Conclusie
[eiser](in mannelijk enkelvoud) respectievelijk
Achmea Rechtsbijstand.
1.Inleiding
heeft, kort gezegd, gevorderd dat de rechtbank Achmea Rechtsbijstand beveelt voor zijn geschil met de provincie Fryslân dekking te verlenen onder de rechtsbijstandsverzekering met een nieuw kostenmaximum van € 30.000,--. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. De rechtbank is met Achmea Rechtsbijstand van oordeel dat sprake is van één gebeurtenis als bedoeld in de polisvoorwaarden. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het tegen dat arrest gerichte cassatieberoep van [eiser] treft m.i. geen doel.
2.Feiten
hof). [1]
[eiser 1]) heeft bij Achmea Schadeverzekeringen N.V. een “Rechtsbijstandverzekering voor Particulieren” (hierna: de
rechtsbijstandsverzekering) gesloten. Achmea Rechtsbijstand geeft uitvoering aan deze rechtsbijstandsverzekering.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
contra proferentemte worden uitgelegd. Het gaat om de voorgenomen maatregelen en de daaraan ten grondslag gelegde redenen. Bovendien gaat het hier niet om dezelfde wederpartij en niet om hetzelfde rechtsgebied, aldus nog steeds [eiser]
Vorderingen van [eiser]
Duiding en toetsing van de polisvoorwaarden
Naar het oordeel van het hof bevatten de toepasselijke polisvoorwaarden een voldoende duidelijke en concrete maatstaf om te kunnen bepalen of de aanspraak van de verzekerde beperkt is tot het kostenmaximum. Dat over de vraag wanneer sprake is van een reeks met elkaar verband houdende voorvallen, zodat deze als één gebeurtenis moeten worden aangemerkt, discussie kan ontstaan, zoals in het onderhavige geval, vloeit niet zozeer voort uit enige (on)duidelijkheid van het beding, maar uit het feit dat dit criterium in de praktijk nu eenmaal steeds aan de hand van een bepaalde feitelijke situatie of bepaalde gebeurtenissen moet worden toegepast en daarover verschil van inzicht kan bestaan. Daarmee faalt deze grief. Er zijn ook geen andere omstandigheden gesteld of gebleken die de gevolgtrekking kunnen dragen dat in het onderhavige geval door Achmea Rechtsbijstand een beroep wordt gedaan op een oneerlijk of anderszins vernietigbaar beding (niet zijnde een kernbeding).
arrest). Achmea Rechtsbijstand heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep, kosten rechtens. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [eiser] heeft gerepliceerd en Achmea Rechtsbijstand heeft gedupliceerd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Het hof omschrijft de in dit geschil voorliggende vraag in rov. 3.1 van het arrest als volgt (zie ook onder 3.8 hiervoor):
Het hof verwijst in rov. 3.1 van het arrest naar art. 1 lid 1 onder Pro f van de polisvoorwaarden, waarin de volgende omschrijving van het begrip “gebeurtenis” is opgenomen (zie ook onder 2.2 hiervoor):
Het onderdeel beroept zich verder nog op de memorie van grieven van [eiser] onder 1:
Hierop stuit het onderdeel af.
oorzaakis.” [cursivering in origineel, A-G]
Het subonderdeel stelt daar tegenover dat [eiser] van mening is dat de door Staatsbosbeheer gepleegde onrechtmatige daad geen verband houdt in de zin van de desbetreffende bepaling uit polisvoorwaarden met de door de provincie Fryslân gepleegde onrechtmatige daad. [eiser] heeft het standpunt ingenomen dat de bepaling uit de polisvoorwaarden een dekkingsuitsluitingsgrond is, die zodanig ruim is geformuleerd dat hij naar zijn aard onduidelijk is, omdat volgens [eiser] in ieder geval niet verdedigbaar is dat ieder verband tussen voorvallen/geschillen altijd en
eo ipsotot uitsluiting van de dekking van de behoefte aan rechtsbijstand leidt. [11] Volgens het subonderdeel gaat het hof volledig voorbij aan de toelichting van Achmea Rechtsbijstand op grond waarvan in haar visie de bepaling dient te worden uitgelegd zoals zij dat heeft gedaan en de reactie daarop van [eiser] Het subonderdeel stelt dat het hof aldus tot uitgangspunt neemt wat een gemotiveerde juridische conclusie zou moeten zijn. Voor zover dat oordeel niet rechtens onjuist is, is het bij gebreke van een motivering onbegrijpelijk, aldus nog steeds het subonderdeel.
In de eerste zin van rov. 3.5 van het arrest overweegt het hof dat bij de beoordeling van grief 1 uitgangspunt is dat de toepasselijke polisvoorwaarden inhouden dat wanneer zich een reeks met elkaar verband houdende voorvallen voordoet waardoor voor [eiser] juridische problemen en meerdere – mogelijk in de tijd gescheiden – behoeften aan rechtsbijstand ontstaan, Achmea Rechtsbijstand slechts eenmaal het kostenmaximum van € 30.000,-- ter beschikking hoeft te stellen (zie ook onder 3.8 hiervoor). Het hof doet hier m.i. niets anders dan weergeven wat uit art. 1 lid 1 onder Pro f van de polisvoorwaarden volgt. Het beroep op rov. 2.12 van het arrest (zie ook onder 2.12 en 4.3 hiervoor) kan [eiser] niet baten. Rov. 2.12 van het arrest kan niet worden beschouwd als het verweer van Achmea Rechtsbijstand in de onderhavige zaak. Het verweer van Achmea Rechtsbijstand blijkt uit rov. 3.2 van het vonnis in eerste aanleg (zie ook onder 3.2 hiervoor) en uit rov. 3.4 van het arrest (zie ook onder 3.8 hiervoor). In rov. 3.4 van het arrest geeft het hof het verweer van Achmea Rechtsbijstand als volgt weer: “Kort samengevat stelt zij zich op het standpunt dat het in het onderhavige geval gaat om eenzelfde geschil met verschillende instanties (waaronder Staatsbosbeheer en de Provincie Friesland) die gezamenlijk de bestrijding van watercrassula op [plaats] op zich hebben genomen en waartegen [eiser] zich zonder duidelijk belang verzetten.” Deze korte samenvatting strookt met de memorie van antwoord van Achmea Rechtsbijstand, waaruit ik een in dit verband relevante passage citeer: [12]
14.Maar ook als de door Staatsbosbeheer en de Provincie Friesland voorgenomen maatregelen ter bestrijding van watercrassula als twee voorvallen moeten worden gezien, houden
de voorvallen met elkaar verbanden vormen zij daarom
één gebeurtenisin de zin van de verzekeringsvoorwaarden. Daartoe [zijn de] volgende omstandigheden beslissend:
- Alle door Staatsbosbeheer en de Provincie genomen bestrijdingsmaatregelen zien op de bestrijding van watercrassula op het perceel dat [eiser] in erfpacht hebben (zie ook de conclusie van antwoord, sub 22). Staatsbosbeheer, de Provincie Friesland, de gemeente Terschelling en het waterschap “Wetterskip Frysl[â]n” bestrijden de watercrassula op [plaats] gezamenlijk. De bestrijdingsmaatregelen en de regievoering daarover wordt in overleg bepaald en in hun contacten met derden treden de betrokken partijen voor zover nodig mede namens elkaar op. Zie daarover de conclusie van antwoord, sub 5 t/m 7, sub 13, 14 en 21. Als voor het antwoord op de vraag of de onderhavige voorvallen met elkaar verband houden al relevant is dat [eiser 1] tegen verschillende wederpartijen procedeert – de rechtbank heeft die vraag terecht ontkennend beantwoord (rov. 4.5) – dan moet hier evenzeer relevant zijn dat de bestrijdingsmaatregelen slechts formeel door respectievelijk in opdracht van verschillende wederpartijen zijn getroffen; in werkelijkheid gaat het steeds om dezelfde vier wederpartijen en dezelfde problematiek. (…)
- Het standpunt van [eiser] in de procedure tegen Staatsbosbeheer is identiek aan het standpunt in het kort geding tegen Provincie Friesland: aan de bestrijdingsmaatregelen ligt niet een voldoende degelijk onderzoek naar hun effectiviteit ten grondslag (zie ook de memorie van grieven, sub 2.5) en ze zullen ernstige schade aan het perceel van [eiser 1] veroorzaken. Dit standpunt van [eiser] is in beide procedures verworpen, waarbij een rol heeft gespeeld dat zij enerzijds de ernstige schade die zij door de bestrijdingsmaatregelen stellen te zullen lijden, niet aannemelijk hebben kunnen maken (tot nog toe is slechts van de dood van drie vissen gebleken) en anderzijds de betrokken instanties instaan voor vergoeding van eventuele schade die door de bestrijdingsmaatregelen wordt veroorzaakt (
productie 9). Ten behoeve van het twijfelachtige belang van [eiser] om zich tegen de moeilijke maar noodzakelijke bestrijding van de watercrassula te verzetten, heeft Achmea inmiddels dus € 30.000 aan kosten van rechtsbijstand betaald, en willen [eiser] dus dat Achmea nog eens € 30.000 betaalt.”
[cursivering en vetgedrukt in origineel, zonder voetnoot uit origineel, A-G]
eo ipsotot uitsluiting van de dekking van de behoefte aan rechtsbijstand leidt. Het verweer van Achmea Rechtsbijstand is toegespitst op het concrete, voorliggende geval.
Het hof heeft dus niet tot uitgangspunt genomen wat een gemotiveerde juridische conclusie zou moeten zijn. Het oordeel van het hof is niet onjuist of onbegrijpelijk gemotiveerd.
Hierop strandt het subonderdeel.
Voor zover het subonderdeel met het beroep op rov. 2.12 van het arrest voortbouwt op subonderdeel 2.1, deelt het in het lot van dat subonderdeel (zie onder 4.6 hiervoor).
In de pleitnotities van [eiser] , waarop het subonderdeel zich voorts beroept, lees ik het volgende:
(…)
14. (…) b. In verband met de tweede zaak wordt opgemerkt dat in de betreffende litigieuze polisvoorwaarden, wél duidelijk was vermeld
dater sprake is van een ‘eerste voorval’ in de reeks, en voorbeelden zijn gegeven wat zo’n eerste voorval zou kunnen zijn. In dat geval (een contractuele aansprakelijkheid), het moment dat kan worden gesproken van een toerekenbare tekortkoming. In die zaak kon de gebrekkig aangelegde buitentrap het gevolg zijn van een verkeerd ontwerp (aansprakelijkheid architect) of een verkeerde uitvoering (aansprakelijkheid aannemer). Daarmee is niet eens sprake van een reeks voorvallen, maar dus van één voorval (een verkeerd aangelegde trap).
NOTA BENE
In die zaak bepalen de polisvoorwaarden dus wél duidelijk tot waartoe een ‘verband’ moet worden teruggeleid. Dat is nu dus precies de bepaling die ontbreekt in de onderhavige polisvoorwaarden, hetgeen Achmea moet worden tegengeworpen.”
[cursivering en kapitale letters in origineel, zonder voetnoot uit origineel, A-G]
Een reeks voorvallen die met elkaar verband houdt is één gebeurtenis.
Het eerste voorval uit de reeks geldt als het moment waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden.”
Het hoeft tegen deze achtergrond ook niet te verbazen dat Achmea Rechtsbijstand zich voor haar standpunt dat art. 1 lid 1 onder Pro f van de polisvoorwaarden duidelijk is juist mede op deze Kifid-uitspraak van 28 oktober 2014 heeft beroepen: [18]
(ii) art. 1.1f van de polisvoorwaarden is duidelijk11.Art. 1.1f van de polisvoorwaarden is een veelvoorkomende dekkingsuitsluitingsclausule in verzekeringsvoorwaarden voor rechtsbijstandverzekeringen. Er zijn uitspraken van het KIFiD beschikbaar die de vraag betreffen of de rechtsbijstandverzekeraar terecht het standpunt inneemt dat sprake is van één gebeurtenis en dus één kostenmaximum. Achmea heeft die uitspraken als productie 8 bij haar conclusie van antwoord in het geding gebracht. In de zaak die aan de uitspraak van 12 juli 2010 ten grondslag ligt, had de verzekerde aangevoerd dat de dekkingsuitsluitingsclausule onduidelijk is. De Geschillencommissie overwoog in rov. 4.3: (…)
Zie in vergelijkbare zin rov. 4.7 in de uitspraak van 28 oktober 2014 [hiervoor geciteerd, A-G].
12.Art. 1.1f van de polisvoorwaarden is niet “onduidelijk” in de zin van art. 6:238 lid 2 BW Pro. De contra-proferentemregel is dus niet aan de orde. De rechtbank heeft in rov. 4.3 terecht overwogen dat de vraag die partijen verdeeld houdt, niet zozeer de vraag is wat de betekenis van de definitie van de polisvoorwaarden is, maar veeleer de vraag of de feiten in dit specifieke geval onder die definitie vallen.”
[cursivering en vetgedrukt in origineel, A-G]
Het subonderdeel lijkt zich in verband met de toepasselijkheid van art. 6:238 lid 2 BW Pro ook te richten tegen rov. 3.6 van het arrest. In die rechtsoverweging oordeelt het hof immers, mede onder verwijzing naar art. 6:238 lid 2 BW Pro, dat de toepasselijke polisvoorwaarden een voldoende duidelijke en concrete maatstaf bevatten om te kunnen bepalen of de aanspraak van de verzekerde beperkt is tot het kostenmaximum. Het subonderdeel bestrijdt niet de toetsingsmaatstaf die het hof uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU heeft afgeleid: “dat het bij de beoordeling of een beding duidelijk en begrijpelijk is opgesteld niet slechts gaat om de vraag of een beding taalkundig en grammaticaal begrijpelijk is, maar ook om de vraag of een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument op basis van alle relevante feitelijke gegevens, waaronder de reclame en informatie die hem is verstrekt, de strekking en concrete werking van het beding begrijpt zodat hij op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de – mogelijk aanzienlijke – economische gevolgen die er voor hem uit voortvloeien, kan inschatten.” Dat de strekking en concrete werking van het beding in het onderhavige geval duidelijk is, blijkt reeds uit het subonderdeel: “te weten dat Achmea beoogt te vermijden dat zij voor iedere behoefte aan rechtsbijstand die in het verlengde ligt van een eerder beroep op de verzekering, opnieuw een bedrag van € 30.000,- moet betalen betreffende de kosten van rechtsbijstand, terwijl eigenlijk sprake is van één probleem van de verzekerde”. [19] Dat het subonderdeel deze strekking niet ontleent aan de bepaling zelf, maar aan de door Achmea Rechtsbijstand gegeven toelichting op het begrip “gebeurtenis” uit de e-mail aan [eiser] van 16 juli 2018 (zie onder 2.12 hiervoor) doet er niet aan af dat de beoogde strekking van art. 1 lid 1 onder Pro f van de polisvoorwaarden op zichzelf begrijpelijk is. Het gaat immers niet alleen om de vraag of het beding taalkundig en grammaticaal begrijpelijk is, maar ook om de toelichting op dat beding (“alle relevante feitelijke gegevens”). Achmea Rechtsbijstand was dan ook niet gehouden het beding anders te redigeren om te kunnen spreken van een duidelijk en begrijpelijk beding.
Het slot van het subonderdeel mist feitelijke grondslag. De discussie tussen [eiser] en Achmea Rechtsbijstand is niet terug te voeren op de toelichting die Achmea Rechtsbijstand in de e-mail van 16 juli 2018 op het beding heeft gegeven (zie ook onder 4.3 hiervoor). Het hof heeft het in rov. 3.6 van het arrest als volgt uitgedrukt (waarover ook onder 4.14 hierna): “Dat over de vraag wanneer sprake is van een reeks met elkaar verband houdende voorvallen, zodat deze als één gebeurtenis moeten worden aangemerkt, discussie kan ontstaan, zoals in het onderhavige geval, vloeit niet zozeer voort uit enige (on)duidelijkheid van het beding, maar uit het feit dat dit criterium nu eenmaal steeds aan de hand van een bepaalde feitelijke situatie of bepaalde gebeurtenissen moet worden toegepast en daarover verschil van inzicht kan bestaan.”
Hierop stuit het subonderdeel af.
De verschillen tussen de onderhavige zaak en de zaken die hebben geleid tot de twee door het hof aangehaalde arresten van de Hoge Raad, doen niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof. Het hof verwijst immers slechts vergelijkenderwijs (“vgl. ECLI:NL:HR:2020:1736 en ECLI:NL:HR:2006:AV9435”) naar die arresten bij zijn overweging dat Achmea Rechtsbijstand met de omschrijving in de polisvoorwaarden de grenzen heeft omschreven waarbinnen zij bereid was dekking te verlenen, hetgeen haar vrijstond.
Voor zover het subonderdeel stelt dat het hof de laatste alinea van rov. 3.3 van het arrest – dat wil zeggen grief 3 van [eiser] – onbesproken heeft gelaten, faalt het subonderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft deze grief verworpen in rov. 3.7 van het arrest. In de eerste zin van deze rechtsoverweging wordt overigens ook uitdrukkelijk op de behandeling van deze grief gewezen (“dit is het onderwerp van de grieven 2 en 3”). Voor zover het subonderdeel in dit verband terugverwijst naar subonderdeel 2.2 en vooruit verwijst naar subonderdeel 2.4, deelt het subonderdeel bovendien in het lot van die subonderdelen. Dat het hof grief 3 in rov. 3.7 van het arrest niet zou hebben behandeld, berust op een verkeerde lezing van die rechtsoverweging. Het hof heeft de grief in rov. 3.3, laatste alinea, van het arrest als volgt weergegeven:
Vermeulen [advocaat van [eiser] , A-G]: U heeft dit standpunt goed begrepen. Inderdaad, het gaat om de manier waarop de bestrijding plaatsvindt en niet het feit dat bestrijding nodig is.”
Het hof heeft hierbij ook niet de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid miskend. Het subonderdeel beroept zich in dit verband op de volgende passage uit de memorie van grieven van [eiser] : [25]
dus– louter omdat dat kan worden beargumenteerd – de dekkingsuitsluitingsgrond van toepassing is, als gevolg waarvan de verzekeraar is ontslagen van de verplichting om de primair overeengekomen prestatie na te komen.”
[cursivering in origineel, A-G]
in casuhet rechtsgevolg heeft dat sprake is van één dekkingsmaximum. [27]
Het standpunt van [eiser] weergegeven in rov. 3.3, laatste alinea, van het arrest (dat wil zeggen grief 3), heb ik reeds weergegeven onder 4.10 hiervoor. Ik kwam aldaar ook al tot de conclusie dat het hof dat standpunt niet onbesproken heeft gelaten. Voor zover dit subonderdeel wederom uitgaat van de premisse dat het hof grief 3 onbesproken heeft gelaten, gaat het dus uit van een verkeerde lezing van rov. 3.7 van het arrest en faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het subonderdeel deelt in zoverre in het lot van subonderdeel 2.3.
Over de passage uit de pleitnota in hoger beroep van [eiser] waarop het subonderdeel zich beroept, merk ik nog het volgende op. Het onder 4 van deze pleitnota naar voren gebrachte, heb ik reeds onder 4.8 hiervoor geciteerd en zal ik daarom hier niet herhalen. In het vervolg, onder 5 t/m 7, lees ik het volgende:
6. Een beter voorbeeld – want wel voorstelbaar – zijn procedures van huizenbezitters in Groningen die het slachtoffer worden van schade als gevolg van aardbevingen als gevolg van de gaswinning. Stel nu dat er meerdere aardbevingen zijn op grond waarvan die huizenbezitters schade lijden en zij om die reden een beroep doen op hun rechtsbijstandsverzekeraar. Als het aan Achmea – en de Rechtbank – ligt, heeft men dus maar één schadereserve, omdat alle voorvallen – de individuele schades – zijn terug te voeren op de omstandigheid dat er gas wordt gewonnen. In die visie van [eiser 1] is evident dat een rechtsbijstandsverzekeraar in een dergelijk geval geen dekking zou kunnen weigeren op die grond. Het aantal aardbevingen vanwege de gaswinning is immers “onvoorzienbaar”. De situatie van [eiser 1] is daarmee vergelijkbaar. Niet de aanwezigheid van Watercrassula is het probleem, en ook niet de wens om die te bestrijden, maar de wijze waarop Staatsbosbeheer en de Provincie Friesland dat hebben gedaan. Na de inundatie van het terrein van [eiser 1] was onvoorzienbaar dat de Provincie Friesland het terrein van [eiser 1] zou gaan afgraven.
7. [eiser 1] heeft in dat verband gesteld dat het redelijk zou zijn om de ondergrens van het ‘verband’ in de causaliteitsketen niet verder wordt teruggevoerd dan tot ‘het voorval’ dat de directe oorzaak van de eerste hulpvraag is, reden waarom in zijn visie de dekking moet worden verleend. Achmea heeft die stelling geduid als ‘voor zover begrijpelijk’ maar [eiser 1] twijfelt er niet aan dat Uw Hof de stelling wel begrijpt. Al dan niet aan de hand van het voormelde standpunt zal het Hof moeten beoordelen of [eiser 1] daarin dient te worden gevolgd. In ieder geval meent [eiser 1] dat zijn standpunt over de uitleg niet als onzinnig kan worden gekwalificeerd en daarmee komt hij bij het derde punt, te weten dat de contra proferentem regel in dat geval nu eenmaal gebiedt dat de voor [eiser 1] meest gunstige uitleg van de betreffende contractuele bepaling dient te worden gevolgd. Met betrekking tot het laatste punt is het volgende nog van belang.”
Hierop stuit het subonderdeel af.
Ik stel voorop dat het onderdeel niet de door het hof gehanteerde toetsingsmaatstaf als uiteengezet in rov. 3.6, eerste alinea, van het arrest, onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU, ter discussie stelt, maar het oordeel van het hof dat de door Achmea Rechtsbijstand gehanteerde polisvoorwaarden deze toets kunnen doorstaan, dus dat naar het oordeel van het hof in de toepasselijke polisvoorwaarden sprake is van een voldoende duidelijke en concrete maatstaf om te kunnen bepalen of de aanspraak van de verzekerde beperkt is tot het kostenmaximum, zoals het hof overweegt in rov. 3.6, tweede alinea, van het arrest.
Niet valt in te zien hoe het hof, meer dan het heeft gedaan, inzicht had kunnen geven in zijn oordeel dat, kort gezegd, sprake is van een duidelijke en begrijpelijke bepaling. Ik merk verder op dat dit oordeel van het hof aansluit bij de beoordeling van dezelfde [28] en vergelijkbare polisvoorwaarden door de geschillencommissie van het Kifid. [29] Ook in die Kifid-uitspraken wordt het oordeel dat sprake is van een voldoende duidelijke maatstaf in de polisvoorwaarden niet nader gemotiveerd dan het hof in de onderhavige zaak heeft gedaan.
Ik wijs nog op de toetsingsmaatstaf die het hof in rov. 3.6, eerste alinea, van het arrest (in cassatie onbestreden) heeft gehanteerd voor zijn oordeel: “bij de beoordeling of een beding duidelijk en begrijpelijk is opgesteld [gaat het] niet slechts om de vraag of een beding taalkundig en grammaticaal begrijpelijk is, maar ook om de vraag of een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument op basis van alle relevante feitelijke gegevens, waaronder de reclame en informatie die hem is verstrekt, de strekking en concrete werking van het beding begrijpt zodat hij op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de – mogelijk aanzienlijke – economische gevolgen die er voor hem uit voortvloeien, kan inschatten.” (zie ook onder 4.8 hiervoor). Dat de strekking en concrete werking van het beding in het onderhavige geval duidelijk is, blijkt reeds uit subonderdeel 2.2 (zie ook onder 4.8 hiervoor). [30] Het hof heeft in rov. 3.6 van het arrest voorts overwogen: “[d]at over de vraag wanneer sprake is van een reeks met elkaar verband houdende voorvallen, zodat deze als één gebeurtenis moeten worden aangemerkt, discussie kan ontstaan, zoals in het onderhavige geval, niet zozeer voort[vloeit] uit enige (on)duidelijkheid van het beding, maar uit het feit dat dit criterium in de praktijk nu eenmaal steeds aan de hand van een bepaalde feitelijke situatie of bepaalde gebeurtenissen moet worden toegepast en daarover verschil van inzicht kan bestaan.” Dit oordeel van het hof sluit aan bij rov. 4.3 van het vonnis, waarin de rechtbank overweegt dat “[d]e vraag die partijen verdeeld houdt, hier niet zozeer [is] wat onder die definitie [van het begrip “gebeurtenis”, A-G] verstaan moet worden, maar veeleer of de feiten in dit specifieke geval onder die definitie vallen, namelijk of ze kunnen worden aangemerkt als “een reeks met elkaar verband houdende voorvallen”. Met grief 1 komt [eiser] op tegen dit oordeel (zie ook rov. 3.3 van het arrest). Deze grief verwerpt het hof in rov. 3.6 van het arrest (“Daarmee faalt deze grief”). [31] Uit de overweging van het hof in rov. 3.6 van het arrest blijkt met zoveel woorden dat de discussie die kan ontstaan niet samenhangt met onduidelijkheid van het beding, maar met verschil van inzicht over de feitelijke toepassing van het beding. Dat oordeel klemt dus niet met het oordeel dat sprake is van een duidelijk en begrijpelijk beding. [32] Hierop stuit het onderdeel af.
In de door het onderdeel aangedragen vindplaatsen in de gedingstukken van [eiser] , lees ik het volgende:
op zichzelfniet leidt tot een beroep op de verzekering.”
[cursivering in origineel, A-G]
(…)
14. (…) c. In de onderhavige zaak is sprake van de twee verschillende bestrijdingsmethoden en daarmee samenhangende andersoortige overlast voor [eiser] vanwege de bestrijding van watercrassula, dit ook nog door twee verschillende (weder)partijen die elk hun eigen beslissingen nemen. Dat is niet hetzelfde als het blunderen in één hetzelfde ‘bestrijdingsmiddel’ – dossierbehandeling in een arbeidsrechtzaak – door één partij of escalatie van een dezelfde uitgezette opdracht – de verbouwing – in een conflict met twee partijen ter zake.
(…)
15. (…) a. Achmea verliest uit het oog dat op deze wijze de (bestrijding van) watercrassula indirect toch nog als één ‘gebeurtenis’ wordt aangemerkt en niet de twee verschillende, elk op eigen gezag aangevangen bestrijdingsmethodes van Staatsbosbeheer en de Provincie. Naar analogie met Gesch. Cie KIFid 12 juli 2010: het arbeidsconflict dat aan de dossierbehandeling ten grondslag lag, moet niet worden verward met de dossierbehandeling zelf.”
Hierop stuit het onderdeel af.