Conclusie
Nummer21/00109
Inleiding
Het middel
"Ik ben geslagen door mijn broer".
.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor mishandeling van zijn zus, waarbij hij haar in het gezicht sloeg. De verdachte voerde in hoger beroep een geslaagd beroep op noodweer aan, stellende dat hij werd bedreigd met een schroefmachine en zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
Het hof verwierp dit verweer omdat het de feitelijke toedracht van bedreiging met een schroefmachine niet aannemelijk achtte en oordeelde dat de verdachte zelf de aanleiding vormde voor de worsteling door zijn zus mee naar binnen te nemen. Hierdoor was geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich mocht verdedigen.
De verdachte stelde cassatie in tegen dit oordeel, stellende dat het hof onvoldoende gemotiveerd had waarom het beroep op noodweer werd verworpen en dat de bewezenverklaring onvoldoende was onderbouwd. De procureur-generaal adviseerde de Hoge Raad het cassatiemiddel te verwerpen, stellende dat het hof de feiten juist had beoordeeld en voldoende gemotiveerd had waarom geen noodweer aanwezig was.
De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp het cassatiemiddel, waarmee het arrest van het hof in stand bleef. De bewezenverklaring dat de verdachte zijn zus mishandelde is voldoende onderbouwd met politieverklaringen en getuigenverklaringen. Er is geen aanleiding tot vernietiging van het arrest.
Uitkomst: Het beroep op noodweer wordt verworpen en de bewezenverklaring mishandeling blijft in stand zonder strafoplegging.