Conclusie
Nummer20/02125
De procedure in cassatie
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet”, 2 “
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”,3 “
van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, 4 “
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, 5 “
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 6 “
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden. Verder heeft het hof de verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer uitgesproken van meerdere onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
Het eerste middel
Het bestreden arrest
diverse voertuigen (te weten een Audi A6 en/of een Volkswagen Touareg en/of een BMW 5 serie en/of een BMW 530D) en/of
diverse [B] (te weten een Ducati Multistrada en/of een BMW R1200 RT en/of een BMW R 1200GS en/of een KTM 990 en/of diverse investeringen ten behoeve van voornoemde [B] ) en/of
een vaartuig (te weten een Boston Whaler) en/of
diverse horloges (te weten een Rolex en/of Patek Phillipe Nautilus 5980 en/of een Patek Phillipe Nautilus 5980R) en/of
een televisie (van het merk Philips),
“Redengevende feiten en omstandigheden feit 3
Het hof neemt uit het vonnis de hierna volgende overweging (pagina’s 5 en 6, voor zover betrekking hebbend op feit 3 en voor zover relevant voor het bewijs) over en maakt deze tot de zijne:
“Nadere bewijsoverweging feit 3
hij veel geld heeft verdiend door freelance in de beveiligingsbranche te werken als persoonsbeveiliger, waaronder in oorlogslanden. Van 2002 tot 2006 heeft hij gewerkt voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het inkomen dat hij met deze werkzaamheden verwierf betrof legale inkomsten, die contant aan hem werden uitbetaald;
(…)
hij de boot (Boston Whaler) destijds voor niet meer dan € 8.000,00 heeft gekocht en deze vervolgens zelf heeft opgeknapt - hetgeen hem veel geld heeft bespaard - en dat de waarde van de boot feitelijk veel lager ligt dan waarop de boot is getaxeerd.
Voor wat betreft de waarde van de Boston Whaler baseert het hof zich op de waarde in het taxatierapport, te weten € 75.000,00. Het taxatierapport is objectief en verifieerbaar. De omstandigheid dat de boot door executie voor een lager bedrag is verkocht, doet daar niet aan af. Ten aanzien van het gestelde eigen kluswerk aan de boot overweegt het hof dat dit punt aan de orde kan worden gesteld in de ontnemingsprocedure waar de hoogte van de bestedingen zal moeten worden vastgesteld.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de verklaring die de verdachte heeft gegeven voor de herkomst van het geld waarmee de uitgaven zijn bekostigd, niet concreet, niet verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk is. Weliswaar heeft de verdachte documenten overgelegd die betrekking hebben op werkzaamheden in de beveiligingsbranche, maar deze stukken zien op de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde periode en daaruit kan niet worden afgeleid dat de verdachte jarenlang een dusdanig hoog salaris heeft ontvangen dat hij daar jaren later nog in grote mate over heeft kunnen beschikken. Dit valt ook niet te rijmen met de omstandigheid dat de verdachte op zijn bankrekeningen tussen eind 2007 en begin 2011 ruim € 20.000 heeft ontvangen van zijn moeder en zus, waarvan een aantal overboekingen is omschreven als 'lening'. Zijn zus heeft, als getuige gehoord bij de raadsheer-commissaris, bovendien verklaard dat de verdachte in 2010 geld nodig had en dat dat de reden was dat zij hem de opbrengst van een auto heeft geschonken.De verklaring van de getuige [betrokkene 3] dat de verdachte jarenlang voor hem heeft gewerkt in de beveiligingsbranche en steeds door hem – [betrokkene 3] – contant betaald werd, heeft het hof evenmin overtuigd. Deze verklaring wordt op geen enkele wijze aan de hand van enig objectief gegeven onderbouwd, terwijl dit wel voor de hand had gelegen aangezien [betrokkene 3] blijkens zijn verklaring het salaris steeds contant heeft opgenomen van zijn bankrekening en de verdachte voor de ontvangst telkens naar het Verenigd Koninkrijk zou zijn afgereisd. Daarom kan ook op dit punt niet worden gesproken van een min of meer verifieerbare verklaring.
De verklaring van de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep
De verdachte verklaart voorts het volgende.
dat alles goed werd afgeschermd. Dat werk werd veelal cash betaald, over het algemeen in de koffer. Het moest eigenlijk geheim blijven, ook voor de belastingdienst. Wij krijgen zulke hoge bedragen dat wij in principe in een hogere trede zouden komen dan de ambassadeur. Dat kan natuurlijk niet, zodoende hebben zij zo’n constructie bedacht. U merkt op dat dat mij kwetsbaar maakt voor een witwasverdenking, maar ik zeg u dat mijn verklaring is dat ik jarenlang in oorlogsgebied heb gewerkt.
De verdachte verklaart verder als volgt.
geen belastingfraude betreft.
Een nadere omschrijving van het eerste middel
overtuigd” en dat die verklaring niet door “
enig objectief gegeven wordt onderbouwd”, terwijl dat wel “
voor de hand had gelegen”. Volgens de steller van het middel heeft het hof daarmee ten onrechte de bewijslast omgekeerd door van de verdachte een onderbouwing te verlangen van zijn eigen verklaring. Bovendien ligt in die bewoordingen besloten dat de verklaring van de verdachte volgens het hof niet door enig objectief bewijsmiddel wordt ondersteund, terwijl het eerst op de weg van het Openbaar Ministerie had gelegen om nader onderzoek te doen naar de verklaring van de verdachte. Daardoor is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
Het juridisch kader
nietvan misdrijf afkomstig is.
De beoordeling van het eerste middel
overtuigd” en dat het “
voor de hand had gelegen” dat zijn verklaring was onderbouwd. Dat is echter, anders dan de steller van het middel doet voorkomen, niet hetzelfde als het vereisen van een nadere onderbouwing voor de verklaring van de verdachte zelf. Noch heeft het hof geoordeeld dat er in het geheel geen objectieve onderbouwing bestaat voor de verklaring van de verdachte. Daar komt bij dat het hof zijn oordeel dat geen sprake is van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring niet uitsluitend heeft doen steunen op het ontbreken van die onderbouwing.