De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens diefstal, vergezeld van geweld, gepleegd in een rijdende trein. De verdachte had de tas van de aangever weggenomen en hem een stomp in het gezicht gegeven toen deze probeerde de tas terug te krijgen.
De verdediging stelde dat de verdachte door overmatig alcoholgebruik recalcitrant was en geen oogmerk had de tas wederrechtelijk toe te eigenen. Ook werden contra-indicaties aangevoerd, zoals de drukte in de trein en het tijdstip van de gebeurtenis. De verdediging wees erop dat geen aangifte van diefstal was gedaan, maar van mishandeling.
Het hof oordeelde dat de verdachte de tas als heer en meester had vastgehouden en het oogmerk had zich de tas wederrechtelijk toe te eigenen, gelet op het weglopen met de tas en het niet loslaten toen de aangever trok. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de uiterlijke verschijningsvorm voldoende is om het oogmerk aan te nemen, ook als de verdediging contra-indicaties aandraagt.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatiemiddel faalt en dat geen reden bestaat tot vernietiging van het arrest. De bewezenverklaring en het oordeel over het oogmerk zijn niet onbegrijpelijk of onjuist.