ECLI:NL:PHR:2022:284

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2022
Publicatiedatum
23 maart 2022
Zaaknummer
20/02125
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 33a lid 1 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 440 SvArt. 6 lid 2 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens falende motivering verbeurdverklaring en strafoplegging witwassen

De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor gewoontewitwassen en tot achttien maanden gevangenisstraf. Tevens werd verbeurdverklaring uitgesproken van diverse voorwerpen waaronder voertuigen, horloges, een boot en contant geld. Het hof baseerde de bewezenverklaring op een vermoeden dat de voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf, waarbij de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring gaf over de legale herkomst van het geld.

De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte de bewijslast had omgekeerd door van hem een onderbouwing van zijn verklaring te verlangen, terwijl het openbaar ministerie nader onderzoek had moeten doen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het driestappenplan correct had toegepast en dat het oordeel over de onvoldoende concrete en verifieerbare verklaring van de verdachte niet onbegrijpelijk was.

Wel oordeelde de Hoge Raad dat de verbeurdverklaring van diverse voorwerpen, waaronder contant geld en sommige horloges, onvoldoende was gemotiveerd en daarom onbegrijpelijk was. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verbeurdverklaring en verwees de zaak terug voor een nieuwe beslissing over die onderdelen, terwijl het cassatieberoep voor het overige werd verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen; de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beslissing.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02125

Zitting5 april 2022
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.

De procedure in cassatie

1. De verdachte is bij arrest van 14 juli 2020 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1 “
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet”, 2 “
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”,3 “
van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, 4 “
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, 5 “
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 6 “
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden. Verder heeft het hof de verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer uitgesproken van meerdere onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
2. Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak 21/00593. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

4. Het eerste middel richt zich tegen het onder 3 bewezen verklaarde gewoontewitwassen en komt in het bijzonder op het tegen het oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde voorwerpen ‘uit enig misdrijf afkomstig zijn’.
5. Hieronder geef ik eerst de bewezenverklaring, de feitenvaststelling en de bewijsoverweging van het hof ten aanzien van feit 3 weer, gevolgd door de relevante gedeelten van de verklaringen van de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep over de (legale) herkomst van het geld waarmee hij de in de tenlastelegging opgenomen voorwerpen heeft aangeschaft. Daarna bespreek ik het middel nader.

Het bestreden arrest

6. Het hof heeft, voor zover hier relevant, ten laste van de verdachte het volgende bewezen verklaard:
“3. hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 10 februari 2014, te [plaats] , goederen, te weten
-
diverse voertuigen (te weten een Audi A6 en/of een Volkswagen Touareg en/of een BMW 5 serie en/of een BMW 530D) en/of
-
diverse [B] (te weten een Ducati Multistrada en/of een BMW R1200 RT en/of een BMW R 1200GS en/of een KTM 990 en/of diverse investeringen ten behoeve van voornoemde [B] ) en/of
-
een vaartuig (te weten een Boston Whaler) en/of
-
diverse horloges (te weten een Rolex en/of Patek Phillipe Nautilus 5980 en/of een Patek Phillipe Nautilus 5980R) en/of
-
een televisie (van het merk Philips),
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerpen middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, van witwassen een gewoonte heeft gemaakt”
7. Het hof heeft ten behoeve van de bewezenverklaring van het gewoontewitwassen de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld:

“Redengevende feiten en omstandigheden feit 3

Het hof neemt uit het vonnis de hierna volgende overweging (pagina’s 5 en 6, voor zover betrekking hebbend op feit 3 en voor zover relevant voor het bewijs) over en maakt deze tot de zijne:

“In de woning van verdachte is op 10 februari 2014 een horloge, merk Rolex, aangetroffen. Hierbij zijn tevens een garantiebewijs van 4 oktober 2007 en een verkoopreçu van maart 2008 aangetroffen. Verder is er op 10 februari 2014 in de woning van verdachte een horloge, merk Patek Philippe, type Nautilus 5980, aangetroffen, alsmede een garantiebewijs van augustus 2013. Daarnaast wordt er op 10 februari 2014 in verdachtes woning een horloge van het merk Patek Philippe, type Nautilus 5980R, aangetroffen. Dit type is in 2010 geïntroduceerd. Tijdens de doorzoeking op 10 februari 2014 wordt in de [a-straat 1] te [plaats] een televisie van het merk Philips in beslag genomen. Dit betreft een model dat in 2010 werd geïntroduceerd.
(…)
Op 10 februari 2014 heeft een doorzoeking plaatsgevonden van een loods aan het [b-straat 1] te [plaats] . Verdachte maakt gebruik van deze loods. In deze loods wordt een boot (Boston Whaler) aangetroffen. Deze boot is van verdachte. De aansprakelijkheid van verdachte ten aanzien van deze boot vangt aan in april 2011.
Bij de doorzoeking op 10 februari 2014 aan de [a-straat] te [plaats] is een Audi A6 in beslag genomen. Verdachte heeft een Audi A6 gekocht. De factuurdatum van deze aankoop betreft 5 september 2013. Uit nader onderzoek blijkt dat verdachte op 20 juli 2012 een Volkswagen Touareg op zijn naam gesteld krijgt. Verdachte heeft deze auto zelf gekocht. Op 2 februari 2010 krijgt verdachte een BMW 535D, met kenteken [kenteken 1] , op zijn naam gesteld en op 16 juli 2012 wordt deze BMW op naam gesteld van V.O.F. [A] . Verdachte heeft zelf een auto, BMW 5 serie, met kenteken [kenteken 1] , gekocht. Op 18 maart 2009 wordt een auto, BMW 530D, op naam gesteld van verdachte. Op 23 juni 2009 wordt deze auto over geschreven op naam van [betrokkene 1] , zus van verdachte. Op 22 juni 2010 wordt een motor, BMW R 1200 RT, op naam gesteld van verdachte. Op 26 maart 2013 wordt deze motor op naam gesteld van [B] B.V. Op 8 juni 2009 wordt een motorfiets, BMW R 1200 GS, op naam gesteld van verdachte. Op 21 juni 2010 wordt deze motorfiets op naam gesteld van [betrokkene 2] . Op 1 januari 2008 heeft verdachte een motorfiets, KTM 990, op zijn naam geregistreerd staan. Deze registratie eindigt op 4 juni 2008. Op 29 maart 2013 wordt een Ducati Multistrada motorfiets op naam gesteld van verdachte. Deze Ducati staat op 23 augustus 2014 nog op naam van verdachte geregistreerd. Verdachte heeft in 2013 een bedrag van 2.042,79 euro betaald aan [B] B.V. in verband met werkplaatsfacturen. In de jaren 2008 tot en met 2012 betaalt verdachte jaarlijks een bedrag aan [C] B.V. met betrekking tot werkplaatsfacturen. Uit nader onderzoek blijkt dat verdachte in 2009 een nettoloon ontving van 3.568 euro. De inkomsten van verdachte buiten Nederland bedragen zowel in 2009 als in 2010 12.000 euro. In 2010 bedraagt verdachtes nettoloon 23.447 euro en in 2011 26.993 euro. De bankspaargelden van verdachte nemen van ongeveer 12.000 euro in 2010 toe tot ongeveer 82.000 euro in 2012.”
8. De bewezenverklaring steunt, blijkens de aanvulling, op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in voetnoten van het Promis-vonnis van de rechtbank van 27 november 2015 waarnaar ik, omwille van de leesbaarheid van deze conclusie, verwijs.
9. Het hof heeft, voor zover hier relevant, de volgende bewijsoverweging ten grondslag gelegd aan de bewezenverklaring:

“Nadere bewijsoverweging feit 3

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde witwassen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geld en deze verklaring heeft onderbouwd met stukken. Het had op de weg van het openbaar ministerie gelegen hier nader onderzoek naar te doen. Nu dit niet is gebeurd en de verklaring aldus niet is weerlegd, is niet komen vast te staan dat het geld een criminele herkomst heeft, aldus de raadsvrouw.
Het hof stelt het volgende voorop. Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf', is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vast staat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf' afkomstig is, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de gelden. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve legale herkomst van het voorwerp.
Vermoeden van witwassen
Het hof stelt vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat hef geld waarmee de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen zijn aangeschaft, uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof is echter wel van oordeel dat op grond van de navolgende feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan het delict witwassen is gerechtvaardigd.
Op 10 februari 2014 worden in de woning van de verdachte een geldbedrag van € 379.140,00, meerdere horloges (o.a. van het merk Patek Philippe en Rolex) en een prijzige televisie aangetroffen. In een door de verdachte gebruikte garage en loods worden respectievelijk een auto van het merk Audi, type A6 Quattro en een boot met boottrailer aangetroffen. Uit belastinggegevens en bankafschriften van de verdachte blijkt niet dat hij in de onderzoeksperiode voldoende legale inkomsten had om deze uitgaven te kunnen financieren. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat het vermoeden van witwassen gerechtvaardigd is en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij voor de herkomst van het geld waarmee de in de tenlastelegging bedoelde uitgaven zijn gedaan, een verklaring geeft die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken.
Verklaringen van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat
a.
hij veel geld heeft verdiend door freelance in de beveiligingsbranche te werken als persoonsbeveiliger, waaronder in oorlogslanden. Van 2002 tot 2006 heeft hij gewerkt voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het inkomen dat hij met deze werkzaamheden verwierf betrof legale inkomsten, die contant aan hem werden uitbetaald;
b.
(…)
c.
hij de boot (Boston Whaler) destijds voor niet meer dan € 8.000,00 heeft gekocht en deze vervolgens zelf heeft opgeknapt - hetgeen hem veel geld heeft bespaard - en dat de waarde van de boot feitelijk veel lager ligt dan waarop de boot is getaxeerd.
Beoordeling hof
(…)
Ten aanzien van de Boston Whaler (c)
Voor wat betreft de waarde van de Boston Whaler baseert het hof zich op de waarde in het taxatierapport, te weten € 75.000,00. Het taxatierapport is objectief en verifieerbaar. De omstandigheid dat de boot door executie voor een lager bedrag is verkocht, doet daar niet aan af. Ten aanzien van het gestelde eigen kluswerk aan de boot overweegt het hof dat dit punt aan de orde kan worden gesteld in de ontnemingsprocedure waar de hoogte van de bestedingen zal moeten worden vastgesteld.
Ten aanzien van de legale inkomsten uit persoonsbeveiliging (a)
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de verklaring die de verdachte heeft gegeven voor de herkomst van het geld waarmee de uitgaven zijn bekostigd, niet concreet, niet verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk is. Weliswaar heeft de verdachte documenten overgelegd die betrekking hebben op werkzaamheden in de beveiligingsbranche, maar deze stukken zien op de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde periode en daaruit kan niet worden afgeleid dat de verdachte jarenlang een dusdanig hoog salaris heeft ontvangen dat hij daar jaren later nog in grote mate over heeft kunnen beschikken. Dit valt ook niet te rijmen met de omstandigheid dat de verdachte op zijn bankrekeningen tussen eind 2007 en begin 2011 ruim € 20.000 heeft ontvangen van zijn moeder en zus, waarvan een aantal overboekingen is omschreven als 'lening'. Zijn zus heeft, als getuige gehoord bij de raadsheer-commissaris, bovendien verklaard dat de verdachte in 2010 geld nodig had en dat dat de reden was dat zij hem de opbrengst van een auto heeft geschonken.De verklaring van de getuige [betrokkene 3] dat de verdachte jarenlang voor hem heeft gewerkt in de beveiligingsbranche en steeds door hem – [betrokkene 3] – contant betaald werd, heeft het hof evenmin overtuigd. Deze verklaring wordt op geen enkele wijze aan de hand van enig objectief gegeven onderbouwd, terwijl dit wel voor de hand had gelegen aangezien [betrokkene 3] blijkens zijn verklaring het salaris steeds contant heeft opgenomen van zijn bankrekening en de verdachte voor de ontvangst telkens naar het Verenigd Koninkrijk zou zijn afgereisd. Daarom kan ook op dit punt niet worden gesproken van een min of meer verifieerbare verklaring.
Zonder nadere informatie, die ontbreekt, kan geen verband worden gelegd tussen de vermeende inkomsten uit werk in de beveiligingsbranche en de in de tenlastelegging genoemde ten opzichte van de wel te traceren inkomsten buitensporige uitgaven. Het hof komt tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de ten laste gelegde voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren en dat de verdachte dit wist.
Ten slotte overweegt het hof dat gelet op de lange periode en de hoeveelheid en de aard van de witgewassen voorwerpen bewezen kan worden dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen op de wijze als hierna vermeld.”

De verklaring van de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep

10. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 13 november 2015 heeft de verdachte bij de rechtbank Amsterdam over de (legale) herkomst van het geld waarmee hij de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen heeft aangeschaft, voor zover hier relevant, het volgende verklaard:
“(…)
U vraagt mij naar de witwasverdenking. Ik heb veel geld verdiend door mijn werk in de beveiliging. Ik werkte jarenlang in oorlogsgebied en heb een grote klantenkring opgebouwd. Van 2002 tot 2006 heb ik voor het ministerie van Buitenlandse Zaken gewerkt, daarna had ik privé een grote klantenkring van mensen die van mijn beveiliging gebruik wilden maken. Ik heb geld verdiend in het buitenland, dat werd veelal cash betaald. Ik snap de witwasverdenking niet, in mijn idee is witwassen geld verstoppen of verhullen. Alle in de tenlastelegging genoemde voorwerpen heb ik zelf op mijn naam gezet. U zegt mij dat u mijn verbazing niet helemaal snapt, omdat uit de gegevens blijkt dat mijn loon in 2009, 2010 en 2011 slechts een fractie bedraagt van het geld dat ik heb uitgegeven. Ik zeg u dat witwassen bij mij in een heel ander licht staat. Ik ben geen jurist of accountant, maar ik denk dan aan heel andere dingen. De verdenking van de politie dat ik veel geld heb verdiend met hennephandel spreek ik tegen. Ik vind dat ze het makkelijk hebben opgeschreven allemaal, ze hebben al mijn gegevens doorgenomen en hebben veel geïnsinueerd. Daarom heb ik besloten om mij te onthouden van commentaar. Mede op advies van mijn raadsvrouw heb ik mij op mijn zwijgrecht beroepen. Ik was wel degelijk aan het werk bij [D] en [betrokkene 4] . Ik heb nooit stil gezeten. De vakanties, waarvan er foto’s in het dossier zitten, zijn altijd in combinatie met werk geweest. Aan de boot heb ik alles zelf gedaan, daar heb ik 4 jaar aan gewerkt. Er is een foto dat ik zelf die boot sta te spuiten. Hij wordt geraamd op 100.000 euro, en hij wordt vervolgens door justitie verkocht voor 24.000 euro! Deze boot was mijn lust en mijn leven. U vraagt mij naar het in mijn woning aangetroffen geldbedrag. Ik zeg u dat ik vanaf 2007 een functie bij buitenlandse zaken had. Het contact ging via een bedrijf, dat wordt ingehuurd door het ministerie voor ambassades in het buitenland. Ik ben daar 4 jaar in dienst geweest, dat was voor 2007.
Deraadsvrouwmerkt op dat het in het reclasseringsrapport (pagina 3) genoemde jaartal over de functie bij het ministerie van Buitenlandse Zaken onjuist is.

De verdachte verklaart voorts het volgende.

U vraagt mij of er iets anders is waaruit afgeleid kan worden dat ik inderdaad dat werk heb gedaan. Ik zeg u dat er veel foto’s zijn van mijn werk in het Midden-Oosten, maar het waspart of the deal
dat alles goed werd afgeschermd. Dat werk werd veelal cash betaald, over het algemeen in de koffer. Het moest eigenlijk geheim blijven, ook voor de belastingdienst. Wij krijgen zulke hoge bedragen dat wij in principe in een hogere trede zouden komen dan de ambassadeur. Dat kan natuurlijk niet, zodoende hebben zij zo’n constructie bedacht. U merkt op dat dat mij kwetsbaar maakt voor een witwasverdenking, maar ik zeg u dat mijn verklaring is dat ik jarenlang in oorlogsgebied heb gewerkt.
Deraadsvrouwmerkt op dat zij verdachte heeft gevraagd om meer onderbouwing van zijn werkzaamheden, buiten het werk bij [D] en [betrokkene 4] om, en dat er volgens verdachte bij de in beslag genomen goederen foto’s, filmpjes en documenten zich bevinden die daar verband mee houden. De raadsvrouw wijst tevens op het achter haar pleitnota gevoegde diplomatiek paspoort van verdachte.

De verdachte verklaart verder als volgt.

De politie heeft in het dossier opgeschreven dat ik via [D] en [betrokkene 4] mijn eigen salaris betaal. Dat is onzin. Ik werkte voor [D] als adviseur en werk tot op de dag van vandaag voor [betrokkene 4] . Ik maak nu een soort van spagaat tussen Amsterdam en Duitsland voor dat werk. Ik verdiende dus veel geld in het buitenland, maar had daarnaast twee banen van samen 48 uur. Ik had een geweldige job bij [D] , ik zat overal, in die tijd vooral Zwitserland, Duitsland en Italië, ik werkte ook in de VS voor [E] als begeleider. Tussendoor ging ik ook auto’s collecteren voor verhuurbedrijven. Ik doe dat al 30 jaar.”
(…)
Deverdachteverklaart desgevraagd het volgende over zijn persoonlijke omstandigheden.
Het klopt dat ik sinds 2007 een hoge functie had bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ik bedoel dat het veel eerder was dan 2007. U zegt mij dat u meermalen heeft genoemd dat er ‘sinds 2007’ staat en dat ik dat telkens heb bevestigd. U zegt ook dat ik het reclasseringsrapport heb doorgelezen en ondertekend. Ik zeg u dat het echt vóór 2007 was.
(…)”
11. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 30 juni 2020 van het hof is daar het volgende besproken over de (legale) herkomst van het geld waarmee de verdachte stelt de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen te hebben aangeschaft:
“De voorzitter deelt mede:
Feit 3 betreft de kern van het hoger beroep. Het scenario dat wordt geschetst is dat u meer heeft uitgegeven dan u aan legale inkomsten heeft genoten. U heeft aangevoerd dat u een dienstbetrekking bij [betrokkene 4] heeft gehad. [betrokkene 4] is hierover gehoord. U zou daar hebben gewerkt van 2008 tot eind 2016. U ontving € 1.000,00 per maand, dit werd giraal betaald. U heeft hiertoe salarisstroken en een arbeidsovereenkomst overgelegd. Daarnaast heeft u aangevoerd dat u bij [D] heeft gewerkt. Dit zou rommelig zijn verlopen en u zou verkeerde loonstroken hebben gekregen. U werkte in de interne dienst en ontving € 2.500,00 bruto. Hier zou u hebben gewerkt van eind 2009 tot begin 2014.
De raadsvrouw voert aan dat de betalingen via een betaalbureau liepen.
De verdachte verklaart:
Hetgeen u heeft voorgehouden klopt. Na 2014 ben ik op non-actief gezet en heb ik zelf ontslag genomen. Mijn werk bestond uit het zoeken naar nieuwe klanten en controle van personen in de buitendienst (beveiliging, evenementen).
De voorzitter deelt mede:
De hoofdmoot van uw eerdere inkomen bestond, zo begrijp ik, uit eigen beveiligingswerk in het Midden-Oosten voor Buitenlandse Zaken. U beschikte over een diplomatiek paspoort. Klopt het dat u hier verder niks over op papier heeft?
De raadsvrouw deelt mede dat alle producties zijn bijgevoegd bij de pleitnota, waaronder facturen, en dat er geen stukken bestaan met betrekking tot de betaling omdat alles contant werd betaald.
De voorzitter vraagt aan de verdachte of de Belastingdienst van niks wist.
De verdachte verklaart:
De betalingen waren zo hoog dat we in een trede zouden komen die hoger was dan die van de diplomaten. Daarom moest het ‘onder ons’ blijven. Ik was geen vrienden met de Belastingdienst. Ik wilde alles cash ontvangen. Ik heb getwijfeld over aangifte doen. Het is zwart geld. Ik heb het in het buitenland verdiend en niet aangegeven in Nederland. Dat was toen mijn manier van werken. Nu zie ik in dat het fout was. Administratie is niet mijn vaardigheid. U, voorzitter, houdt mij voor dat geen belasting betalen een vorm van criminaliteit is. Ja, in de volksmond wel. Tegenwoordig is alles witwassen. Nu weet ik dat het een zwarte betaling was. Ik beloof dat ik heb nagedacht over de inkeerregeling, want: ik kan het geld niet uitgeven, alleen opsparen. Dat heb ik gedaan. In een schoenendoos.
De raadsman voert aan dat het gronddelictin casu
geen belastingfraude betreft.
(…)
De raadsvrouw vraagt ten aanzien van drie facturen, die gevoegd zijn bij de pleitnota, of de verdachte zelf ook factureerde.
De verdachte antwoordt:
Ja, het ging om beveiligingswerkzaamheden. Voor [E] bijvoorbeeld. Dat deed ik via bevriende beveiligingsbedrijven. Die facturen leggen wij over. Het ging om grote bedragen. Meer dan € 500,00 per dag, sinds 1989. Op de facturen staan alleen mijn initialen ( [verdachte] ).
De raadsvrouw voert aan dat de getuige dit ook heeft gezegd.
(…)
De verdachte verklaart:
(…)U, voorzitter, vraagt mij naar de boot. Die is gebouwd in 1989. Ik heb die gekocht voor € 8.000,00, ik weet niet precies wanneer. Ik heb die in 2009 of 2010 gekocht.
De raadsvrouw voert aan dat in het dossier op pagina 391 staat dat dat de boot op naam van de verdachte kwam in 2011.
De voorzitter houdt de verdachte voor dat de boot een beetje opgeknapt zou zijn, door het aanbrengen van een gel coat.
De verdachte verklaart:
Het was geen gel coat. Ik heb zelf geheel de boot opgeknapt. Ik heb alles in eigen beheer gedaan, en niet uitbesteed aan een bedrijf. Dit is te zien op de foto’s. Dat was mijn hobby. De nieuwwaarde in 1989 was 140.000 gulden. Het is een hele bijzondere boot.(…)”

Een nadere omschrijving van het eerste middel

12. Het eerste middel komt, zoals gezegd, op het tegen het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen ‘uit enig misdrijf afkomstig zijn’. Blijkens de toelichting valt het middel uiteen in twee deelklachten.
13. In de eerste deelklacht wordt gepersisteerd in het standpunt in feitelijke aanleg dat de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de (legale) herkomst van het geld waarmee hij in de tenlastelegging genoemde voorwerpen heeft aangeschaft, namelijk dat hij in de periode van 2002 tot 2006 contant geld heeft verdiend als freelance beveiliger in oorlogslanden voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het hof heeft dat miskend door in zijn oordeel te betrekken dat de verklaring van de getuige [betrokkene 3] , te weten dat de verdachte jarenlang voor hem heeft gewerkt in de beveiligingsbranche, het hof niet heeft “
overtuigd” en dat die verklaring niet door “
enig objectief gegeven wordt onderbouwd”, terwijl dat wel “
voor de hand had gelegen”. Volgens de steller van het middel heeft het hof daarmee ten onrechte de bewijslast omgekeerd door van de verdachte een onderbouwing te verlangen van zijn eigen verklaring. Bovendien ligt in die bewoordingen besloten dat de verklaring van de verdachte volgens het hof niet door enig objectief bewijsmiddel wordt ondersteund, terwijl het eerst op de weg van het Openbaar Ministerie had gelegen om nader onderzoek te doen naar de verklaring van de verdachte. Daardoor is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
14. De tweede deelklacht heeft in het bijzonder betrekking op één van de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen, namelijk de boot van het merk Boston Whaler. Geklaagd wordt dat de door het hof vastgestelde waarde van die boot ad € 75.000,- niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen. Verder wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft nagelaten om te beoordelen of de verklaring van de verdachte ten aanzien van de boot (te weten dat hij de boot voor slechts € 8.000,- heeft aangeschaft en dat de boot meer waard is geworden door eigen werkzaamheden) concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Hierdoor zou het bestreden oordeel van het hof onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, zijn.

Het juridisch kader

15. De Hoge Raad heeft bij arrest van 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:156, zijn eerdere rechtspraak samengevat omtrent het bewijs van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ ingeval er geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf. De Hoge Raad heeft die rechtspraak als volgt samengevat:
“2.3.2. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
2.3.3. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)”
16. In mijn conclusie voorafgaand aan het hiervoor weergegeven arrest ben ik reeds ingegaan op de jurisprudentie van de Hoge Raad over het bewijs van de criminele herkomst van een voorwerp ten aanzien waarvan de verdachte handelingen heeft begaan die kunnen worden aangemerkt als witwassen ingeval dit voorwerp inderdaad ‘uit enig misdrijf afkomstig’ is. Bij afwezigheid van rechtstreeks bewijs voor de vaststelling dat een voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, kan de rechter deze vaststelling afleiden uit omstandigheden die in voldoende mate in deze richting wijzen. Aan de jurisprudentie valt in dit verband een redeneerschema te ontlenen dat het ‘(drie)stappenplan’ wordt genoemd. Die stappen zijn:
(i). Rechtvaardigen de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden ‘het vermoeden’ dat het betreffende voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is?
(ii). Zo ja, heeft de verdachte ‘een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring’ gegeven voor de herkomst van het voorwerp? In dit verband valt op te merken dat van de verdachte niet mag worden verlangd dat hij aannemelijk maakt, laat staan bewijst, dat het voorwerp
nietvan misdrijf afkomstig is.
(iii). Als de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om daarnaar nader onderzoek te doen. De rechter zal vervolgens op basis van de resultaten van dit onderzoek moeten beoordelen of de criminele herkomst van het voorwerp bewezen kan worden. [1]

De beoordeling van het eerste middel

17. Het hof heeft deze zaak naast het stappenplan gelegd. Het hof heeft de eerste vraag van het stappenplan bevestigend beantwoord en daarbij het vermoeden van witwassen gebaseerd op de omstandigheid dat de verdachte over onvoldoende legale inkomsten heeft beschikt om daarmee de onderwerpelijke voorwerpen te kunnen bekostigen. Het hof heeft geoordeeld dat het aan de verdachte is om een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het geld waarmee hij de voorwerpen heeft aangeschaft die in de tenlastelegging van witwassen zijn opgenomen. De steller van het middel heeft het oordeel van het hof in zoverre niet aangevochten, zodat in cassatie daarvan kan worden uitgegaan.
18. De verdachte heeft verklaard dat hij in de periode van 2002 tot 2006 veel contant geld heeft verdiend door voor het ministerie van Buitenlandse Zaken als freelance beveiliger in oorlogslanden te werken. Het hof heeft geoordeeld dat deze verklaring niet concreet, niet verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk is. Hiertegen komt de steller van het middel op.
19. Tevergeefs, want dat oordeel acht ik niet-onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Daarbij betrek ik dat de verdachte slechts in zijn algemeenheid heeft verklaard over het werk waaruit hij inkomen zou hebben verkregen en hij geen concrete gegevens heeft verschaft over de hoogte van dat inkomen dat hij met specifieke werkzaamheden (in totaal) heeft verdiend in de door hem genoemde periode. Het hof heeft in dat verband in aanmerking genomen dat de door de verdachte ingediende stukken dateren van vóór de ten laste gelegde periode en dat daaruit (ook) niet kan worden afgeleid dat de verdachte jarenlang een dusdanig hoog salaris heeft ontvangen dat hij daarover jaren later (lees: tijdens de ten laste gelegde periode) nog zou kunnen beschikken. Bovendien heeft het hof vastgesteld dat een dergelijke vermogenspositie zich niet verhoudt met het feit dat de verdachte tijdens de ten laste gelegde periode geld geleend heeft en geschonken heeft gekregen van familie. Deze vaststellingen worden in cassatie niet betwist en kunnen het oordeel van het hof dragen.
20. Uit de motivering van het hof kan, anders dan in de eerste deelklacht wordt gesteld, niet worden afgeleid dat het hof iets anders van de verdachte heeft verlangd dan het afleggen van een concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Het hof heeft erop gewezen dat de verklaring van de getuige [betrokkene 3] het hof niet heeft “
overtuigd” en dat het “
voor de hand had gelegen” dat zijn verklaring was onderbouwd. Dat is echter, anders dan de steller van het middel doet voorkomen, niet hetzelfde als het vereisen van een nadere onderbouwing voor de verklaring van de verdachte zelf. Noch heeft het hof geoordeeld dat er in het geheel geen objectieve onderbouwing bestaat voor de verklaring van de verdachte. Daar komt bij dat het hof zijn oordeel dat geen sprake is van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring niet uitsluitend heeft doen steunen op het ontbreken van die onderbouwing.
21. Ten aanzien van de boot merk ik het volgende op. In de tweede deelklacht wordt verwezen naar een verklaring van de verdachte die betrekking heeft op de waarde van de boot. Mocht het hof op grond daarvan geoordeeld hebben dat niet beoordeeld hoeft te worden in hoeverre sprake is van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring aangezien de verklaring geen betrekking heeft op de herkomst van het geld waarmee de boot is aangeschaft, dan acht ik dat alleszins begrijpelijk.
22. De steller van het middel heeft verder niet toegelicht waaruit volgt dat de door het hof vastgestelde waarde van de boot moet zijn ontleend aan een wettig en ten aanzien van het bewezen verklaarde feit gebezigd bewijsmiddel. Daarbij merk ik voor de volledigheid op dat de waarde van de boot geen onderdeel vormt van de bewezenverklaring.
23. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

24. Het tweede middel keert zich tegen de (motivering van de) verbeurdverklaring.
25. Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de verbeurdverklaring het volgende in:
Verbeurdverklaring
Het hof is van oordeel dat de volgende voorwerpen die onder de verdachte in beslag genomen en niet zijn teruggegeven dienen te worden verbeurdverklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met betrekking tot deze voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, zijn begaan, dan wel deze voorwerpen tot het begaan van de bewezen verklaarde feiten zijn vervaardigd of bestemd:
1. aanhanger (kenteken: [kenteken 2] )
2. boot (Boston Whaler)
3. buitenboordmotor (Mercury)
4. vordering (ABN AMRO-betaalrekening)
5. geld (300 X 100 euro)
6. geld (30 X 100, 12 x 50, 48 x 20, 24 x 10 euro)
7. geld (50 x 100, 39 x 50, 45 x 20, 1 x 10 euro)
8. geld (60 x 50 euro)
9. geld (10 x 100 euro)
10. geld (400 x 500, 1300 x 100 euro)
11. geld (10 x 100, 24 x 50, 10 x 20, 8 x 10 euro)
12. geld (waarde staatsloten)
13. geld (waarde staatsloten)
15. klok (Chopard)
16. horloge (Patek Philippe)
17. horloge (Rolex Daytona)
18. horloge (Pätek Philippe)
19. horloge (Rolex Daytona)
20. hanger (panter)
21. klok (Granhart)
22. horloge (Hublot)
23. horloge (Cartier)
24. horloge (Rolex Oyster)
25. horloge (Lancaster lady)
26. horloge (DKNY)
27. horloge (Gerald Genia)
28. horloge (IWC)
29. horloge (Ebel)
30. horloge (Longiness)
31. horloge (Chopard)
32. horloge (Guess)
33. horloge (Lacroix)
34. horloge (DKNY)
35. horloge (DKNY)
36. personenauto (Audi A6 Quattro, kenteken: [kenteken 3] )
40. televisie (Philips)”
26. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat uit de motivering van het hof niet kan worden afgeleid dat de bewezen verklaarde feiten met betrekking tot de bovenstaande voorwerpen zijn begaan dan wel dat deze voorwerpen tot het begaan van de bewezen verklaarde feiten zijn vervaardigd of bestemd.
27. Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Blijkens de motivering heeft het hof de verbeurdverklaring gebaseerd op artikel 33a lid 1, onder b en/of onder c, Sr zonder een onderscheid te maken ten aanzien van de voorwerpen. [2] In het middel wordt daarover niet geklaagd. Met de steller van het middel ga ik bij mijn beoordeling ervan uit dat beide grondslagen ten aanzien van alle voorwerpen gelden.
28. Verbeurdverklaring op grond van artikel 33a lid 1, onder b, Sr ziet op ‘corpora delicti’: voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan. De term ‘betrekking’ is ruim, waardoor de grens met verbeurdverklaring op grond van artikel 33a lid 1, onder c, Sr vloeiend is. [3] Bij die bepaling gaat het om ‘instrumenta delicti’: voorwerpen die bij de voorbereiding of uitvoering van het delict daadwerkelijk zijn gebruikt. De verbeurdverklaring van een voorwerp moet berusten op gegevens die uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. [4]
29. De verdachte is onder 3 veroordeeld voor het plegen van gewoontewitwassen. Uit de bewezenverklaring van dat feit (zie randnummer 6 hierboven) volgt, onder meer, dat hij een boot van het merk Boston Whaler (nummer 2), twee horloges van het merk Patek (nummers 16 en 19), een personenauto van het merk Audi (nummer 36) en een televisie van het merk Philips (nummer 40) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet. Het gaat daarmee om voorwerpen met betrekking tot welke het gewoontewitwassen is begaan, zoals bedoeld in artikel 33a lid 1, onder b, Sr. Gelet daarop is de verbeurdverklaring van deze voorwerpen niet-onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
30. Deze redenering had ook kunnen opgaan voor een horloge van het merk Rolex die eveneens in de bewezenverklaring van het gewoontewitwassen is opgenomen. Het hof heeft echter drie horloges van het merk Rolex verbeurdverklaard (nummers 17, 19 en 24) zonder toe te lichten met betrekking tot welke van die drie horloges het gewoontewitwassen is gepleegd, terwijl ook anderszins niet blijkt welk feit met betrekking tot (één van) die horloges is begaan, althans tot het begaan van welk feit (één van) die horloges zijn vervaardigd of bestemd. [5] Gelet op daarop is de verbeurdverklaring van alle drie de horloges van het merk Rolex zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
31. Dan de verbeurdverklaring van de contante geldbedragen (nummers 5 tot en met 11). Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat deze geldbedragen (in totaal € 379.140,-) verband houden met, kort gezegd, de hennephandel (feit 2), aangezien het hof het aantreffen van deze geldbedragen heeft betrokken bij de bewijsvoering van dat feit (zie bewijsmiddel 6). Uit de bewijsvoering (bewijsmiddelen 4, 5 en 6) blijkt bovendien dat het merendeel van de contante geldbedragen in dezelfde inloopkast lag als de in- en verkooplijsten van hennep.
32. Uit de gegevens die uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken, volgt echter niet dat de contante geldbedragen daadwerkelijk bij de hennephandel zijn gebruikt. Daarnaast ontbreekt het aan een motivering waaruit blijkt wat de betrekking is tussen de contante geldbedragen en de hennephandel. Een (door het hof niet tot uitdrukking gebrachte) gedachte kan zijn geweest dat het gaat om ‘bedrijfskapitaal’ [6] ten behoeve van de hennephandel, of dat het hier de opbrengst van hennephandel betreft (als bedoeld in artikel 33a lid 1, onder a, Sr), maar daartoe strekkende vaststellingen ontbreken. [7]
33. Dat de andere bewezen verklaarde feiten met betrekking tot deze contante geldbedragen zijn begaan, dan wel dat die contante geldbedragen tot het begaan van de andere bewezen verklaarde feiten zijn vervaardigd of bestemd, blijkt evenmin. De verbeurdverklaring van de contante geldbedragen is daarom zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
34. Ten aanzien van de aanhanger (nummer 1), de buitenboordmotor (nummer 3), de vordering op de bankrekening (nummer 4), de (waarde van de) staatsloten (nummers 12 en 13), de klokken (nummers 15 en 21) , de hanger (nummer 20) en de horloges (nummers 22, 23 en 25 tot en met 35) bestaan onvoldoende feitelijke aanknopingspunten voor de vaststelling dat de bewezen verklaarde feiten met betrekking tot die voorwerpen zijn begaan, dan wel dat die voorwerpen tot het begaan van de bewezen verklaarde feiten zijn vervaardigd of bestemd. De verbeurdverklaring van deze voorwerpen is daarom zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
35. De verdachte heeft ten aanzien van de klokken (nummers 15 en 21), de hanger (nummer 20) en de horloges (nummers 22, 23 en 25 tot en met 35) echter aangevoerd dat hij deze in consignatie had. De verdachte heeft daarom geen rechtens te respecteren belang bij cassatie ten aanzien van de verbeurdverklaring van die voorwerpen, omdat de verbeurdverklaring van voorwerpen die een verdachte niet (zouden) toebehoren hem niet treft in zijn vermogen. [8]
36. Het voorgaande komt erop neer dat de verbeurdverklaring van de voorwerpen onder nummer 1, 3 tot en met 13, 17, 19 en 24 niet in stand kan blijven.
37. Het middel slaagt.

Slotsom

38. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
39. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
40. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot zodanige op artikel 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Ofschoon deze kwestie in cassatie thans niet aan de orde is, voeg ik aan de beschrijving van dit driestappenplan graag een persoonlijke noot toe die betrekking heeft op de uitleg van het enigszins verwarrende begrip “
2.Wat opvalt is dat het hof, anders dan de rechtbank, de verbeurdverklaring van deze voorwerpen niet heeft uitgesproken op de grond dat die voorwerpen uit de baten van de bewezen verklaarde feiten zijn verkregen, zoals bedoeld in artikel 33a lid 1, onder a, Sr.
3.Vgl. J.W. Fokkens in: J.W. Fokkens, E.J. Hofstee & A.J. Machielse (red.),
4.HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ:4688.
5.Bij mij bestaat de indruk dat het in de bewezenverklaring van het gewoontewitwassen in ieder geval niet gaat om het horloge onder nummer 24, aangezien het hof het daarbij vermelde type ‘Oyster’ juist heeft weggestreept in de bewezenverklaring.
6.Vgl. HR 8 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0541,
7.Vgl. mijn voormalig ambtgenoot Knigge in randnummer 27 van zijn conclusie voor HR 20 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6361.
8.Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1897.