Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
- gedeeltelijke vernietiging van de vonnissen van 9 november 2016, 26 april 2017, 28 maart 2018 en van 3 oktober 2018 (zoals aangevuld bij vonnis van 14 november 2018);
- afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zoals verwoord in punt C van het petitum;
- veroordeling van de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 63.976,41;
- veroordeling van de man tot afgifte van de [auto] aan de vrouw.
Vervolgens heeft het hof bij eindarrest van 17 november 2020 (zoals verbeterd bij arrest van 20 april 2021) – samengevat en zakelijk weergegeven – het vonnis van de rechtbank van 3 oktober 2018 (zoals aangevuld bij vonnis van 14 november 2018) vernietigd voor zover de man daarin is veroordeeld tot betaling van € 60.448,56 aan de vrouw en tot afgifte van de [auto] binnen vijf dagen na het herstelvonnis. Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, in zoverre opnieuw rechtdoende, de man, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om aan de vrouw:
(i) ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 9.993,61 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2019 tot aan de datum van algehele voldoening; en
(ii) de [auto] af te geven. Het hof heeft daarbij bepaald dat de door de man betaalde maandelijkse leasetermijnen met betrekking tot de accu’s ten laste van de man komen, evenals de leasetermijnen tot aan de dag van afgifte van de auto en dat de leasetermijnen vanaf de datum van afgifte ten laste van de vrouw komen waarbij partijen ervoor zorg dienen te dragen dat het leasecontract op naam van de vrouw wordt gesteld.
Het hof heeft verder het meer of anders gevorderde afgewezen.
De vrouw heeft afgezien van het geven van een schriftelijke toelichting en heeft gerepliceerd. De man heeft zijn standpunt schriftelijk toegelicht en heeft afgezien van het geven van dupliek.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Verrekening van inkomstenArtikel 11.
Afrekening aan het einde van het huwelijkArtikel 16
Daarnaast heeft door gewijzigde wetgeving een aantal voorschriften een ander artikelnummer gekregen. Zie voor de zogeheten ‘reprise’ (het recht van een echtgenoot uit wiens eigen goederen een schuld van de gemeenschap is voldaan, op vergoeding uit de goederen van de gemeenschap) tot 1 januari 2012 art. 1:95 lid Pro 2 (oud) BW; vanaf 1 januari 2012 tot 1 januari 2018 art. 1:96 lid Pro 3 (oud) BW en thans art. 1:96 lid 4 BW Pro. Zie voor de zogeheten ‘récompense’ (het gehouden zijn door de echtgenoot wiens niet in de gemeenschap gevallen schuld uit goederen van de gemeenschap is voldaan, tot vergoeding aan de gemeenschap) tot 1 januari 2012 art. 1:96 lid Pro 2 (oud) BW, vanaf 1 januari 2012 tot 1 januari 2018 art. 1:96 lid Pro 4 (oud) BW en thans art. 1:96 lid 5 BW Pro.
samenstellingvan het betrokken vermogen het indieningstijdstip van het verzoek tot echtscheiding zowel bij een huwelijksgoederengemeenschap (art. 1:99 lid 1 onder Pro b BW) als bij een finaal verrekenbeding (art. 1:142 lid 1 onder Pro b BW) beslissend. [28] In het kader van de
omvangvan het te verrekenen vermogen bestaat echter een verschil met de verdeling van een (daadwerkelijke) gemeenschap. Bij verdeling van een gemeenschap wordt voor de omvang van het vermogen (de waarde per saldo) in beginsel uitgegaan van het moment waarop de verdeling daadwerkelijk plaatsvindt. Uit rechtspraak van de Hoge Raad vloeit voort dat van deze hoofdregel kan worden afgeweken door een nadere afspraak van partijen of op grond van de redelijkheid en billijkheid, bijvoorbeeld wanneer de verdeling van de huwelijksgemeenschap wordt getraineerd teneinde van de waardestijging van goederen te kunnen profiteren. [29] Om discussie te voorkomen over de vraag of om redenen van redelijkheid en billijkheid zou moeten worden afgeweken van het tijdstip van verdeling, heeft de wetgever voor de verrekening opgenomen dat de echtgenoten vanaf de in art. 1:142, eerste lid, BW genoemde tijdstippen niet meer in de waardeontwikkeling van de tot het te verrekenen vermogen behorende goederen delen. De wetgever merkt hierbij op dat de bepaling ziet op verrekening en niet op verdeling en vervolgt: [30]
In dat verband ga ik nader in op het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 [47] , dat betrekking heeft op een daadwerkelijke gemeenschap van goederen. De Hoge Raad heeft met dit arrest een eind gemaakt aan een langlopende controverse over de vraag of een echtgenoot een vergoedingsrecht (een ‘reprise’) heeft indien privévermogen van een echtgenoot (bijvoorbeeld ten gevolge van een erfenis of gift verkregen onder een uitsluitingsclausule) via de gemeenschap van goederen opgaat aan consumptieve bestedingen. Over deze kwestie – die veel voorkomt in de praktijk – waren feitenrechtspraak en literatuur verdeeld. [48]
3.3.3 Het door de vrouw onder de uitsluitingsclausule verkregen bedrag van € 30.000 dat op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen is overgeboekt, is volgens de vaststelling van het hof (rov. 3.6.4.5 en 3.6.4.7) aangewend voor diverse bestedingen. Die omstandigheid doet echter op zichzelf niet af aan het vergoedingsrecht van de vrouw zoals hiervoor in 3.3.2 (slot) omschreven, omdat het erom gaat of die bestedingen betrekking hadden op gemeenschapsschulden dan wel op privéschulden van de vrouw.
3.3.4 Uit de regel van art. 1:94 lid Pro 5 (oud) BW dat alle schulden van ieder van de echtgenoten tot de huwelijksgemeenschap behoren, met uitzondering van de aldaar onder a en b genoemde schulden en van de in art. 1:94 lid Pro 3 (oud) BW (thans lid 5) bedoelde schulden die aan een van de echtgenoten zijn verknocht, volgt het vermoeden dat de tijdens huwelijk uit het gemeenschapsvermogen voldane schulden gemeenschapsschulden zijn. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een huwelijksgemeenschap ook uitgaven in verband met consumptieve bestedingen zijn aan te merken als voldoening van gemeenschapsschulden. Hetzelfde geldt voor uitgaven in verband met de kosten van de huishouding als bedoeld in art. 1:84 BW Pro, ongeacht hoe ingevolge deze bepaling de draagplicht ter zake van die kosten tussen de echtgenoten verdeeld is.
Of zoals Reinhartz het verwoordt: wordt de pseudo-gemeenschap vastgesteld overeenkomstig de regels van art. 1:94 BW Pro e.v. of is art. 1:136 BW Pro nog van toepassing? Zij stelt deze vraag naar aanleiding van een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden van 8 oktober 2020 [50] (dus een maand eerder gewezen dat het onderhavige bestreden arrest). [51] In de zaak die tot deze beschikking van 8 oktober 2020 leidde, hadden partijen, die in 1996 onder uitsluiting van iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van goederen waren gehuwd, naast een periodiek verrekenbeding ook een finaal verrekenbeding in hun huwelijkse voorwaarden opgenomen. Dit finale verrekenbeding hield, kort samengevat, in dat bij ontbinding van het huwelijk, tussen partijen verrekening in geld zou plaatsvinden alsof een wettelijke algehele gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten had bestaan, waarbij de goederen buiten beschouwing worden gelaten die door de echtgenoten reeds zijn of nog zullen worden verkregen krachtens erfstelling, legaat of schenking. Het huwelijk is in 2019 ontbonden. Partijen hebben tijdens het huwelijk geen uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding. De man, die tijdens het huwelijk regelmatig schenkingen van zijn ouders had ontvangen, stelde vervolgens, met een beroep op het hiervoor aan bod gekomen arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019, dat deze schenkingen tot een pseudo-reprise aanleiding geven, ook al zijn de gelden niet meer op de spaarrekening aanwezig.
(…)
De vrouw heeft wat betreft de kosten van de huishouding onder meer aangevoerd dat hetgeen door de man uit erfenis en schenkingen is aangewend voor kosten huishouding in casu nodig was omdat de inkomsten van partijen de huishoudelijke lasten niet dekten en dientengevolge het vermogen van de man hiertoe moest worden aangewend. Nu de vrouw geen vermogen had, is dit volgens haar niet in strijd geweest met artikel 8 van Pro de huwelijkse voorwaarden. Er is door partijen naar evenredigheid van inkomsten en vermogen bijgedragen (MvA van de vrouw, tevens houdende incidenteel appel, nr. 50).
Geen vergoedingsrecht jegens de ‘gemeenschap’ (ook niet op basis van ECLI:NL:HR:2019:504)De wet en de heersende jurisprudentie over vergoedingsrechten op een wettelijke gemeenschap van goederen, waarop mijnheer een beroep doet als grief 4 e.v., dienen in casu niet te worden gevolgd (want in casu is er geen algehele gemeenschap van goederen), maar
hetgeen tussen partijen contractueel is afgesproken in de huwelijkse voorwaarden(waartoe de wet ook de mogelijkheid biedt!), in het bijzonder hoe bij finale verrekening moet worden omgegaan met schenkingen en erfenissen, en met de kosten huishouding. Hierover zijn nota bene specifiek afspraken gemaakt.
volledige bedragdat hij uit erfenissen en schenkingen heeft ontvangen (1 op 1) buiten de verrekening te houden, maar zo werkt de afwikkeling huwelijkse voorwaarden niet. Éérst dient gekeken te worden wat er op de peildatum nog is aan vermogen (en schulden) en dan wat van wie is. Op grond van de huwelijkse voorwaarden geldt vervolgens afrekenen als ware een gemeenschap van goederen. Met erfrechtelijke verkrijgingen en schenkingen wordt énkel rekening gehouden indien, in dit geval mijnheer, voldoende aannemelijk maakt dat dat vermogen (eventueel door middel van zaaksvervanging) nog op de peildatum aanwezig is.”
onderdeel 1wordt geklaagd dat het hof met rov. 5.14 een onjuiste toepassing/uitleg geeft aan het finale verrekenbeding. Volgens het onderdeel komt bij een finaal verrekenbeding slechts het op de peildatum aanwezige vermogen voor verrekening in aanmerking en blijven vervolgens buiten deze verrekening: (i) de goederen die bij het bestaan van een gemeenschap tussen de partijen daarbuiten zouden zijn gevallen (zoals goederen als bedoeld in art. 1:94 lid Pro 1, 3 en 4 BW) en (ii) de goederen waarvoor partijen in hun huwelijkse voorwaarden hebben geregeld dat zij van de verrekening worden uitgezonderd. [63] Het hof had dus, aldus het onderdeel, uitsluitend de tijdens het huwelijk door de man uit schenking en nalatenschappen ontvangen bedragen (hierna ook: erfgelden), buiten de verrekening mogen houden voor zover de man aannemelijk heeft gemaakt dat dat vermogen (eventueel door zaaksvervanging) nog op de peildatum aanwezig was.
Het onderdeel klaagt dat de door het hof gehanteerde uitleg voorts onjuist is, omdat die tot gevolg heeft dat het er niet toe doet waaraan de man zijn erfgelden heeft uitgegeven en de man, ook als hij de erfgelden voor zichzelf heeft gespendeerd, het volledige bedrag alsnog zou mogen aftrekken van het door hem met de vrouw te verrekenen vermogen. [64]
Volgens
subonderdeel 3.1is het oordeel van het hof onbegrijpelijk voor zover het hof mocht hebben bedoeld dat de man een vergoedingsrecht (van € 131.201,81) jegens de vrouw of de pseudo-gemeenschap toekomt dat in mindering komt op het te verrekenen vermogen. [66] Het subonderdeel voert daartoe aan dat het hof geen enkel inzicht geeft in zijn gedachtegang waarom de man een vergoedingsrecht toekomt, terwijl aan de enkele omstandigheid dat de man die gelden krachtens erfrecht heeft verkregen die niet meer aanwezig zijn op de peildatum niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat hij een vergoedingsrecht heeft dat (éérst) in mindering moet komen op het te verrekenen vermogen. [67]
subonderdeel 3.2wordt geklaagd dat het oordeel van het hof, eveneens onjuist, althans onvoldoende is gemotiveerd voor zover het hof heeft bedoeld dat de man een vergoedingsrecht jegens de vrouw of de pseudo-gemeenschap toekomt naar analogie van de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:504), omdat moet worden aangenomen dat de door hem tijdens het huwelijk ontvangen erfgelden zijn opgegaan aan consumptieve bestedingen en hem daarvoor een recht van reprise toekomt dat in mindering komt op het te verrekenen vermogen.
Onder 3.2.2 wordt aangevoerd dat en waarom onjuist en onbegrijpelijk is dat de man
in het onderhavige gevaleen vergoedingsrecht naar analogie van de uitspraak van 5 april 2019 zou (kunnen) toekomen, omdat artikel 6 van Pro de huwelijkse voorwaarden [zo] uitgelegd zou moeten worden dat partijen aansluiting hebben willen zoeken bij het recht van reprise, nu de vrouw heeft gesteld dat het aannemen van een vergoedingsrecht zich niet verdraagt met artikel 8 van Pro de huwelijkse voorwaarden.
Volgens paragraaf 3.2.3 is, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk, dat het hof aanneemt dat (behoudens de verbetering van de woning ad € 27.261,73) de erfgelden door de man volledig aan consumptieve uitgaven ten behoeve van beide echtgenoten zijn besteed, nu dat door de vrouw gemotiveerd is betwist en zij er in het bijzonder op heeft gewezen dat ook uit de eigen stellingen van de man volgt dat hij de erfgelden deels aan privébestedingen heeft uitgegeven.
Uit artikel 16 lid 3 van Pro de huwelijkse voorwaarden blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat de verrekening plaats heeft naar de toestand ten tijde van de ontbinding van het huwelijk. Nu de echtscheidingsbeschikking op 24 augustus 2016 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, heeft die datum te gelden als peildatum voor het bepalen van de samenstelling en de omvang van het te verrekenenvermogen (zie hiervoor in 3.20).
Verder staat vast dat de man tijdens het huwelijk een bedrag van € 131.201,81 uit erfstelling en schenking heeft ontvangen, dat het aan de man geschonken en door hem geërfde vermogen is ontvangen op een betaalrekening van de man bij de ING en dat op de peildatum er op de rekeningen van de man geen positieve saldi waren.
Daarnaast heeft het hof geen acht geslagen op de gestelde omstandigheid dat het door de man verkregen bedrag uit erfstelling en schenking op de peildatum was uitgegeven (onder meer aan kosten van de huishouding).Dat het vermogen van de man meer is toegenomen dan met het bedrag van € 131.201,81, zoals het hof overweegt, doet dan ook niet ter zake.
Het hof laat verder na te motiveren waarom de tekst van de huwelijkse voorwaarden geen ruimte zou bieden voor de stelling van de vrouw dat alleen wat er resteert van erfstellingen en schenkingen, onmiddellijk of middellijk via zaaksvervanging, buiten de verrekening blijft.
De klachten van de onderdelen 1 en 2 slagen in zoverre.
In zoverre slagen ook de motiveringsklachten van 3.1 en 3.2.