Conclusie
1.Feiten
[expertisebureau 1](hierna: ‘ [expertisebureau 1] ’) heeft in opdracht van [eiseres] op 26 augustus 2016 een voorlopig taxatierapport opgesteld over de oorzaak en omvang van de schade van [eiseres] ; [6]
[expertisebureau 2](hierna: ‘ [expertisebureau 2] ’) heeft in opdracht van de Gemeente op 4 juli 2017 een expertiserapport opgesteld; [7]
[expertisebureau 1]heeft naar aanleiding van de rapporten van [expertisebureau 2] en [expertisebureau 3] op 13 december 2017 haar definitieve taxatierapport opgesteld; [9]
[ingenieursbedrijf](hierna: ‘ [ingenieursbedrijf] ’) heeft in opdracht van [eiseres] op 19 maart 2018 een hydrologisch expertiserapport opgesteld; [10]
[expertisebureau 2]heeft op 30 augustus 2018 per brief gereageerd op het rapport van [ingenieursbedrijf] ; [11] en
[expertisebureau 3]heeft op 30 augustus 2018 per brief gereageerd op het definitieve rapport van [expertisebureau 1] . [12]
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Iziet op enkele door het hof vastgestelde feiten en de wijze waarop het hof een deel van de vordering van [eiseres] heeft weergegeven;
onderdeel IIbestrijdt het oordeel dat de Gemeente niet onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld;
onderdeel IIIkomt op tegen het oordeel dat art. 3.5 Waterwet niet van toepassing of geschonden is; en
onderdeel IVbestrijdt het oordeel dat geen sprake is van opstalaansprakelijkheid.
subonderdeel 1.1klaagt [eiseres] dat deze feitenvaststelling onbegrijpelijk is, omdat het hof duikers 1 en 3 heeft verwisseld.
op perceel 2” verloren is gegaan doordat delen van de percelen blank zijn komen te staan. In rov. 3.2.2. heeft het hof, bij het weergeven van de vordering van [eiseres] , overwogen dat [eiseres] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat sprake is geweest van wateroverlast “
op perceel 2”. In
subonderdeel 1.2betoogt [eiseres] dat het hof hiermee een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de gedingstukken, omdat in het vonnis van de rechtbank staat dat sprake is van wateroverlast op de percelen 1 en 2 en de Gemeente daartegen geen grief heeft gericht.
het graven van een greppel aan de andere zijde van de [a-straat]” het water door duiker 2 wegstroomde. In
subonderdeel 1.3klaagt [eiseres] dat deze feitenvaststelling onbegrijpelijk is, omdat zij heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van het graven van een greppel, maar (slechts) van het opschonen van de bestaande sloot.
heeft moeten uitgraven”, hetgeen overeenkomt met de stelling die [eiseres] in dit subonderdeel inneemt. Dit wijst erop dat het hof de stelling van [eiseres] niet over het hoofd heeft gezien.
Bargerbeek), HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2813 (
West-Friesland) en HR 9 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5302 (
Rijnstromen)). Tussen partijen is – terecht – niet in geschil dat deze maatstaf in dit geval ook voor de gemeente geldt. Hieruit volgt dat de in het algemeen te hanteren maatstaf is of de gemeente, gezien de concrete omstandigheden van het geval, de verschillende bij het beleid betrokken belangen en de beperkte middelen, beneden de zorg van een goed beheerder is gebleven. Hoe ver de onderhoudsplicht van de gemeente gaat ter vermijding van het onder water lopen van gronden door verstopping van een duiker, hangt van verschillende factoren af. Bij het uitoefenen van haar onderhoudsplicht heeft de gemeente een zekere beleidsvrijheid maar die gaat niet zo ver dat het optreden van de gemeente slechts marginaal zou kunnen worden getoetst. Voorts mag van de gemeente worden verlangd dat, wanneer een klacht binnenkomt over een waterpeil, zij daarop adequaat reageert door naar aanleiding van die klacht een onderzoek in te stellen en zo nodig,
subonderdeel 2.1klaagt [eiseres] dat onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de Gemeente voldoende gemotiveerd heeft betwist dat duiker 2 in de jaren ’50 van de vorige eeuw is geplaatst in het kader van de ruilverkaveling. Volgens [eiseres] heeft het hof de regels omtrent de stelplicht miskend en had het hof niet ongemotiveerd voorbij mogen gaan aan de diverse argumenten van [eiseres] dat duiker 2 wel degelijk in het kader van de ruilverkaveling is aangelegd. [eiseres] betoogt ook dat het oordeel van het hof onjuist of onbegrijpelijk is, omdat de Gemeente in eerste aanleg heeft betoogd dat duiker 2 in ruilverkavelingsverband is aangelegd en daarmee sprake is van een erkenning, waarvan de Gemeente niet meer kan terugkomen.
subonderdeel 2.2betoogt [eiseres] dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat het enkele feit dat duiker 2 er is, niet betekent dat die noodzakelijk is voor de waterafvoer. [eiseres] heeft immers gesteld dat (i) een duiker niet zonder functie wordt aangelegd en (ii) de percelen van [eiseres] leegliepen toen duiker 2 was opengemaakt, waaruit volgt dat de duiker wel degelijk een functie vervult. Volgens [eiseres] had het hof in elk geval moeten motiveren wat dan wél de functie van duiker 2 is. [eiseres] klaagt ook dat het oordeel van het hof eens te meer onbegrijpelijk is, omdat zij heeft gesteld dat uit de aard van de constructie van de duiker blijkt dat het om méér water gaat dan enkel het water dat afkomstig is van de [a-straat] .
van de percelen van [eiseres]. Een andere functie zou bijvoorbeeld kunnen zijn om water uit de bermsloot en/of de daarachter gelegen wateren af te voeren en/of om waterwegen met elkaar te verbinden. Dat de percelen van [eiseres] leegliepen toen duiker 2 werd opengemaakt, toont weliswaar aan dat de duiker onder bepaalde omstandigheden een waterafvoerende functie kan vervullen, maar maakt niet dat duiker 2
noodzakelijkis in het kader van de afwatering van het gebied rondom perceel 2, zoals [eiseres] heeft gesteld. De door het hof vastgestelde omstandigheden – dat de duiker al geruime tijd niet meer functioneerde, zonder dat dit tot wateroverlast leidde, en dat [eiseres] tot de wateroverlast niet eens van het bestaan van duiker 2 op de hoogte was – wijzen ook (bepaald) niet op een dergelijke noodzaak. Het is ook niet zo dat het hof had motiveren wat dan wél de functie van duiker 2 is. Het is aan [eiseres] als eisende partij om te stellen en, na de betwisting door de Gemeente, te onderbouwen dat duiker 2 een noodzakelijke rol vervult bij de afwatering van het gebied rondom perceel 2. Het is uiteraard niet aan het hof om, als een en ander niet vast is komen te staan, toe te lichten wat dan wél de functie van duiker 2 is. Ook de stelling van [eiseres] dat het om méér water zou gaan dan enkel het water dat van de [a-straat] afkomstig is, maakt niet dat duiker 2 een noodzakelijke waterafvoerende functie vervult. Het hof heeft dus aan deze stelling voorbij mogen gaan.
Als het bewijs nog niet geleverd is door [eiseres] biedt [eiseres] aan dit bewijs te leveren door een onafhankelijke deskundige.” [20] Het bewijsaanbod van [eiseres] ziet derhalve niet zozeer op de vraag of duiker 2
noodzakelijkis in het kader van de afwatering van het gebied rondom perceel 2, maar meer op de vraag
in welke richtingduiker 2 afwatert. Dit maakt het bewijsaanbod van [eiseres] niet (voldoende) ter zake dienend, waardoor het hof daaraan voorbij heeft mogen gaan.
subonderdeel 2.3klaagt [eiseres] dat het onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof (beslissende) betekenis heeft toegekend aan de vraag of duiker 2 al lange tijd niet meer functioneerde. Dat het probleem zich pas heeft gemanifesteerd toen er veel water moest worden afgevoerd, betekent niet dat de Gemeente voor de waterafvoer niet de verantwoordelijkheid draagt of dat de duiker geen waterafvoerende functie heeft. Ook het feit dat [eiseres] duiker 2 pas ná de overvloedige regenval heeft ontdekt, doet volgens [eiseres] niet af aan de waterafvoerende functie van de duiker. [eiseres] betoogt verder dat het oordeel van het hof innerlijk tegenstrijdig of onbegrijpelijk is, omdat het hof kennelijk van oordeel is geweest dat duiker 2 feitelijk wel degelijk een functie vervult. Het hof heeft immers overwogen dat, voorafgaand aan de verstopping van duiker 2, het water wel degelijk via die duiker afliep.
noodzakelijkis voor de waterafvoer. De stellingen van [eiseres] in dit kader heeft het hof dus niet hoeven behandelen. Zij maken het oordeel van het hof ook niet innerlijk tegenstrijdig.
subonderdeel 2.4klaagt [eiseres] dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat [eiseres] haar stelling, dat duiker 2 lange tijd wél heeft gefunctioneerd, niet nader heeft onderbouwd. [eiseres] heeft immers gesteld dat (i) zij geen nieuwe sloot heeft gegraven, maar slechts de bestaande sloot aan de noordelijke zijde heeft opgeschoond en (ii) het enkele feit dat zij niet wist dat duiker 2 er lag, niet meebrengt dat de duiker al vele jaren niet meer functioneerde.
subonderdeel 2.5betoogt [eiseres] dat het onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat [eiseres] geen voldoende specifiek bewijsaanbod heeft gedaan en het geen noodzaak ziet tot het bevelen van een (nader) deskundigenbericht. [eiseres] heeft immers specifiek deskundigenbewijs aangeboden van de stelling dat duiker 2 een waterafvoerende functie had.
nietop het functioneren van de duiker in de jaren voorafgaand aan de wateroverlast in juni 2016. Het is dan ook niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat Beha Horick geen voldoende specifiek bewijsaanbod heeft gedaan en het hof geen noodzaak heeft gezien om een (nader) deskundigenbericht te bevelen.
subonderdeel 2.6klaagt [eiseres] dat het onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof heeft overwogen dat de waterafvoer rondom perceel 2 geruime tijd probleemloos heeft gefunctioneerd via de perceelduiker (door het hof ‘duiker 3’ genoemd) en duiker 1. Dit wil volgens [eiseres] namelijk nog niet zeggen dat de Gemeente heeft voldaan aan haar verplichtingen en niet beneden de zorg van een goed beheerder is gebleven.
subonderdeel 2.7klaagt [eiseres] dat het onjuist of onvoldoende gemotiveerd is dat het hof niet de essentiële stelling van [eiseres] heeft meegewogen dat het beleid van de Gemeente haar niet de vrijheid geeft om duikers niet meer te onderhouden. De Gemeente mag immers niet beneden de zorg van een goed beheerder blijven.
subonderdeel 2.8klaagt [eiseres] dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft overwogen dat op de beelden zichtbaar is dat de bermsloot op enig punt ter hoogte van perceel 1 nogal ondiep is. Volgens [eiseres] heeft het hof deze conclusie niet kunnen trekken op basis van videobeelden. Bovendien heeft [eiseres] ter zitting aangegeven dat sprake is van een vertekend beeld en dat de bermsloot overal op dezelfde diepte is uitgegraven. Ook heeft [eiseres] ter zitting aangeboden dat de proef (waarop de videobeelden betrekking hebben) nog een keer kan worden gedaan.
waaromhet water naar duiker 2 stroomt en niet, zoals voorheen, naar de perceelduiker en duiker 1. Die overwegingen zijn echter niet dragend voor het oordeel van het hof in rov. 3.5.7., dat immers erop is gegrond dat de Gemeente waterafvoer via de perceelduiker en duiker 1 als uitgangspunt mocht hanteren. De klacht van [eiseres] kan derhalve niet tot cassatie leiden.
subonderdeel 2.9klaagt [eiseres] dat het onjuist is dat het hof niet expliciet in zijn oordeel heeft betrokken dat [eiseres] heeft gesteld dat sprake is van klimaatverandering waardoor steeds extremere buien kunnen ontstaan. Ook betoogt [eiseres] dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat [eiseres] niet zou hebben betwist dat de uitzonderlijke neerslagomstandigheden zich minder vaak voordoen dan de provinciale overstromingsnorm. Volgens [eiseres] is het oordeel van het hof in elk geval onvoldoende gemotiveerd, omdat de klimaatverandering niet in de overstromingsnorm is verdisconteerd en het hof in elk geval niet heeft geoordeeld dat klimaatverandering wél in de overstromingsnorm is verdisconteerd.
subonderdeel 2.10klaagt [eiseres] dat het hof heeft miskend dat het erom gaat of de wateroverlast zou zijn opgetreden als duiker 2 open was geweest. Het hof is volgens [eiseres] tevens ten onrechte aan haar bewijsaanbod voorbijgegaan.
nietonrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld en ook geen sprake is van opstalaansprakelijkheid. Het hof heeft dan ook aan de betreffende stelling van [eiseres] en haar bewijsaanbod voorbij mogen gaan.
subonderdeel 2.11komt [eiseres] op tegen rov. 3.5.9. Volgens [eiseres] is het onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat geen doorslaggevende betekenis aan de eigen publicatie van de Gemeente kan worden toegekend. Het gaat er immers om of (enige) betekenis kan worden toegekend aan de publicatie, zijnde één van de factoren bij het bepalen van de reikwijdte van de onderhoudsplicht van de Gemeente.
subonderdeel 2.12klaagt [eiseres] dat het onjuist of onvoldoende gemotiveerd is dat het hof, bij beantwoording van de vraag of sprake is van een waterafvoerende functie van duiker 2, aan de volgende (essentiële) stellingen van [eiseres] is voorbijgegaan: (i) het feit dat op het laagste punt van de sloot een duiker is aangelegd vormt een bevestiging van de waterafvoerende functie van duiker 2, (ii) de stelling van de Gemeente, dat de percelen van [eiseres] in noordelijke richting afwateren, wordt ontkracht door de omstandigheid dat een andere duiker (duiker 30777) 75 centimeter lager ligt dan de ingang van duiker 2 en (iii) de waterafvoerende functie van duiker 2 blijkt ook uit het gegeven dat de functie van een bermsloot ruimer is dan alleen het bergen van hemelwater.
subonderdeel 3.1klaagt [eiseres] dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 3.5 Waterwet niet van toepassing is. Het hof heeft zich gebaseerd op de parlementaire geschiedenis, maar de wettekst laat volgens [eiseres] geen andere conclusie toe dan dat geen sprake is van de door het hof aangenomen beperking op de gemeentelijke zorgplicht.
subonderdeel 3.2betoogt [eiseres] dat het oordeel van het hof in rov. 3.5.13. onjuist of onbegrijpelijk is, gelet het op hetgeen [eiseres] in onderdeel II heeft uiteengezet. Deze voortbouwklachten falen, omdat geen van de klachten in onderdeel II tot cassatie leidt.
Wilnis)).”
subonderdeel 4.1klaagt [eiseres] dat het onjuist is dat het hof in rov. 3.6.3. heeft geoordeeld dat de verstopping van duiker 2 niet kan worden aangemerkt als een gebrek aan de opstal zelf. Volgens [eiseres] is het hof uitgegaan van een te beperkt opstalbegrip. Ook wanneer een opstal zijn functie niet meer kan uitoefenen door een omstandigheid die niet rechtstreeks met een defect of tekortkoming van de opstal als zodanig te maken heeft, kan de opstal immers niet voldoen aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. De omstandigheid dat het water niet door de duiker kon stromen door de aanwezigheid van zand, staat er dus niet aan in de weg dat sprake was van een gebrek aan de opstal.
als zodanig. [23] Zo is ook de aanwezigheid van ijzel op het wegdek geen gebrek in de zin van art. 6:174 BW Pro [24] en is de aanwezigheid op een openbare weg van een voorwerp dat niet tot de weg in de zin van art. 6:174 BW Pro behoort, en dat gevaar schept voor personen of zaken, geen gebrek van de weg als bedoeld in art. 6:174 lid 1 BW Pro. [25]
subonderdeel 4.2klaagt [eiseres] dat het oordeel van het hof in rov. 3.6.4. niet in stand kan blijven gelet op hetgeen [eiseres] in onderdeel II heeft aangevoerd. Deze voortbouwklacht faalt, omdat geen van de klachten in onderdeel II tot cassatie leidt.