Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
'sales contracten’. In deze sales contracten staat achter “
Contract Conditions” vermeld: “
Conditiën van de Nederlandse Handel in Granen en Diervoedergrondstoffen (CNGD)”.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt over de vaststelling van het hof dat tussen partijen in hoger beroep niet in geschil is dat de CNGD op de koopovereenkomsten van toepassing zijn.
Onderdeel 2klaagt over de invulling die het hof heeft gegeven aan de bekendheidsuitzondering.
Onderdeel 3komt op tegen het oordeel van het hof dat De Eendracht bij de totstandkoming van de koopovereenkomsten bekend was of mocht worden geacht bekend te zijn met de CNGD en het daarin vervatte arbitraal beding.
Onderdeel 4bestrijdt het oordeel van het hof dat De Eendracht de CNGD zelf meermalen in haar overeenkomsten heeft gebruikt.
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend, omdat het hof, als gevolg van zijn oordeel dat de grieven van [verweerster] tegen de afwijzing van haar incidentele vordering door de rechtbank slagen, bij zijn herbeoordeling van die incidentele vordering de in hoger beroep niet prijsgegeven stellingen van De Eendracht uit de eerste aanleg met betrekking tot de toepasselijkheid van de CNGD had moeten betrekken. In het bijzonder had het hof moeten oordelen over de stellingen van De Eendracht (i) dat [verweerster] de CNGD slechts in een opdrachtbevestiging heeft genoemd, maar niet van heeft toepassing verklaard, (ii) dat [verweerster] in de opdrachtbevestiging twee sets van algemene voorwaarden heeft genoemd en onduidelijk is welke set van toepassing is; en (iii) dat De Eendracht de toepasselijkheid van de CNGD niet heeft aanvaard.
subonderdeel 1.1terecht over de overweging dat tussen partijen in hoger beroep niet in geschil is dat de CNGD op de koopovereenkomsten van toepassing zijn en dat het hof, na gegrondbevinding van grieven van [verweerster] , de desbetreffende stellingen van De Eendracht had moeten beoordelen. De
subonderdelen 1.2 en 1.3behoeven verder geen bespreking.
Subonderdeel 2.2voegt daaraan toe dat het oordeel van het hof te meer onjuist is in het licht van de in dat subonderdeel genoemde omstandigheden.
Subonderdeel 2.3klaagt dat het hof heeft miskend dat de vraag of aan de ratio van artikel 6:234 lid 1 BW Pro is voldaan, moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval, en bevat daarnaast een motiveringsklacht.
Subonderdeel 2.4bevat (deels) een voortbouwende klacht, en voorts een aanvullende motiveringsklacht.
De overweging dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin een beroep op artikel 6:233 onder Pro b en artikel 234 lid 1 BW Pro naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is breder dan de hier bedoelde bekendheidsuitzondering en omvat bijvoorbeeld gevallen van rechtsverwerking. Deze overweging kan mogelijk echter ook gevallen omvatten die onder de bekendheidsuitzondering vallen of in het verlengde daarvan liggen, afhankelijk van hoe eng of ruim het toepassingsbereik van de bekendheidsuitzondering wordt afgebakend (zie hierna in 3.25). [25]
De informatieplicht van artikel 6:233 onder Pro b BW heeft verschillende functies. [27] Allereerst dient deze plicht ertoe bij het aangaan van de overeenkomst ‘informed consent’ te bewerkstelligen. De wederpartij moet weten – of in ieder geval kunnen weten [28] – waaraan zij toe zal zijn als zij de overeenkomst aangaat (besluitvormingsfunctie). Daarnaast moet de wederpartij, ook nadat de overeenkomst tot stand is gekomen, in staat zijn om haar contractuele rechtspositie te beoordelen (dossierfunctie). Door enkele auteurs wordt daarnaast nog een derde functie onderscheiden, namelijk dat de wederpartij – zowel bij het sluiten van de overeenkomst als daarna – haar gedrag op (de inhoud van) de algemene voorwaarden kan afstemmen (gedragsafstemmingsfunctie); andere auteurs scharen dit onder de eerstgenoemde functies.
In het licht van deze functies van de informatieplicht, wordt in de literatuur wel geoordeeld dat de terhandstellingsplicht een (onevenredig) zware last op de gebruiker legt nu de algemene voorwaarden doorgaans voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst niet worden gelezen, en dat die plicht ook overigens niet goed aansluit bij de hiervoor genoemde functies. [29] Anderzijds wordt erop gewezen dat de wettelijke regeling terecht het initiatief voor het verstrekken van de algemene voorwaarden legt bij de gebruiker daarvan. [30] Inmiddels wordt de kritiek op de terhandstellingsplicht mede gevoed door het verschil met de regeling voor ‘dienstverrichters’ als bedoeld in artikel 6:230c BW. [31] Deze regeling wordt doorgaans als minder streng voor de gebruiker beschouwd dan de regeling van de terhandstelling in artikel 6:234 lid 1 BW Pro zoals deze geldt voor gebruikers van algemene voorwaarden die niet vallen onder het (ruime) toepassingsbereik van de Dienstenrichtlijn. [32]
inhoudelijkebekendheid. Niet voldoende is dus dat de wederpartij weet (of kan weten) dat er een arbitragebeding in de algemene voorwaarden is opgenomen, maar hij moet ook weten (of kunnen weten) wat de inhoud van dat beding is. [33] Tegenover deze zogenaamde ‘concrete benadering’ staat de ‘abstracte benadering’, waarin dergelijke concrete aanwijzingen ten aanzien van de specifieke wederpartij niet (of in mindere mate) vereist zijn. Zo kan in de abstracte benadering, die men wel in (sectorspecifieke) arbitrage tegenkomt, [34] bekendheid met branchevoorwaarden of in een branche gebruikelijke voorwaarden reeds worden afgeleid uit het feit dat de wederpartij zelf in die branche actief is of regelmatig zaken doet met ondernemingen uit die branche. [35]
hoedeze bekendheid tot stand is gekomen? In zijn noot onder het arrest Geurtzen/Kampstaal omschreef Hijma het probleem reeds als volgt:
eersteopvatting dient de kennis van de algemene voorwaarden bij de wederpartij
door toedoen van de gebruikerte zijn ontstaan. [40] Deze opvatting sluit aan bij het stelsel van artikel 6:233 sub b en Pro artikel 6:234 lid 1 BW Pro. Artikel 6:233 sub b BW Pro bepaalt dat
de gebruikeraan de wederpartij
een redelijke mogelijkheid moet hebben gebodenom van de algemene voorwaarden kennis te nemen. En uit artikel 6:234 BW Pro volgt dat de gebruiker van de algemene voorwaarden het initiatief moet nemen om deze aan zijn wederpartij bekend te maken en, waar dat niet mogelijk is, om aan de wederpartij bekend te maken waar de voorwaarden kunnen worden gevonden en dat zij op verzoek zullen worden toegezonden. Zoals ook blijkt uit het arrest First Data/Attingo, volgt uit het systeem van artikel 6:234 BW Pro dat de gebruiker het initiatief tot bekendmaking van de algemene voorwaarden moet nemen (zie hiervoor in 3.15).
In de twee voorbeelden van de bekendheidsuitzondering die de Hoge Raad in het arrest Geurtzen/Kampstaal heeft gegeven, is sprake van toedoen van de gebruiker van de voorwaarden. In zoverre kan daarin steun worden gelezen voor de thans besproken opvatting. Daar staat tegenover dat uit het arrest niet volgt dat deze voorbeelden limitatief bedoeld zijn (“daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan”) en dat de formulering van de bekendheidsuitzondering in dit arrest geen toedoenvereiste bevat.
daaromniet (nog een keer) ter hand heeft gesteld. [41] De parlementaire geschiedenis biedt enige steun voor deze opvatting. Zo merkte de toenmalige Minister van Justitie op dat het, in een geval waarin de wederpartij zonder toedoen van de gebruiker bekend is met de algemene voorwaarden, en de gebruiker dit weet, niet in overeenstemming met redelijkheid en billijkheid zou zijn om van de gebruiker te vragen de algemene voorwaarden nog een keer toe te sturen. [42]
In de hierna te bespreken derde opvatting wordt de bekendheidsuitzondering afgebakend aan de hand van de positie van de wederpartij.
derdeopvatting is irrelevant hoe de kennis van de algemene voorwaarden bij de wederpartij is ontstaan. [43] Indien de wederpartij met de algemene voorwaarden bekend is of kan worden geacht bekend te zijn, is aan de ratio van de wet voldaan en wordt recht gedaan aan de functies van de informatieplicht (besluitvormingsfunctie, dossierfunctie en gedragsafstemmingsfunctie). Ik wijs er in dit verband op dat de bekendheidsuitzondering concreet moet worden ingevuld (zie hiervoor in 3.19.3). De wijze waarop de bekendheidsuitzondering in het arrest Geurtzen/Kampstaal is geformuleerd, laat deze opvatting toe. Tot slot kan men zich afvragen welk doel of belang de nadere vereisten die in de eerste twee opvattingen worden gesteld, nog dienen als achteraf vaststaat dat de wederpartij met de algemene voorwaarden bekend was of kon worden geacht daarmee bekend te zijn.
Nu de in het arrest Geurtzen/Kampstaal geformuleerde uitzondering op het wettelijke uitgangspunt van terhandstelling wordt gerechtvaardigd door de bekendheid van de wederpartij met de algemene voorwaarden, ontbreekt overigens ook een reden om aan de toepassing van die uitzondering, met het oog op de positie van de gebruiker, nog nadere eisen te stellen.
Hierbij komt naar mijn mening inmiddels ook betekenis toe aan het feit dat bij de implementatie van de Dienstenrichtlijn in artikel 6:230c BW een versoepeling van de informatieplicht is doorgevoerd voor de verrichters van diensten die vallen onder de (ruime) reikwijdte van het begrip ‘diensten’ in de Dienstenrichtlijn. Het ligt niet in de rede om bij de toepassing van de bekendheidsuitzondering voor partijen die niet onder de Dienstenrichtlijn vallen, nadere eisen te stellen waardoor het contrast met de door artikel 6:230c BW bestreken gevallen zou worden aangezet (zie hiervoor in 3.17).
Dat geldt ook voor de omstandigheid (ii) dat geen mogelijkheid is geboden tot kennisneming hoewel terhandstelling of toezending redelijkerwijs mogelijk en van [verweerster] te vergen was. Deze omstandigheid is van belang voor de toepassing van artikel 6:234 lid 1 BW Pro, maar niet indien de bekendheidsuitzondering op gaat.
De onder (iv) genoemde omstandigheid dat de bekendheid van De Eendracht wordt aangenomen op grond van toerekening van kennis, legt evenmin gewicht in de schaal. Bij transacties tussen rechtspersonen is immers niet ongebruikelijk dat enige vorm van toerekening van kennis aan de rechtspersoon zal plaatsvinden. Tot een – kennelijk door het subonderdeel beoogde – meer terughoudende toepassing van de bekendheidsuitzondering hoeft dit niet te leiden.
Van een essentiële stelling is sprake als honorering van die stelling tot een andere beslissing kan leiden. Aangenomen wordt dat in ieder geval een reële kans moet bestaan dat de gepasseerde stelling tot een andere beslissing kan leiden. Verder is de rechter niet steeds gehouden om op ieder argument afzonderlijk in te gaan. Verwerping of honorering van stellingen kan groepsgewijs of impliciet plaatsvinden. Daarbij kan ook de mate waarin argumenten en stellingen zijn uitgewerkt een rol spelen. [46] Uit de voorgaande bespreking van de subonderdelen 2.1 en 2.2 volgt dat het hof de daar genoemde omstandigheden niet bij zijn beoordeling behoefde te betrekken. Om deze reden faalt ook de motiveringsklacht van het subonderdeel.
subonderdeel 3.2is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de vaststelling dat een cursus is gevolgd waarin (onder meer) de CNGD aan bod zijn gekomen, niet (zonder meer) de conclusie kan dragen dat de cursist (een voldoende mate van) kennis van de tekst of strekking van het arbitraal beding uit de CNGD heeft of geacht kan worden te hebben. Het oordeel van het hof komt erop neer dat een cursist wordt geacht na het volgen van de cursus (kennelijk tot in de eeuwigheid, of in ieder geval gedurende ongeveer twee jaar) de inhoud van alle clausules van alle sets algemene voorwaarden die in de cursus zijn behandeld te beheersen of kunnen reproduceren, aldus het subonderdeel.
Het oordeel is onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd nu niet valt in te zien waarom uit het – al dan niet uitgebreid – aan bod komen van de CNGD bij (één van twaalf vakken van) de betreffende cursus, zou kunnen leiden tot de conclusie dat [betrokkene 2] (geacht wordt) de strekking van de arbitrageclausule uit de CNGD (althans alle clausules uit alle behandelde sets AV) zou beheersen of zou kunnen reproduceren of (een voldoende mate van) kennis van de tekst of strekking daarvan zou hebben, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 4.2betoogt dat dit te meer geldt in het licht van de in dat subonderdeel genoemde omstandigheden.
Subonderdeel 4.3bouwt deels voort op de in subonderdeel 4.2 genoemde omstandigheden, en bevat voorts een motiveringsklacht.
In de literatuur wordt opgemerkt dat niet kan worden uitgesloten dat een door de wederpartij in haar eigen overeenkomsten opgenomen beding slechts in bepaalde situaties wordt gehanteerd, in welke gevallen het een volstrekt redelijk beding kan zijn, terwijl het in de omstandigheden waarin het door de gebruiker wordt gehanteerd, de toets aan artikel 6:233 onder Pro a BW niet kan doorstaan. [50]
In de regel zal het gaan om voorwaarden van de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst verricht (bijvoorbeeld de verkoper verklaart zijn verkoop- of branchevoorwaarden van toepassing, de verzekeraar verklaart de verzekeringsvoorwaarden van toepassing etc.), maar dit zal niet steeds het geval zijn (bijvoorbeeld de koper verklaart zijn inkoopvoorwaarden van toepassing).
De Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer heeft bij de totstandkoming van artikel 6:231 BW Pro opgemerkt dat onduidelijk is welke partij als gebruiker en welke als wederpartij moet gelden bij algemene voorwaarden die door een onpartijdige derde of in onderling overleg tussen partijen of hun organisaties zijn opgesteld, en die voor beide partijen voordelen en nadelen meebrengen. De commissie meende dat in dat geval beide partijen als gebruiker en wederpartij moeten worden beschouwd, zodat beide partijen zich zouden kunnen beroepen op de bescherming van afdeling 6.5.3. BW. [57] De minister was het daarmee oneens. Het feit dat algemene voorwaarden door een onpartijdige derde of in overleg tussen organisaties van belanghebbenden zijn opgesteld, neemt volgens de minister niet weg dat de voorwaarden door één van de partijen bij een overeenkomst (de ondernemer) worden ‘gebruikt’, dat wil zeggen: op de overeenkomst toepasselijk worden verklaard. Slechts de wederpartij kan zich dan beroepen op de maatstaf van (thans) artikel 6:233 onder Pro a BW. [58] Ik onderschrijf dit standpunt, met dien verstande dat een ‘gelijkspel’ ten aanzien van de gebruikersrol m.i. denkbaar is en dat dan nader moet worden bezien of er een gebruiker kan worden aangewezen (zie hierna in 3.55).
namenseen van partijen het initiatief neemt om voorwaarden van toepassing te verklaren. Dan kan de door de derde vertegenwoordigde partij als gebruiker worden aangemerkt. Artikel 6:235 lid 2 BW Pro biedt aan de volmachtgever die gebruiker van de algemene voorwaarden is, overigens de mogelijkheid om zich te beroepen op artikel 6:233 onder Pro a BW, mits de wederpartij meermalen overeenkomsten sluit waarop dezelfde of nagenoeg dezelfde voorwaarden van toepassing zijn. Dit beschermt de volmachtgever met name tegen voorwaarden die gebruikelijk zijn in de branche waarin de gevolmachtigde en de wederpartij werkzaam zijn. [62]
geenvan partijen het initiatief nam om bepaalde voorwaarden van toepassing te verklaren, zoals wanneer partijen besluiten de inhoud van een overeenkomst aan een derde over te laten en deze derde bepaalde algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing verklaart. Hiermee kan overlappen het geval dat
beide partijendezelfde algemene voorwaarden op hun overeenkomst van toepassing wensen te verklaren (uitgaande van de neutraliteit daarvan) en het willekeurig is om de rol van gebruiker toe te kennen aan de partij die het eerste aan deze voorwaarden heeft gerefereerd. Er is dan geen of te weinig grond om één partij aan te merken als de partij die het initiatief nam om de algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing te verklaren. In een dergelijk geval kan met Hijma worden gesproken van een ‘gelijkspel’ ten aanzien van de gebruikersrol. [63] In dit verband worden drie oplossingsrichtingen voorgesteld.
eersteplaats wordt verdedigd dat
beide partijenover en weer als gebruiker en wederpartij moeten worden aangemerkt, in die zin dat iedere partij als gebruiker wordt aangemerkt ten aanzien van bedingen die voor haar voordelig zijn en als wederpartij ten aanzien van bedingen die voor haar nadelig zijn. Aldus kunnen beide partijen de vernietigbaarheid inroepen van bedingen die jegens hen onredelijk bezwarend zijn, en wordt partijen de meest ruime mogelijkheid geboden om van de wettelijke bescherming van de regeling van algemene voorwaarden te profiteren. [64] Volgens de aanhangers van deze opvatting zou dit het beste passen bij het beschermingsdoel van afdeling 6.5.3 BW. [65] Deze opvatting biedt overigens geen antwoord op de vraag hoe moet worden omgegaan met de informatieplicht van artikel 6:233 onder Pro b BW. [66]
tweedeplaats wordt verdedigd dat
één partijals gebruiker moet worden aangemerkt, namelijk de partij die de voor de overeenkomst kenmerkende prestatie verricht. [69] Deze opvatting gaat ervan uit dat de strekking van afdeling 6.5.3 BW (vooral) bestaat uit het beschermen van de wederpartij van de partij die de kenmerkende c.s. karakteristieke prestatie verricht. In de parlementaire geschiedenis is de strekking van afdeling 6.5.3 BW echter ruimer verwoord, te weten versterking van de rechterlijke controle op de inhoud van algemene voorwaarden ter bescherming van wederpartijen die op de inhoud van de algemene voorwaarden in de regel geen invloed hebben, deze vaak niet kennen of begrijpen, dan wel het risico onderschatten dat het tot een beroep op de algemene voorwaarden zal komen. [70] Bovendien kunnen voorwaarden ook zijn opgesteld vanuit het perspectief van de partij die niet de kenmerkende prestatie verricht (zoals bij inkoopvoorwaarden). Deze opvatting leidt ertoe dat partijen geen gelijke bescherming aan de wet kunnen ontlenen. Daarvoor ontbreekt m.i. een rechtvaardiging, met name in gevallen waarin de van toepassing verklaarde algemene voorwaarden niet het belang dienen van de partij die de kenmerkende prestatie verricht (zoals bij inkoopvoorwaarden). De kenmerkende prestatie lijkt zo bezien geen goed aanknopingspunt om te bepalen wie de gebruiker van algemene voorwaarden is.
derdeopvatting wordt aangenomen dat afdeling 6.5.3 BW niet van toepassing is, omdat
geen partijals gebruiker (of wederpartij) kan worden aangewezen. De rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door de algemene bepalingen, waaronder artikel 6:248 lid 2 BW Pro. De gedachte achter deze opvatting is dat de situatie waarvoor artikel 6.5.3 BW bescherming biedt zich niet voordoet als een (neutrale) derde de algemene voorwaarden opstelt of van toepassing verklaart, dan wel beide partijen positief willen dat bepaalde algemene voorwaarden van toepassing zijn. Deze opvatting verwerpt de gedachte dat bij toepassing van algemene voorwaarden er steeds een gebruiker kan worden aangewezen. Hijma meent dat de vraag wie kan worden aangemerkt als gebruiker van algemene voorwaarden moet worden beoordeeld aan de hand van het inbrengmechanisme en verwerpt de gedachte dat daarbij kan worden betrokken of de voorwaarden inhoudelijk neutraal zijn (zie hiervoor in 3.52). [71]
In beginsel heeft de hiervoor besproken derde opvatting dat geen van partijen gebruiker is, naar mijn mening de beste papieren indien algemene voorwaarden door een derde, niet op incidentele basis, in overeenkomsten zijn ingebracht en partijen daaraan hun akkoord hebben gegeven. Bij meermalig gebruik van de voorwaarden lijkt artikel 6:235 lid 3 BW Pro de overweging die in de eerste opvatting zou moeten rechtvaardigen dat beide partijen in een gelijkspelsituatie over en weer als gebruiker en wederpartij dienen te worden aangemerkt, te doorkruisen. De tweede opvatting dat de partij met de kenmerkende prestatie de gebruiker is, leidt tot een ongelijke behandeling van partijen op basis van een uitgangspunt dat door afdeling 6.5.3. BW naar mijn mening niet wordt gedragen. Afdeling 6.5.3 BW biedt mijns inziens wel steun voor een enigszins verwant uitgangspunt, namelijk dat de aard van de voorwaarden erop kan wijzen dat zij juist het belang van één van partijen dient (vgl. hiervoor in 3.51 en 3.53.1). Dit zou een argument kunnen zijn om de desbetreffende partij als gebruiker aan te merken.
onderdeel 4van levert dit het volgende op.
Het hof heeft niet vastgesteld dat in de door het hof bedoelde gevallen de makelaar is opgetreden namens De Eendracht of haar contractuele wederpartij. [72] Het hof heeft evenmin vastgesteld dat het initiatief tot het toepasselijk verklaren van de CNGD is uitgegaan van De Eendracht of haar contractuele wederpartij (maar slechts dat de voorwaarden niet door de wederpartij zijn opgelegd). [73] Het hof heeft niets vastgesteld omtrent de vraag of de CNGD vooral het belang van de verkoper dan wel van de koper beoogt te dienen. [74] De omstandigheden dat de CNGD branchevoorwaarden zijn die binnen de handelsketen voor granen en diervoeder-grondstoffen op grote schaal worden gebruikt, dat zij van toepassing waren op de meer dan vijftig overeenkomsten die [verweerster] en De Eendracht vanaf 2012 met elkaar hebben gesloten (rov. 3.7) en dat [verweerster] de CNGD van toepassing heeft verklaard op de twee overeenkomsten van 15 april en 14 juni 2014 die De Eendracht en [verweerster] hebben gesloten (rov. 2.3 en 3.1), bieden daarover geen uitsluitsel.
Het hof heeft slechts vastgesteld dat De Eendracht en haar contractuele wederpartij in de door het hof genoemde omstandigheden elkaar over en weer aan de toepasselijkheid van de CNGD hebben gebonden, en daaraan de conclusie verbonden dat beide partijen als gebruiker van de CNGD moeten worden aangemerkt.
onderdeel 4slagen naar mijn mening.