Conclusie
2. [verweerster 2] GmbH,
3. Silo-Tank KFT, verweersters in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. F.M. Dekker.
FNVrespectievelijk
[verweersters]Verweersters worden afzonderlijk aangeduid als
[verweerster 1],
GmbHen
Silo-Tank.
1.Inleiding en samenvatting
cao GN): in een overeenkomst van onderaanneming dient te worden bedongen dat aan de werknemers van de onderaannemer de basisarbeidsvoorwaarden van de cao worden toegekend, wanneer dat voortvloeit uit Richtlijn 96/71/EG [1] (hierna:
Detacheringsrichtlijn). Deze richtlijn is van toepassing op werknemers die ‘ter beschikking zijn gesteld’ op het grondgebied van een andere lidstaat dan waar zij gewoonlijk werken.
tussenarrest) het geding geschorst en over deze complexe problematiek prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU. Aan het HvJEU is, samengevat, voorgelegd (i) of de Detacheringsrichtlijn van toepassing is op de sector van het internationale wegtransport, (ii) onder welke voorwaarden een internationale beroepschauffeur ‘ter beschikking is gesteld op het grondgebied van een andere lidstaat’ in de zin van art. 1 lid 1 en Pro lid 3 van de Detacheringsrichtlijn, [4] en (iii) of aan de hand van nationaal recht of Unierecht moet worden bepaald of een cao algemeen verbindend is verklaard in de zin van art. 3 lid 8 van Pro die richtlijn.
Arrest) heeft (de Grote Kamer van) het HvJEU deze vragen beantwoord. Dat heeft een hoop duidelijkheid opgeleverd.
op of vanuithet Nederlandse grondgebied hun werkzaamheden verrichten. Volgens het HvJEU is echter bepalend of het door de betrokken werknemers verrichte werk een
voldoende nauwe bandheeft met de lidstaat van ontvangst en dient aan de hand van alle omstandigheden van het geval te worden beoordeeld of aan die maatstaf is voldaan. Daarmee werd het primaire betoog van FNV verworpen.
2.Feiten en procesverloop
hof), [7] naar mijn eerdere conclusie onder 1.2-1.8, en naar het tussenarrest onder 3.
3.Prejudiciële vragen
onder 20van de procesinleiding betreft (i) de beslissing in rov. 3.16.3, dat
“een ruime uitleg van ‘op het grondgebied’ naar (onder meer) ‘vanaf het grondgebied van één specifieke lidstaat voor diensten in alle overige lidstaten van de Unie(…)
geen recht doet aan de bedoeling van de Detacheringsrichtlijn”, (ii) de beslissing in rov. 3.16.5 dat de Detacheringsrichtlijn “
bewust niet [ziet] op de charters als in deze zaak aan de orde, doch slechts op nationaal dat wil zeggen op het grondgebied van een andere lidstaat of in elk geval overwegend op het gebied van die andere lidstaat uitgevoerde chartersen (iii) de in rov. 3.16.7 bereikte conclusie.
“op het grondgebied van een lidstaat”in de zin van art. 1 lid 1 en Pro lid 3 van de Detacheringsrichtlijn. Volgens FNV heeft het hof miskend dat
“op het grondgebied van een lidstaat”in voornoemde bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de werkzaamheden die in het kader van de terbeschikkingstelling worden uitgevoerd ‘op of vanuit het grondgebied’ van een lidstaat moeten plaatsvinden, hetgeen betekent dat de Detacheringsrichtlijn niet alleen van toepassing is op terbeschikkingstelling ‘op het grondgebied’ van een andere lidstaat dan waar een werknemer gewoonlijk werkt, maar ook van toepassing is in het geval de terbeschikkingstelling inhoudt dat werkzaamheden worden verricht vanaf/vanuit het grondgebied van een andere lidstaat.
op het grondgebied van dat landtijdelijk transportwerkzaamheden verricht. In lijn hiermee wordt in rov. 4.5 van het tussenarrest overwogen dat de primaire klacht van onderdeel 1 feitelijke grondslag mist voor zover deze tot uitgangspunt neemt dat het hof heeft geoordeeld dat het internationaal wegvervoer geheel buiten de reikwijdte van de Detacheringsrichtlijn valt.
op het grondgebied van een lidstaat”. Deze vraag vormt
de kernvan het onderhavige geschil.
hetjuiste criterium
moetworden toegepast om de lidstaat aan te wijzen op het grondgebied waarvan een werknemer is gedetacheerd. Ik sloot die analyse af met de opmerking dat de door het hof (in rov. 3.16.5) gegeven uitleg aansluit bij de tekst van Detacheringsrichtlijn en niet onjuist lijkt. Tegelijkertijd stelde ik vast dat daarover twijfels mogelijk zijn (zie 4.35). De prejudiciële vraag 2(a) heeft hierop betrekking.
een voldoende nauwe bandvertoont
met dat grondgebied(zie in die zin arrest van 19 december 2019, Dobersberger, C-16/18, EU:C:2019:1110, punt 31), wat onderstelt dat
een algehele beoordeling wordt verricht van alle factoren die kenmerkend zijn voor de werkzaamheden van de betrokken werknemer.
kenmerken van de dienstverrichtingwaarvoor de werknemer in kwestie wordt ingezet. Ook de
aard van de werkzaamhedendie de betreffende werknemer op het grondgebied van de betrokken lidstaat verricht, is een relevante factor bij de beoordeling of er sprake is van een dergelijke band.
Wat betreftmobiele werknemers zoals
chauffeurs die werkzaam zijn in het internationaal vervoer, is bij die beoordeling eveneens
van belang in welke mate de werkzaamhedendie door een dergelijke werknemer in het kader van de vervoersdienst waarvoor hij wordt ingezet worden verricht,
verband houden met het grondgebied van elke betrokken lidstaat.
aandeel van die werkzaamheden in de betreffende dienstverrichtingals geheel. Daarbij zijn het
laden of lossen van goederen, het onderhouden of het schoonmaken van wegvoertuigen relevant,
mitszij daadwerkelijk worden
verricht door de betrokken chauffeuren niet door derden.”
voldoende nauwe bandbestaat tussen (de kenmerkende factoren van) het werk dat de betrokken werknemer verricht en het grondgebied van de lidstaat waar hij dat tijdelijk doet. Of een dergelijke band bestaat, hangt af van de omstandigheden van het geval. De rechter zal moeten bezien wat voor soort werkzaamheden de betrokken werknemer verricht, afgezet tegen het aandeel van die activiteiten in vergelijking met de volledige dienstverrichting, en in welke mate die werkzaamheden verband houden met het grondgebied van een of meer lidstaten. Ik verwijs ook naar het dictum van het Arrest, onder 2, eerste alinea.
het feit dat een chauffeurdie werkzaam is in het internationaal vervoer en door een in een lidstaat gevestigde onderneming ter beschikking is gesteld van een in een andere lidstaat gevestigde onderneming,
de instructies voor zijn opdrachten ontvangt, die opdrachten begint of die opdrachten beëindigt op het hoofdkantoor van die tweede onderneming, op zich ontoereikend om te stellen dat die chauffeur op het grondgebied van die andere lidstaat “ter beschikking [is] gesteld”, indien het werk dat die chauffeur verricht op basis van andere factoren geen voldoende nauwe band vertoont met dat grondgebied.” [12]
ondernemingen die partij zijn bij de overeenkomst voor de terbeschikkingstelling van werknemers zijn gelieerd in concernverbandlaat op zich niet toe te bepalen in welke mate er sprake is van verbondenheid met het grondgebied van de lidstaat waar de betrokken werknemer naartoe wordt gezonden en
laat dus niet toe vast te stellen of tussen het werk dat die werknemer verricht en dat grondgebied een voldoende nauwe band bestaatvoor de constatering dat er sprake is van een situatie van terbeschikkingstelling die onder richtlijn 96/71 valt.”
ter beschikbaar stellen [van werknemers] op het grondgebied van een lidstaat”, als een werknemer “
op het grondgebied van een andere lidstaat of in elk geval overwegend op het gebied van die andere lidstaat charters uitvoert”. [13] FNV gaat er echter aan voorbij dat het hof met deze formulering heeft aangesloten bij de tekst van de richtlijn. Door te oordelen dat een werknemer op of in elk geval overwegend op het grondgebied van een andere lidstaat werkzaamheden moet verrichten om aldaar als gedetacheerd te kunnen worden aangemerkt heeft het hof niet een maatstaf aangelegd die onverenigbaar is met het ‘nauwe band’-criterium dat volgens het HvJEU moet worden gehanteerd. Het hof heeft dus niet een onjuiste maatstaf gehanteerd.
onder 21van de procesinleiding een subsidiaire rechtsklacht tegen de beslissing in rov. 3.17.7 van het bestreden arrest. FNV stelt dat in cassatie als hypothetische feitelijke grondslag moet worden aangenomen dat de ritten die werknemers van GmbH en Silo-Tank voor [verweerster 1] uitvoeren wel deels
geheel in Nederlandplaatsvonden, nu dit is gesteld en de juistheid van die stelling door het hof in het midden is gelaten. [16] Met het oordeel dat
in het geheel nietis voldaan aan de eis van terbeschikkingstelling van werknemers op het grondgebied van de staat Nederland, heeft het hof volgens FNV miskend dat werknemers voor een
deelvan hun werkzaamheden rechten aan de Detacheringsrichtlijn kunnen ontlenen, indien dat deel van de werkzaamheden wel degelijk
“op het grondgebied van”een lidstaat als bedoeld in de Detacheringsrichtlijn plaatsvindt.
deelsin Nederland plaatsvinden en (ii) nationale ritten waarbij het gehele traject tussen begin- en eindpunt in Nederland ligt. Onder (i) komt het aan op het gedeelte van een internationale rit dat over Nederlands grondgebied gaat en wordt gekeken op het niveau van de individuele rit. Voor zover het middel hier het oog op zou hebben dient het te falen: het uitgangspunt dat bij elke internationale rit het eerste en het laatste stuk over Nederlands grondgebied gaat (van Erp tot de grens respectievelijk van de grens tot Erp), betekent niet dat de chauffeurs in zoverre geacht moeten worden op Nederlands grondgebied ter beschikking te zijn gesteld in de zin van art. 1 lid 1 en Pro 3 van de Detacheringsrichtlijn. Dit volgt reeds uit de behandeling van de primaire klacht. Waarschijnlijker is dan ook de tweede lezing van de klacht. [17] Daar gaat het om het aandeel van de ritten die volledig over Nederlands grondgebied zijn uitgevoerd op het totale aantal verrichte ritten; cabotagevervoer dus. Er wordt dan gekeken op het niveau van de individuele werknemer-chauffeur.
nauw verbonden is met het grondgebied van de ontvangende lidstaat”. Art. 1 lid 7 luidt Pro:
cabotageververvoer volledig plaatsvindt op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst, waardoor kan worden aangenomen dat het werk dat de chauffeur in het kader van dat vervoer verricht een voldoende nauwe band heeft met dat grondgebied.
een chauffeur die dergelijk vervoer verricht in beginsel moet worden geacht ter beschikking te zijn gesteld op het grondgebied van de lidstaat van ontvangstin de zin van artikel 2, lid 1, van richtlijn 96/71.
de duur op zich geen afbreuk kan doen aan het bestaan van een voldoende nauwe bandtussen het werk van de chauffeur die dat vervoer verricht en het grondgebied van de lidstaat van ontvangst, maar die beoordeling laat de toepassing van artikel 3, lid 3, van richtlijn 96/71 onverlet.”
Die algemeenverbindendverklaring kan enkel worden verricht overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.
heeft de Uniewetgever ontegenzeglijk verwezen naar een nationaal stelsel.”
De cao ‘Goederenvervoer’ moest evenwel worden nageleefd om te worden vrijgesteld van de toepassing van de cao ‘Beroepsgoederenvervoer’, die wel algemeen verbindend is verklaard. Bovendien is de inhoud van de bepalingen van die twee collectieve arbeidsovereenkomsten nagenoeg gelijk. Alle ondernemingen die actief zijn in de goederenvervoersector dienden die bepalingen dus na te leven.
voldoet aan het in artikel 3, leden 1 en 8, van richtlijn 96/71 bedoelde begrip.”
“voor het overige[dat wil zeggen: behalve de charterbepaling]
qua inhoudelijke bepalingen”vrijwel gelijkluidend zijn.
de inhoud van de bepalingen van die twee collectieve arbeidsovereenkomsten nagenoeg gelijk” [32] is. Strikt genomen is het HvJEU in prejudiciële zaken niet bevoegd tot het geven van dergelijke feitelijke oordelen, hier gaat het echter om feitelijke uitgangspunten ter onderbouwing van een rechtsoordeel (te weten: de uitleg van art. 3 leden Pro 1 en 8 van de Detacheringsrichtlijn). De klacht faalt derhalve.
het principale beroepvan FNV in zoverre doel dat de subsidiaire rechtsklacht van onderdeel 1 over het cabotagevervoer (en in het verlengde daarvan de klacht tegen de veroordeling van FNV in de proceskosten) terecht zijn voorgesteld. De andere oordelen van het hof houden stand. Het
incidenteel beroepslaagt niet.
voldoende nauwe band” vertoont met het Nederlandse grondgebied. [34] FNV aanvaardt kennelijk niet dat met het antwoord op de tweede prejudiciële vraag het lot van haar belangrijkste stelling is bezegeld. Het hof heeft hierover beslist en als gezegd acht ik die beslissing juist.
cabotagerittenhebben uitgevoerd, en of de daarbij geldende arbeidsvoorwaarden in voor de werknemers nadelige zin hebben afgeweken van de basisarbeidsvoorwaarden die zijn opgenomen in de (toepasselijke versie van de) cao GN.