Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Apeldoorn,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 november 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen eiser, een verzekerde dierenarts, en Achmea over de uitleg van het begrip arbeidsongeschiktheid in een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Eiser meldde zich arbeidsongeschikt wegens pijn- en gewrichtsklachten, waarop Achmea aanvankelijk een uitkering betaalde, maar deze per 28 november 2014 staakte wegens het ontbreken van medisch objectiveerbare stoornissen die een herkenbaar ziektebeeld vormen.
De rechtbank kende eiser de uitkering toe, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat de polisvoorwaarden duidelijk vereisen dat arbeidsongeschiktheid alleen bestaat bij objectief medisch vastgestelde stoornissen in relatie tot een herkenbaar ziektebeeld. Klachten zonder medische verklaring vallen hier niet onder. Achmea handelde derhalve terecht door de uitkering te beëindigen.
Eiser stelde dat het beroep van Achmea op deze dekkingsbeperking naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, omdat alle medici zijn ziekte erkenden en hij geen verplichte overheidsverzekering had. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit betoog niet hoefde te behandelen omdat het geen belang had; het beroep van Achmea op de polisvoorwaarden is gegrond en niet onaanvaardbaar.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van eiser en veroordeelde hem in de proceskosten. Hiermee is bevestigd dat de uitleg van arbeidsongeschiktheid in polisvoorwaarden strikt is en dat de verzekeraar vrij is om dekking te weigeren bij klachten die niet medisch objectiveerbaar zijn binnen een herkenbaar ziektebeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat Achmea de uitkering terecht per 28 november 2014 heeft gestaakt.