichtingen en voorwaarden voor een vruchtgebruik op een onroerende zaak is voldaan, nu het vruchtgebruik op de
vorderingenrust (
onderdeel 3.10). Ten slotte zou zonder nadere motivering niet in te zien zijn wat de relevantie is van de genoemde voorbeelden voor ’s hofs oordeel dat Telecom Vastgoed misbruik van inningsbevoegdheid maakt (
onderdeel 3.11).
cherry picking’, gevolgd door enkele voorbeelden daarvan).
onder aaan dat het hof ten onrechte zou hebben geoordeeld ‘dat de uitlokking van iedere vorm van wanprestatie, hoe beperkt of onbeduidend die wanprestatie ook is’, voldoende is voor het aannemen van onrechtmatig uitlokken van wanprestatie. Subsidiair wordt aangevoerd dat het hof (kenbaar) had moeten ingaan op stellingen van Telecom Vastgoed die inhielden (i) dat KPN geen voorzienbaar
nadeelondervindt van de wanprestatie en (ii) dat Telecom Vastgoed daarvan ook niet
profiteert.
onder bmet de klacht dat de in rov. 5.6 aangehaalde contractsbepalingen (het verbod om met derden verplichtingen aan te gaan en het exclusieve gebruiksrecht) slechts in een aantal van de Akten en Overeenkomsten is opgenomen. Het hof zou miskennen dat een ‘beoordeling per geval’ geboden was. Subsidiair wordt aangevoerd dat het hof nader had moeten ingaan op stellingen waarmee Telecom Vastgoed de beweerde uitlokking van wanprestatie heeft betwist. [141]
Aktendie tussen Telecom Vastgoed en de eigenaren zijn opgemaakt. Díe bevatten inderdaad niet allemaal een exclusief gebruiksrecht ten gunste van Telecom Vastgoed, [143] maar dit laat onverlet dat het hof de tussen KPN en de eigenaren gesloten
Overeenkomstenaldus heeft kunnen uitleggen dat daarin een exclusief gebruiksrecht ten gunste van KPN is opgenomen.
onder cmet de klacht dat ’s hofs oordeel in rov. 5.3 tot en met 5.8 geen betrekking heeft op uitlokken van
wanprestatie, maar op ‘het aantrekkelijk maken van het aangaan van een contractuele relatie met Telecom Vastgoed’. Dat oordeel zou daarom onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn, mede in het licht van de stellingen waarop ook onderdeel 4.2 onder b een beroep doet.
onder ddat het hof zou miskennen dat ‘bijzondere bijkomende omstandigheden’ nodig zijn voor het aannemen van onrechtmatige uitlokking van wanprestatie, althans dat ’s hofs oordeel in het licht daarvan onvoldoende gemotiveerd zou zijn. Deze klacht faalt op de gronden die ik hiervoor in 3.76 heb genoemd.
onder enog aan dat het hof in rov. 5.7 de onderlinge verhouding tussen de belangen van Telecom Vastgoed en die van KPN ‘in het midden’ zou hebben gelaten. Deze opmerking – geen klacht – mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 5.7 door middel van een dubbele ontkenning tot uitdrukking gebracht dat het de belangen van KPN (bij gebreke van een nadere toelichting zijdens Telecom Vastgoed) zwaarwegender acht dan die van Telecom Vastgoed. [147]