Conclusie
eiseres tot cassatie,
advocaat: Y.E.J. Geradts
verweerder in cassatie,
advocaat: J.W.H. van Wijk
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1.1klaagt dat de vaststelling van het hof dat ESP het bedrag dat op de g-rekening stond, naar de Ontvanger heeft overgemaakt, onbegrijpelijk is, nu uit de stukken van het geding volgt dat het de Ontvanger zelf is geweest die dit heeft gedaan.
Subonderdeel 1.2voert aan dat het oordeel van het hof dat de overmaking naar de Ontvanger als een betaling onder opschortende voorwaarde van de aansprakelijkheidstelling moet worden gekwalificeerd, blijk geeft van een onjuist rechtsopvatting, nu ESP juist om uitstel van betaling heeft gevraagd en deze ook van de Ontvanger heeft gekregen, wat niet met een betaling is te verenigen.
Subonderdeel 1.3klaagt dat de Ontvanger zich in deze procedure niet op het rechtsfeit ‘betaling onder opschortende voorwaarde’ heeft beroepen, zodat het hof art. 24 Rv Pro heeft geschonden en buiten de rechtsstrijd van de partijen is getreden.
Onderdeel 2bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 3.8 dat uit niets blijkt dat de zekerheid in 2005 was gesteld onder een tweede voorwaarde, inhoudende dat de rechtsvordering uit de aansprakelijkstelling niet zou verjaren. Volgens ESP miskent het hof met dit oordeel het accessoire karakter van de gestelde zekerheidstelling. Als de hoofdvordering (in dit geval de naheffingsaanslag van Acon Infoservice uit 2003) is verjaard, leidt dat tot verjaring c.q. het vervallen van de gestelde zekerheid, aldus het onderdeel.