AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid bewijsgebruik ondanks niet-gehoorde aangeefster met PTSS
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot 45 maanden gevangenisstraf voor verkrachting en bedreiging, waarbij de bewezenverklaring in beslissende mate steunde op de verklaringen van de aangeefster die niet is gehoord vanwege haar ernstige psychische klachten. Het hof oordeelde dat er een goede reden bestond om het ondervragingsrecht niet toe te passen, namelijk het risico op verergering van de PTSS van de aangeefster.
De verdediging voerde aan dat het ontbreken van de mogelijkheid tot ondervraging van de aangeefster een schending van artikel 6 EVRMPro betekende, maar het hof vond dat voldoende compenserende maatregelen waren getroffen. Zo waren er uitgebreide politieverhoren, audiovisuele opnames, een deskundigenrapport over de betrouwbaarheid van de verklaringen en de mogelijkheid tot het ondervragen van deze deskundige.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het proces eerlijk is verlopen en dat het gebruik van de verklaringen van de niet-gehoorde aangeefster toelaatbaar is. Ook het verzoek om betaling van de schadevergoeding in termijnen werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Alle middelen van cassatie worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest bevestigd, ondanks het niet horen van de aangeefster wegens PTSS.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/01263
Zitting12 april 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1.Inleiding
1.1.
De verdachte is bij arrest van 17 maart 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “verkrachting” en 2. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] gedeeltelijk toegewezen en in dat verband de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
2.Het eerste en tweede middel
2.1.
Het eerste middelbehelst in de kern de klacht dat de verdachte zijn ondervragingsrecht ten aanzien van de aangeefster niet, althans onvoldoende heeft kunnen uitoefenen, zodat art. 6 EVRMPro is geschonden. Het tweede middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de aangeefster niet gehoord hoefde te worden in verband met haar gezondheid, terwijl het hof daar onvoldoende onderzoek naar heeft gedaan, zodat die beslissing onvoldoende met redenen is omkleed, althans niet begrijpelijk is. Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 9 december 2016 te [plaats] door een andere feitelijkheid en bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , welke andere feitelijkheid en bedreiging met geweld en bedreiging met een andere feitelijkheid hierin hebben bestaan dat hij, verdachte,
- (afwisselend) achter en naast die [aangeefster] is gaan en blijven fietsen en die [aangeefster] (dreigend), heeft toegevoegd (de) woorden (van de strekking): "Dit is een overval" en "Ik wil niets van je hebben, ik wil wat dingen van je weten" en "Ik heb een mes en als je gewoon meegaat en geen geluid maakt gebeurt er niks" en
- (dreigend) tegen die [aangeefster] heeft gezegd dat er niets zou gebeuren als zij zich stil zou houden en mee zou werken en dat zij het straatje rechts na het viaduct moest pakken en toen zij halverwege het straatje was gefietst, dat zij nu moest stoppen en
- aan die [aangeefster] heeft gevraagd of zij hem wilde (tong)zoenen en - toen zij dit weigerde - (dreigend) tegen die [aangeefster] heeft gezegd dat hij haar zou steken als zij hem dat niet zou geven en tegen die [aangeefster] heeft gezegd "doe nou maar één kusje, dan laat ik je weer gaan" en
- zijn, verdachtes, armen om die [aangeefster] heen heeft geslagen en gehouden en
- (dreigend) tegen die [aangeefster] heeft gezegd dat zij haar telefoon uit moest zetten en dat zij de voorlamp van haar fiets uit moest maken en "Als je niet meewerkt, dan prik ik door" en
- de broek van die [aangeefster] heeft losgemaakt en met zijn, verdachtes, hand in de broek en onderbroek van die [aangeefster] is gegaan en
- aan die [aangeefster] heeft gevraagd wanneer zij voor het laatst seks had gehad en (dreigend) tegen die [aangeefster] heeft gezegd dat zij op haar knieën moest gaan zitten en haar mond open moest doen en tegen die [aangeefster] heeft gezegd: "Met je tongetje, dit is geen zuigen." en (daarbij) het hoofd van die [aangeefster] heeft vastgepakt en vastgehouden en
- zijn, verdachtes, billen en anus in/tegen het gezicht van die [aangeefster] heeft geduwd en tegen die [aangeefster] (dreigend) heeft gezegd dat zij daar moest likken en toen die [aangeefster] zei, dat zij dat niet wilde, (dreigend) tegen haar heeft gezegd dat zij moest likken, anders zou hij, verdachte, het mes pakken en
- aan die [aangeefster] heeft gevraagd wanneer zij voor het laatst was klaargekomen en (dreigend) tegen die [aangeefster] heeft gezegd dat zij in de berm en struiken moest gaan liggen en
- de broek en de onderbroek van die [aangeefster] omlaag heeft gedaan en
- (dreigend) tegen die [aangeefster] heeft gezegd dat hij, verdachte, haar ging laten klaarkomen en dat die [aangeefster] moest zeggen dat zij het lekker vond en hoe lekker zij het vond en dat die [aangeefster] haar telefoon moest afgeven, zodat zij de politie niet kon bellen en dat die [aangeefster] moest kiezen tussen de telefoon afgeven en seks en dat die [aangeefster] mee moest komen naar het einde van het straatje en dat die [aangeefster] kon kiezen of hij, verdachte, in kaar kut, kont of mond seks zou hebben;
2.
hij op 9 december 2016 te [plaats] [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen die [aangeefster] gezegd dat hij, verdachte, haar ID-kaart had en dat zij niks mocht zeggen, want hij, verdachte, wist haar te vinden en/of dat die [aangeefster] niks mocht zeggen, anders zou hij, verdachte, haar door haar kop schieten.”
2.3.
Voor de bewijsmiddelen waarop deze bewezenverklaring rust, verwijs ik kortheidshalve naar het arrest van het hof.
2.4.
Het hof heeft het (voorwaardelijke) verzoek om aangeefster [aangeefster] als getuige te horen bij arrest van 17 maart 2021 afgewezen en daarbij het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Op gronden nader verwoord in haar pleitnota heeft de verdediging daartoe - kort weergegeven - het volgende aangevoerd. De verdachte heeft zich niet schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde verkrachting en bedreiging. Er was een kortstondig contact waarbij aangeefster [aangeefster] vrijwillig de verdachte oraal heeft bevredigd. Dit scenario is meer aannemelijk dan het door aangeefster [aangeefster] geschetste scenario dat er sprake was van verkrachting en bedreiging. In ieder geval is niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de verdachte de verweten strafbare feiten heeft begaan. Bovendien mogen de verklaringen van aangeefster [aangeefster] niet voor het bewijs worden gebezigd. Zij vormen het beslissende ( decisive) onderdeel van het bewijs, terwijl de verdediging aangeefster op geen enkel moment in de procedure heeft kunnen horen.
Daarmee is het ondervragingsrecht geschonden. Omdat hiervoor onvoldoende compensatie is geboden en het in dat kader uitgebrachte rapport door de deskundige dr. G. Wolters buiten beschouwing moet worden gelaten, zou het gebruik maken van de verklaringen leiden tot een schending van artikel 6, derde lid, sub d, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens [ hierna: EVRM].
(…)
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
I. Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [aangeefster]
Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaringen van [aangeefster] voor zover tot het bewijs gebezigd. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en juistheid van deze verklaringen heeft het hof betrokken dat [aangeefster] vrijwel direct na de gebeurtenis een verklaring heeft afgelegd ten overstaan van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , zowel in haar ouderlijke woning als op de plaats delict, als tijdens het informatief gesprek zeden die nacht waarbij de verbalisanten hebben geconstateerd dat [aangeefster] emotioneel was en huilde. Daarnaast heeft [aangeefster] in deze verklaringen en ook tijdens haar aangifte en latere verklaringen uitermate gedetailleerd verklaard. Deze verklaringen zijn in de kern consistent (verdachte heeft [aangeefster] gevingerd en vaginaal gepenetreerd en [aangeefster] heeft verdachte moeten pijpen) en komen op het hof authentiek over. Zo verklaart zij al tegenover verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat zij bedreigd is met een mes maar niet heeft gezien of de dader daadwerkelijk een mes bij zich had en geeft zij tijdens het informatief gesprek toe dat zij de exacte volgorde van het vingeren, pijpen en de vaginale penetratie niet meer weet. Ook verklaart zij van meet af aan over het door de verdachte na afloop wassen van haar vagina met een flesje water. Zij geeft ook tijdens de aangifte aan dat zij in de BDSM-wereld vertoeft, wat gelet op de gebeurtenissen waarschijnlijk niet gemakkelijk voor haar was om te vertellen. Voorts vinden de verklaringen van [aangeefster] steun in de overige bewijsmiddelen, waaronder het volgende:
a. Verbalisant [verbalisant 1] heeft waargenomen dat de broek van [aangeefster] ter hoogte van haar rechterknie bevuild was met zand, hetgeen zeer wel past bij de verklaring van [aangeefster] dat zij op de [a-straat] (een zandpad) op haar knieën de verdachte oraal heeft bevredigd;
b. [aangeefster] heeft verklaard dat een fietser hen passeerde op de [a-straat] en getuige [getuige] fietste rond het tijdstip van de gebeurtenis op de [a-straat] en zag twee personen;
c. [aangeefster] heeft verklaard dat de telefoon van de verdachte een oud model was, niet een smartphone. De verdachte heeft verklaard dat hij een Nokia van de kliniek heeft. Hij mag geen smartphone, want dat mag niet vanuit de kliniek;
d. [aangeefster] heeft verklaard dat de verdachte werd gebeld/zijn telefoon een kort geluid maakte, hetgeen zeer wel past bij de onderzoeksgegevens van de telefoon van verdachte nu daaruit blijkt dat er op 9 december 2016 te 20:21:47 uur werd ingebeld op de mobiele telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer 1] (verdachte) door telefoonnummer [telefoonnummer 2] en dat op 9 december 2016 te 20:21:47 uur het toestel met het nummer [telefoonnummer 1] (verdachte) de mast, KPN-348014891, op de [b-straat 1] , [plaats] aanstraalde;
e. [aangeefster] heeft verklaard dat het, anders dan de verdachte heeft gesteld, niet alleen bij pijpen is gebleven maar ook dat de verdachte haar onder andere vaginaal en zonder condoom heeft gepenetreerd. In het NFI-rapport van 8 maart 2017 werd geconcludeerd dat spermacellen zijn waargenomen op de bemonstering bij aangeefster van zowel de buitenste als de binnenste schaamlippen en diep vaginaal. Het DNA-profiel van deze bemonsteringen kan afkomstig zijn van de verdachte. De matchkans met een willekeurige andere man dan verdachte is alleen berekend voor de bemonstering van de binnenste schaamlippen, deze kans is kleiner is dan 1 op 1 miljard. Hoewel de matchkans van de bemonstering diep vaginaal niet is berekend, concludeert het hof dat deze bemonstering eveneens overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte. [aangeefster] heeft verklaard dat zij ongeveer begin november 2016 voor het laatst vrijwillig seks heeft gehad, in ieder geval had zij - blijkens de Onderzoeksrapportage behorende bij de onderzoeksset zedendelicten - geen vaginaal geslachtsverkeer in de laatste zeven dagen voor het delict.
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de tijdslijn niet uitsluit dat de door [aangeefster] beschreven seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Die handelingen worden weliswaar zeer gedetailleerd, maar als vrij kortdurend beschreven. Zo heeft [aangeefster] het likken van de anus als volgt beschreven: "dit duurde maar heel even. 2 of 3 keer likken". Ten aanzien van de seksualiteit van [aangeefster] stelt het hof vast dat [aangeefster] te kennen heeft gegeven dat zij BDSM beoefent ter ontspanning waarbij zij (meestal) geen seks heeft. Van enige tegenstrijdigheden, zoals de verdediging heeft gesteld, is het hof niet gebleken, laat staan van tegenstrijdigheden die aanleiding zouden moeten geven om te twijfelen aan de betrouwbaarheid of de juistheid van de door haar afgelegde verklaringen.
II. Het alternatieve scenario van de verdachte
De verdachte heeft - kort samengevat - het volgende alternatieve scenario geschetst: al fietsend op de terugweg naar de tbs-kliniek, werd hij aangesproken door een voor hem onbekende vrouw [ het hof begrijpt hier en hierna: [aangeefster]]. Zij vroeg of hij zin had in iets spannends, hij vroeg wat z[ij] bedoelde en zij zei seks. Hij stemde in en hij volgde haar naar de plaats toe, alwaar zij hem heeft gepijpt. De verdachte kwam klaar in haar mond en is vervolgens weer weggegaan. Ondanks dat [aangeefster] dat vroeg, heeft de verdachte geen enkele seksuele handelingen bij haar verricht omdat hij het te koud en donker vond en hij voelde zich er niet prettig bij want hij had een relatie. [aangeefster] heeft haar kleren niet uitgedaan waar hij bij was. Hij heeft de gebeurtenis niet gemeld bij de tbs-kliniek omdat hij zich niet heeft gehouden aan de route die is vastgelegd en daardoor zou hij problemen krijgen, aldus de verdachte.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Hiervoor heeft het hof reeds vastgesteld dat het hof geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] , voor zover tot het bewijs gebezigd. Bijgevolg wordt reeds daarom het alternatieve scenario van de verdachte ter zijde geschoven. Daarnaast is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte op zichzelf zeer onaannemelijk is. Bovendien heeft hij gesteld dat er "slechts" sprake was van pijpen, waarbij hij klaarkwam in de mond van [aangeefster] en dat zij haar kleren niet heeft uitgedaan. Deze stelling laat zich slecht verhouden met de hierboven vermelde forensische onderzoeksresultaten. Het hof vermag niet in te zien hoe het sperma zou zijn verplaatst van (in) de mond en/of op haar handen van [aangeefster] naar haar binnenste schaamlippen en diep vaginaal, terwijl [aangeefster] - volgens de verdachte - haar kleren niet heeft uitgedaan en zij vrijwel direct na de gebeurtenis zich heeft gemeld bij de politie, zij te horen kreeg dat zij haar kleren moest aanhouden en diezelfde avond een zedenkit is afgenomen.
Als zodanig verwerpt het hof het door de verdachte geschetste alternatief scenario.
III. Bruikbaarheid van de verklaringen van aangeefster [aangeefster]
Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis die toekomt aan de term witnesses/témoins in artikel 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. Artikel 6 EVRMPro biedt een verdachte evenwel niet een onbeperkt recht om getuigen te doen horen.
Indien voor de verdediging - ondanks voldoende initiatief daartoe - geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft bestaan om een getuige te (doen) ondervragen, kan het gebruik van een door die getuige afgelegde verklaring in strijd komen met art. 6 EVRMPro. Of dat het geval is, kan aan de hand van een door het EHRM ontwikkeld driestappenschema worden beoordeeld:
1. Is er een goede reden voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid?
2. Berust de bewezenverklaring uitsluitend of in beslissende mate op de getuigenverklaring?
3. Is sprake van afdoende compenserende maatregel?
Het hof beantwoordt deze vragen als volgt.
1. Is er een goede reden voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid?
De verdediging heeft op meerdere momenten in de procedure verzocht om aangeefster [aangeefster] te horen. Zoals hierboven weergegeven wijst het hof in dit arrest echter wederom het bij pleidooi herhaalde (ditmaal voorwaardelijke) verzoek af. Die beslissing berust op de volgende overwegingen.
De huisarts, [naam] , heeft bij brief van 14 maart 2019 medegedeeld dat het absoluut niet verstandig is om [aangeefster] als getuige te verhoren. [aangeefster] heeft psychische klachten ontwikkeld naar aanleiding van het ten laste gelegde. Middels langdurige psychologische hulp, EMDR en medicatie is een fragiel evenwicht bereikt dat door een oproep en verhoor als getuige ernstig verstoord zal worden.
De behandelend psycholoog, mw. N.J. Oomkes, klinisch psycholoog/psychotherapeut, heeft bij brief van 16 maart 2019 eveneens afgeraden om [aangeefster] in de situatie te brengen waarbij zij opnieuw wordt ondervraagd over alles dat samenhangt met het psychotrauma omdat dit opnieuw traumatiserend zal zijn. [aangeefster] had PTSS-klachten die ondanks langdurige EMDR niet zijn afgenomen. [aangeefster] heeft gedurende het afgelopen jaar in een nieuwe leefomgeving geprobeerd haar leven weer op te pakken, maar het klachtenbeeld is weinig veranderd. PTSS lijkt een chronisch onderdeel te zijn geworden van het leven van [aangeefster] . Er blijft sprake van recidiverende en intrusieve pijnlijke herinneringen, recidiverende nachtmerries, flashbacks, persisterende angstgevoelens, spanning bij confrontatie met prikkels die lijken op een aspect van de psychotraumatische gebeurtenis en verhoogde prikkelbaarheid. Het opnieuw horen van [aangeefster] wordt dan ook afgeraden. Deze brieven werden door de advocaat-generaal ingebracht ter onderbouwing van het standpunt dat het horen van aangeefster [aangeefster] moet worden afgewezen. Vervolgens heeft het hof besloten dat een onafhankelijk psycholoog moest onderzoeken of en in hoeverre de gezondheid en/of het welzijn van aangeefster/getuige [aangeefster] in gevaar wordt gebracht door het als getuige afleggen van een verklaring in deze zaak. Dat heeft geresulteerd in het psychologisch rapport Pro Justitia d.d. 12 juli 2019 over [aangeefster] , opgemaakt door mw. drs. S. Labrijn, GZ-psycholoog. Uit dit rapport blijkt eveneens dat de klachten en problemen van [aangeefster] wijzen op het bestaan van een ernstige posttraumatische stressstoornis. De psychische gezondheid en het welbevinden van aangeefster worden in gevaar gebracht als zij opnieuw verklaringen moet afleggen in onderhavige zaak. De symptomen en klachten die zijn opgetreden zullen toenemen in ernst, haar herstel van de geconstateerde PTSS zal langer op zich laten wachten, terwijl dit gepaard gaat met psychisch lijden, lichamelijke klachten, concentratieverlies, beperking van haar belastbaarheid in studie en werk.
Uit de (niet weersproken) toelichting van de advocaat van de benadeelde partij mr. Oehlen ter terechtzitting d.d. 2 oktober 2020 blijkt dat [aangeefster] nog steeds dagelijks klachten heeft en dat zij lijdt aan een forse posttraumatische stressstoornis. De gezondheid van [aangeefster] is ongewijzigd als dat vergeleken wordt met haar gezondheid ten tijde van het rapport van psycholoog Labrijn. Sterker nog, zo stelt mr. Oehlen, het is eerder slechter dan beter geworden.
Op grond van de hiervoor genoemde informatie bestaat (nog steeds) het gegronde vermoeden dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting dan wel het afleggen van een verklaring tegenover de raadsheer-commissaris in gevaar wordt gebracht. Eerder heeft het hof overwogen dat het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige te kunnen ondervragen. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting d.d. 17 februari 2021 komt het hof tot dezelfde conclusie. Bij de afweging heeft het hof voorts betrokken dat uit voormelde informatie genoegzaam blijkt dat de gezondheid of welzijn van de getuige door op een andere wijze dan ter terechtzitting of bij de raadsheer-commissaris horen van de getuige, zoals dat door de verdediging is voorgesteld, ontoelaatbaar in het geding komt.
Daarmee concludeert het hof ook dat er een goede reden bestaat waarom de verdediging niet in staat is gesteld aangeefster te horen, namelijk de gezondheid en het welzijn van de aangeefster.
2. Berust de bewezenverklaring uitsluitend of in beslissende mate op de verklaring van aangeefster?
In dat kader stelt het hof allereerst vast dat de verdachte heeft verklaard dat hij op 9 december 2016 op de [a-straat] te [plaats] oraal is bevredigd (gepijpt) door [aangeefster] . In zoverre heeft hij de dag, de plaats en een seksuele handeling met [aangeefster] erkend. De verklaring(en) van aangeefster [aangeefster] zijn vooral beslissend voor de vragen of deze seksuele handeling onder dwang werd verricht, welke seksuele handelingen al dan niet nog meer (onder dwang) zijn verricht en of er sprake was van een bedreiging zoals dat onder 2 bewezen is verklaard.
Zoals hierboven overwogen vinden de verklaringen van aangeefster, meer dan het alternatief scenario zoals door verdachte geschetst, ten aanzien van de verkrachting deels steun in andere bewijsmiddelen. Daarbij speelt het forensisch bewijsmateriaal een belangrijke rol, nu het hof daaruit concludeert dat de verdachte het lichaam van [aangeefster] via haar vagina seksueel is binnengedrongen. Ook ziet het hof steunbewijs in de melding van de vader van [aangeefster] en de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , nu zij vrijwel direct na de gebeurtenis kennis hebben genomen van de gedetailleerde verklaring van [aangeefster] en zij haar emotionele gemoedstoestand hebben waargenomen. Desalniettemin onderkent het hof dat de bewezenverklaring van zowel de verkrachting als de bedreiging in beslissende mate rust op de verklaring van aangeefster.
3. Is sprake van afdoende compenserende maatregelen?
Omdat de bewezenverklaring in beslissende mate rust op de verklaring van aangeefster, en aangeefster niet door de verdediging is gehoord, moet het hof afwegen of er voldoende compenserende maatregelen zijn geboden om dit gebrek te ondervangen en (daar gaat het uiteindelijk om) te kunnen concluderen dat het proces in het geheel nog eerlijk is. Daarbij is de mate van beslissendheid van de niet getoetste verklaring bepalend voor de mate van compensatie die dient te worden geboden.
Om te beginnen stelt het hof het volgende ten aanzien van (de eerlijkheid van) het verloop van de procedure vast. Aangeefster [aangeefster] heeft vrijwel direct na de gebeurtenis een verklaring afgelegd ten overstaan van de politie, zowel in haar woning als op het plaats delict als tijdens het informatief gesprek zeden later die avond. Daarna is aangeefster [aangeefster] uitgebreid gehoord door de politie op 10 december 2016, 14 december 2016, 21 februari 2017 en 17 maart 2017. De politie - waarvan in zijn algemeenheid kan worden gezegd dat deze in het Nederlands rechtsbestel speuren naar zowel belastend als ontlastend bewijsmateriaal - heeft [aangeefster] kritisch bevraagd. Ter gelegenheid van het verhoor op 17 maart 2017 is [aangeefster] geconfronteerd met de verklaring van de verdachte en ook daarover is zij kritisch bevraagd.
Daarnaast is de verdachte ruimschoots in de gelegenheid gesteld om zijn eigen versie van de gebeurtenis te geven. Bij zijn eerste verhoor heeft hij gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht omdat hij naar eigen zeggen onvoldoende geïnformeerd was. Vervolgens is het proces-verbaal informatie zeden gesprek, het proces-verbaal van aangifte, het aanvullend proces-verbaal van verhoor aangeefster en het NFI-rapport aan de raadsman van de verdachte (destijds) verstrekt. Na kennisneming van deze stukken heeft de verdachte bij zijn tweede verhoor zijn versie van de gebeurtenis gegeven en kunnen blijven geven bij zijn derde verhoor, ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep. Daarnaast heeft de verdachte gelegenheid gehad twijfel te zaaien over de geloofwaardigheid van [aangeefster] door te wijzen op eventuele incoherentie of inconsistentie in haar verklaringen dan wel met ander bewijsmateriaal. Ook was de verdediging vanaf het verstrekken van de stukken aan de raadsman bekend met de identiteit van [aangeefster] en was deze in staat om de vermeende motieven van de getuige om te liegen te identificeren en te onderzoeken. Bovendien heeft de politie de verklaringen van [aangeefster] verder onderzocht om de betrouwbaarheid/juistheid van haar verhaal te verifiëren. Bijvoorbeeld door haar telefoon te onderzoeken en nader onderzoek te doen naar BDSM, wat overigens wat betreft de BDSM door de verdediging ook is gebruikt om de betrouwbaarheid van [aangeefster] te betwisten. Daarnaast zijn de verhoren van aangeefster [aangeefster] op 10 december 2016, 14 december 2016, 21 februari 2017 en 17 maart 2017 audiovisueel opgenomen en zijn deze opnames aan de verdediging verstrekt. De verdediging was derhalve wel in staat om de geloofwaardigheid van de getuige effectief te betwisten, doch in mindere mate vanwege het uitblijven van een ondervraging door de verdediging.
Op verzoek van de verdediging en bij wijze van compensatie voor het niet kunnen horen van [aangeefster] , heeft het hof besloten de verklaringen van aangeefster [aangeefster] op hun betrouwbaarheid te laten toetsen door een deskundige. Dat heeft geresulteerd in een rapport d.d. 18 januari 2020 van deskundige dr. G. Wolters. Daarbij heeft het hof besloten dat de deskundige dr. G. Wolters werd opgeroepen tegen de terechtzitting d.d. 2 oktober 2020 en 17 februari 2021 zodat de deskundige, onder andere door de verdediging, kon worden bevraagd. De verdediging heeft haar vragen aan de deskundige dr. G. Wolters kunnen stellen op de terechtzitting d.d. 2 oktober 2020 en de deskundige is stevig aan de tand gevoeld. Op verzoek van de verdediging heeft het hof de behandeling op 2 oktober 2020 aangehouden zodat de gegeven antwoorden van deskundige dr. G. Wolters waren opgenomen in een proces-verbaal en de verdediging kon afwegen of er nog nadere vragen aan de deskundige moesten worden gesteld. Doordat de verklaring ter terechtzitting was uitgewerkt in een proces-verbaal kon de verdediging zich beter voorbereiden op haar pleidooi. Ook voor de nadere zitting op 17 februari 2021 was de deskundige door het hof opgeroepen. De verdediging heeft echter te kennen gegeven geen verdere vragen voor de deskundige te hebben. Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor opgenomen beslissingen van het hof voor de verdediging compenserende factoren.
De verdediging heeft bepleit dat het rapport van Wolters geen compensatie heeft geboden omdat aan het rapport geen waarde kan worden gehecht. Met de verdediging is het hof van oordeel dat de deskundige dr. G. Wolters zijn bevindingen op enkele onderdelen ongelukkig heeft geformuleerd door persoonlijke meningen in zijn rapport op te nemen. Dat doet volgens het hof echter niets af aan de essentiële onderdelen van het rapport en het element waar de rapportage compensatie moest bieden aan de verdediging, te weten de toets van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [aangeefster] . Ook ziet het hof in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de deskundigheid van dr. G. Wolters. Daarbij benadrukt het hof dat Wolters staat ingeschreven in het Nederlands Register van Gerechtelijke Deskundigen, dat Wolters naar eigen verklaring ongeveer 20 jaar als deskundige werkt, in de afgelopen 10 jaar meer dan 200 zedenzaken heeft beoordeeld en dat hij zijn bevindingen mede heeft gebaseerd op zijn ervaring met deze zedenzaken. Het hof concludeert dat het rapport van dr. G. Wolters niet buiten beschouwing behoeft te worden gelaten en merkt het rapport als compenserende factor aan.
Ten slotte was het steunbewijs en het forensisch bewijsmateriaal voor de verdediging beschikbaar en had de verdediging nader onderzoek kunnen verzoeken zoals het horen van de personen die vrijwel direct na de gebeurtenis in contact zijn gekomen met [aangeefster] . Het hof heeft op de terechtzitting d.d. 2 oktober 2020 nog expliciet gevraagd of de verdediging nog aanvullende compenserende maatregelen wenste. De verdediging heeft echter enkel gepersisteerd bij het horen van [aangeefster] en te kennen gegeven dat de verdediging geen andere compensatie wenst.
Op grond van hetgeen hiervoor is overw[o]gen, stelt het hof vast dat het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om [aangeefster] door de verdediging te (doen) ondervragen genoegzaam is gecompenseerd. Het hof concludeert dat is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces en dat er dus ook geen sprake is van een schending van artikel 6, derde lid, sub d, van het EVRM.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dienaangaande.”
2.5.
Voor de beoordeling van de klachten is het volgende van belang. De rechter moet, voordat hij een uitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRMPro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij, hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
2.6.
Deze wijze van beoordelen sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan.
2.7.
Dit betekent dat met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige, terwijl de verdediging het nodige initiatief heeft getoond om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen en een goede reden ontbreekt om de getuige niet te horen, de rechter (alsnog) zal moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuige, althans nog zal moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van het ondervragingsrecht.
2.8.
Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige – kort na de gebeurtenissen waar het om gaat – zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige. [1]
2.9.
De steller van het middel klaagt allereerst dat het oordeel van het hof dat van een goede reden voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid sprake is, niet met redenen is omkleed en enkel en onbegrijpelijk gebaseerd is op schriftelijke informatie die in maart 2021 twee jaar of bijna twee jaar oud was.
2.10.
Het hof heeft de eerste vraag – of er een goede reden bestaat voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid, zoals het hof deze eerste vraag formuleert – bevestigend beantwoord. Daartoe heeft het hof overwogen dat:
(i) de huisarts, [naam] , bij brief van 14 maart 2019 heeft medegedeeld dat het absoluut niet verstandig is om [aangeefster] als getuige te (doen) horen, omdat zij psychische klachten heeft ontwikkeld naar aanleiding van het tenlastegelegde en dat middels langdurige psychologische hulp, EMDR en medicatie een fragiel evenwicht is bereikt dat door een oproep en verhoor als getuige ernstig verstoord zal worden.
(ii) de behandelende psycholoog, mw. N.J. Oomkes, klinisch psycholoog/psychotherapeut, bij brief van 16 maart 2019 eveneens heeft afgeraden om [aangeefster] in de situatie te brengen waarbij zij opnieuw wordt ondervraagd over alles dat samenhangt met het psychotrauma omdat dit opnieuw traumatiserend zal zijn, dat [aangeefster] PTSS-klachten had die ondanks langdurige EMDR niet zijn afgenomen, zij gedurende het afgelopen jaar in een nieuwe leefomgeving geprobeerd heeft haar leven weer op te pakken, maar het klachtenbeeld weinig is veranderd, dat PTSS een chronisch onderdeel lijkt te zijn geworden van haar leven en er sprake blijft van recidiverende en intrusieve pijnlijke herinneringen, recidiverende nachtmerries, flashbacks, persisterende angstgevoelens, spanning bij confrontatie met prikkels die lijken op een aspect van de psychotraumatische gebeurtenis en verhoogde prikkelbaarheid. Het opnieuw horen van de aangeefster wordt door mw. Oomkes dan ook afgeraden.
2.11.
Het hof heeft vervolgens besloten dat een onafhankelijk psycholoog moest onderzoeken of en in hoeverre de gezondheid en/of het welzijn van de aangeefster en getuige [aangeefster] in gevaar wordt gebracht door het als getuige afleggen van een verklaring in deze zaak. Dit heeft geresulteerd in het psychologisch rapport Pro Justitia van 12 juli 2019 over [aangeefster] , opgemaakt door mw. drs. S. Labrijn, GZ-psycholoog. Uit dit rapport blijkt eveneens dat de klachten en problemen van [aangeefster] wijzen op het bestaan van een ernstige posttraumatische stressstoornis. De psychische gezondheid en het welbevinden van aangeefster worden in gevaar gebracht als zij opnieuw verklaringen moet afleggen. Bovendien zullen de symptomen en klachten die zijn opgetreden toenemen in ernst, haar herstel van de geconstateerde PTSS zal langer op zich laten wachten, terwijl dit gepaard gaat met psychisch lijden, lichamelijke klachten, concentratieverlies en beperking van haar belastbaarheid in studie en werk.
2.12.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 2 oktober 2020 blijkt dat uit de toelichting van de advocaat van de benadeelde partij, mr. Oehlen, dat [aangeefster] nog steeds dagelijks klachten heeft, dat zij lijdt aan een forse posttraumatische stressstoornis, dat haar gezondheid ongewijzigd is als dat wordt vergeleken met haar gezondheid ten tijde van het rapport van S. Labrijn en dat het, zo stelt mr. Oehlen, eerder slechter is geworden dan beter.
2.13.
Op grond van deze informatie bestaat volgens het hof (nog steeds) het gegronde vermoeden dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting dan wel het afleggen van een verklaring tegenover de raadsheer-commissaris in gevaar wordt gebracht. [2] Het hof komt in zijn arrest tot dezelfde conclusie en overweegt nog dat het bij de afweging tussen het belang van de verdachte enerzijds en het belang van de aangeefster anderzijds betrokken heeft dat uit de voormelde informatie genoegzaam blijkt dat de gezondheid of welzijn van de getuige door op een andere wijze dan het ter terechtzitting of bij de raadsheer-commissaris horen van de getuige, zoals dat door de verdediging is voorgesteld, ontoelaatbaar in het geding komen.
2.14.
Hiermee heeft het hof in mijn ogen voldoende gemotiveerd dat een goede reden bestaat dat het ondervragingsrecht met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt niet kan worden uitgeoefend. Dit oordeel acht ik evenmin onbegrijpelijk.
2.15.
Ik kan de steller van het middel in dat verband niet volgen in de stellingname dat het hof geen acht zou mogen slaan op rapporten die (bijna) twee jaar voor ‘s hofs arrest d.d. 17 maart 2021 zijn opgemaakt. Uit deze rapporten blijkt bovendien dat bij de aangeefster sprake is van een ernstige posttraumatische stressstoornis, dat deze PTSS-klachten ondanks langdurige EMDR niet zijn afgenomen, dat PTSS een chronisch onderdeel lijkt te zijn geworden van haar leven en er sprake blijft van recidiverende en intrusieve pijnlijke herinneringen, recidiverende nachtmerries, flashbacks, persisterende angstgevoelens, spanning bij confrontatie met prikkels die lijken op een aspect van de psychotraumatische gebeurtenis en verhoogde prikkelbaarheid. Ook gelet hierop is het hof niet onbegrijpelijk tot het oordeel gekomen dat er een goede reden bestond voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid, zodat deze klacht faalt.
2.16.
Dit brengt mee dat het tweede middel reeds faalt.
2.17.
De steller van het middel richt zich vervolgens met een drietal klachten op de derde en laatste vraag, te weten of er compenserende factoren bestaan, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. De steller van het middel klaagt (i) dat het hof een opsomming heeft gegeven van algemeenheden die standaard behoren bij ieder strafproces, (ii) dat een extern deskundige-oordeel over de eventuele betrouwbaarheid van de getuige niet op enigerlei wijze het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht kan compenseren en (iii) dat van de verdediging niet kan worden gevraagd om compenserende maatregelen te verzoeken.
2.18.
In zijn arrest van 20 april 2021 heeft de Hoge Raad overwogen dat het er bij de beantwoording van deze vraag in de kern om gaat dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Hierbij kunnen de volgende factoren onder meer van belang zijn:
(i) Verklaringen van personen tegenover wie de getuige – kort na de gebeurtenissen waar het om gaat – zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen;
(ii) Verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen;
(iii) De beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de eerder genoemde personen of deskundigen. [3]
2.19.
Het hof heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om [aangeefster] door de verdediging te (doen) ondervragen genoegzaam is gecompenseerd. Daartoe heeft het hof volgende overwogen.
2.20.
Ten aanzien van het verloop van de procedure stelt het hof vast dat aangeefster [aangeefster] vrijwel direct na de gebeurtenis een verklaring heeft afgelegd ten overstaan van de politie, zowel in haar woning als op het plaats delict als tijdens het informatief gesprek zeden die avond. Daarna is zij uitgebreid gehoord door de politie op 10 december 2016, 14 december 2016, 21 februari 2017 en 17 maart 2017. De politie, waarvan in zijn algemeenheid kan worden gezegd dat deze in het Nederlands rechtsbestel speuren naar zowel belastend als ontlastend bewijsmateriaal – heeft haar uitgebreid bevraagd. Daarnaast is de verdachte ruimschoots in de gelegenheid gesteld om zijn eigen versie van de gebeurtenis te geven. Bij zijn eerste verhoor heeft hij gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht; na kennisneming van het proces-verbaal informatie zeden gesprek, het proces-verbaal van aangifte, het aanvullend proces-verbaal van verhoor aangeefster en het NFI-rapport heeft de verdachte in zijn tweede verhoor zijn versie van de gebeurtenis gegeven en kunnen blijven geven bij zijn derde verhoor, ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep. Voorts heeft de verdachte gelegenheid gehad twijfel te zwaaien over de geloofwaardigheid van [aangeefster] door te wijzen op eventuele incoherentie en inconsistentie in haar verklaringen dan wel met ander bewijsmateriaal. Ook was de verdediging vanaf het verstrekken van de stukken aan de raadsman bekend met de identiteit van [aangeefster] en was zij in staat om de vermeende motieven van de getuige om te liegen te identificeren en te onderzoeken. Bovendien heeft de politie de verklaringen van [aangeefster] verder onderzocht om de betrouwbaarheid en juistheid van haar verhaal te verifiëren, bijvoorbeeld door haar telefoon te onderzoeken en nader onderzoek te doen naar BDSM. Het hof overweegt voorts dat de vier verhoren van de aangeefster audiovisueel zijn opgenomen en deze opnames aan de verdediging zijn verstrekt, zodat de verdediging in die zin in staat was om de geloofwaardigheid van de getuige effectief te betwisten.
2.21.
Op verzoek van de verdediging en bij wijze van compensatie heeft het hof bovendien besloten de verklaringen van aangeefster te laten toetsen door een in het Nederlands Register van Gerechtelijke Deskundigen ingeschreven deskundige, dr. G. Wolters, wat heeft geresulteerd in een rapport van 18 januari 2020. Het hof heeft eveneens besloten dat dr. G. Wolters op de terechtzitting van 2 oktober 2020 en 17 februari 2021 werd opgeroepen, zodat hij, onder andere door de verdediging, zou kunnen worden bevraagd. De verdediging heeft haar vragen aan dr. G. Wolters kunnen stellen op de terechtzitting van 2 oktober 2020 en hem stevig aan de tand gevoeld. Op verzoek van de verdediging heeft het hof de behandeling toen aangehouden, zodat de gegeven antwoorden van de deskundige waren opgenomen in een proces-verbaal en de verdediging zich beter kon voorbereiden op haar pleidooi. Ter terechtzitting van 17 februari 2021 heeft de verdediging te kennen gegeven geen verdere vragen voor de deskundige te hebben.
2.22.
Het hof heeft aldus als compenserende factoren geboden een verklaring van een deskundige over de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster, de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van de verhoren van de aangeefster en de mogelijkheid tot het ondervragen van de eerder genoemde deskundige. Het hof heeft met betrekking tot zijn oordeel over de compenserende factoren nog overwogen dat het expliciet aan de verdediging heeft gevraagd of zij nog aanvullende compenserende maatregelen wenste. De verdediging heeft als reactie hierop enkel gepersisteerd bij het horen van de aangeefster en te kennen gegeven dat zij geen andere compensatie wenst.
2.23.
Ik kan de steller van het middel niet volgen waarom het hof slechts een opsomming van algemeenheden zou hebben gegeven en evenmin waarom een extern deskundige-oordeel over de betrouwbaarheid van de aangeefster niet op enigerlei wijze het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht kan compenseren.
2.24.
Gelet op het hierbovenstaande komt het hof in mijn ogen niet onbegrijpelijk tot het oordeel dat het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om aangeefster [aangeefster] door de verdediging te (doen) ondervragen genoegzaam is gecompenseerd.
2.25.
Voor zover de steller van het middel klaagt dat van de verdediging niet kan worden gevraagd om compenserende maatregelen te verzoeken, faalt het eveneens. Het hof heeft immers slechts, naast de reeds aan de verdediging geboden compenserende factoren, gevraagd of de verdediging zelf nog aanvullende compenserende factoren wenste. Dat staat het hof vrij.
2.26.
Het hof heeft aldus niet onbegrijpelijk geoordeeld – en dat oordeel is evenmin ontoereikend gemotiveerd – dat (i) er een goede reden bestaat waarom het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) de bewezenverklaring uitsluitend of in beslissende mate op de verklaring van de aangeefster rust en (iii) sprake is van afdoende compenserende maatregelen. Dit brengt mee dat het hof onbegrijpelijk noch ontoereikend heeft gemotiveerd dat is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, zodat er geen sprake is van een schending van art. 6 lid 3 sub d EVRMPro.
2.27.
Dit brengt mee dat ook het eerste middel faalt.
2.28.
Beide middelen falen.
3.Het derde middel
3.1.
Het derde middelbehelst, zo blijkt uit de toelichting op het middel, de klacht dat het hof het verzoek van de verdediging om bij toewijzing van de vordering van de benadeelde partij de betaling van de schadevergoeding in termijnen op te leggen ten onrechte, althans niet onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd, heeft afgewezen.
3.2.
Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 februari 2021 gehechte pleitnota heeft de verdediging verzocht om, indien het hof komt tot de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, deze maatregel op te leggen in termijn op grond van art. 36f lid 5 jo. art. 24a Sr. [4]
3.3.
Het hof heeft hieromtrent geoordeeld dat de verdediging dit verzoek niet nader heeft onderbouwd en het zelf geen aanleiding ziet om termijnbetaling te bepalen.
3.4.
Dit oordeel acht ik, zeker gelet op het ontbreken van enige onderbouwing door de verdediging, niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.
3.5.
Het derde middel faalt evident.
4.Conclusie
4.1.
Alle middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 ROPro ontleende motivering worden afgedaan.
4.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.