ECLI:NL:PHR:2022:526

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2022
Publicatiedatum
31 mei 2022
Zaaknummer
20/04330
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 81 ROArt. 6:4:20 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen oplichting met valse politiehoedanigheid en babbeltruc

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van oplichting waarbij hij samen met anderen het slachtoffer onder valse voorwendselen en door het aannemen van een valse politiehoedanigheid heeft bewogen tot afgifte van in totaal €16.080,-. De oplichting vond plaats tussen 26 februari en 12 maart 2018 in Amsterdam, waarbij het slachtoffer onder meer telefonisch werd benaderd door personen die zich als politieagenten voordeden en hem dwongen geldbedragen op te nemen en over te dragen ter controle op echtheid.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het slachtoffer mede onder invloed van de onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot afgifte van het geld, ondanks het ontbreken van specifieke vaststellingen over de persoonlijkheid van het slachtoffer. Het vertrouwenwekkende karakter van de valse politiehoedanigheid, het dwingende karakter van de telefoongesprekken en het feit dat een medeverdachte zich als schoorsteenveger voordeed om contactgegevens te verkrijgen, ondersteunen dit oordeel.

Daarnaast klaagde de verdachte over de toepassing van vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover deze vervangende hechtenis is toegepast en bepaalt dat in plaats daarvan gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform art. 6:4:20 Sv Pro. Voor het overige wordt het beroep verworpen en blijft de veroordeling in stand.

Uitkomst: De veroordeling voor medeplegen van oplichting wordt bevestigd, maar de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel wordt vernietigd en vervangen door gijzeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/04330
Zitting14 juni 2022

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 22 december 2020 het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 29 november 2019 bevestigd. In dat vonnis is de verdachte wegens “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft de rechtbank beslissingen genomen over in beslag genomen voorwerpen, een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het vonnis omschreven.
2. Namens de verdachte heeft S.F.W. van ’t Hullenaar, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het door de verdachte en/of zijn medeverdachte(n) valselijk aannemen van de hoedanigheid van politieagent en de mededelingen van de verdachte en/of zijn medeverdachte(n) aan aangever een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels opleveren waardoor de aangever tot de afgifte van het geld is bewogen.
4. In het door het hof bevestigde vonnis is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 26 februari 2018 tot en met 12 maart 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever] , heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten, EUR 16.080,-, doordat hij en/of een of meer van zijn mededader zich hebben uitgegeven als politieagent, en hij en/of een of een of meer van zijn mededader tegen die [aangever] hebben gezegd dat:
- iemand geld van zijn rekening had gehaald,
- hij EUR 12.000,- contant moest opnemen,
- het gepinde bedrag (EUR 10.000,-) overhandigd moest worden ter controle op echtheid,
- het overhandigde bedrag uit valse contanten bestond,
- hij (voor verder onderzoek) wederom EUR 12.000 moest pinnen en overhandigen,
- het gepinde bedrag (EUR 5.980,-) overhandigd moest worden ter controle op echtheid,
- hij (voor verder onderzoek) wederom EUR 10.000 moest pinnen en overhandigen,
- het gepinde bedrag (EUR 100,-) overhandigd moest worden ter controle op echtheid.”
“5. In het door het hof bevestigde vonnis is de bewezenverklaring als volgt gemotiveerd: [1]
“ [aangever] heeft verklaard dat op maandag 26 februari 2018 bij zijn huis in Amsterdam werd aangebeld. Er stond een man, hierna man 1, aan de deur die vertelde dat hij de schoorsteen kwam schoonmaken. Op een gegeven moment zei de man dat hij veel samenwerkte met de politie. Hij vertelde dat er, op het adres waar aangever woont, vijf jaar geleden een kluis was leeggehaald. Hij zei dat hij dat wist, omdat hij samenwerkt met de politie. Het klopt inderdaad dat vijf jaar geleden de kluis in aangevers woning is leeggehaald. Man 1 vroeg vervolgens naar aangevers telefoonnummer om een afspraak te maken voor het daadwerkelijk schoonmaken van de schoorsteen. Aangever heeft zijn mobiele nummer en het nummer van de huistelefoon aan de man gegeven. Diezelfde dag werd aangever gebeld op zijn huistelefoon. Hij hoorde een man zeggen dat hij van de politie was. Hij herkende de stem van deze man, man 2, niet. Man 2 vroeg of aangever iemand had binnengelaten. Aangever bevestigde dat. Man 2 zei dat hij net iemand had aangehouden en een briefje met telefoonnummers bij de aangehouden man had aangetroffen.
Op 28 februari 2018 werd aangever opnieuw een aantal keren gebeld op zijn huisnummer door een man, waarvan hij de stem herkende als de stem van man 2. Man 2 vertelde dat hij vermoedde dat de aangehouden man contacten had met medewerkers van een bank. Er zou geld van aangevers rekening zijn gehaald door deze medewerkers. Man 2 zei dat aangever 12.000 euro van zijn spaarrekening naar zijn lopende rekening moest overmaken. Hij moest van man 2 deze 12.000 euro pinnen en aan hem overhandigen, zodat de man de biljetten op echtheid kon controleren. Diezelfde dag heeft aangever gepind, maar hij kon niet méér opnemen dan een bedrag van 1.000 euro. Eenmaal thuis werd hij weer op zijn huistelefoon gebeld. Hij herkende de stem van deze man weer als de stem van man 2. Aangever zei dat hij maar 1.000 euro kon opnemen. Man 2 vertelde dat het mogelijk was om 12.000 euro op te nemen en dat aangever hierover moest informeren bij de bank. Aangever is naar de bank gegaan om het te laten regelen. Daar bleek echter dat hij zijn opnamelimiet maar kon verhogen tot 10.000 euro. Hij heeft zijn limiet laten verhogen naar 10.000 euro en daarna heeft hij een bedrag van 9.000 euro gepind. Toen hij weer terug was in zijn woning werd hij weer gebeld door man 2. Hij heeft met man 2 een locatie afgesproken waar hij het geld aan man 2 kon overhandigen. Hij liep zijn woning uit en ter hoogte van [a-straat 1] werd hij door een man aangesproken. De stem van de man leek op de stem van man 2, maar dat weet aangever niet zeker. De man waar hij het geld aan overhandigde, noemt hij man 3. Aangever gaf de tas met daarin een bedrag van 10.000 euro aan man 3. Hij hoorde man 3 zeggen dat hij het geld later terug kreeg, waarna man 3 weg liep. Aangever is hierop naar zijn woning gegaan.
Op 1 maart 2018 werd hij weer door man 2 op zijn huistelefoon gebeld. Hij hoorde man 2 zeggen dat het geld dat hij een dag eerder aan hen had overhandigd, nep was. Diezelfde dag werd hij opnieuw verschillende keren gebeld door man 2. Man 2 zei dat hij opnieuw geld moest opnemen. Man 2 kwam zoals altijd zeer dwingend over. Aangever voelde zich hierdoor gedwongen om de opdrachten van de man uit te voeren. Man 2 zei verder dat hij wilde onderzoeken of er nog meer vals geld in omloop was. Man 2 verzocht aangever opnieuw om 12.000 euro te gaan pinnen.
Op 6 maart 2018 belde man 2 weer op de huistelefoon. Aangever zei dat het nog niet gelukt was om het geld van zijn beleggingsrekening over te boeken naar zijn betaalrekening. Man 2 vroeg hoeveel geld aangever op zijn betaalrekening had staan. Aangever zei dat er ongeveer 6.000 euro op stond. Man 2 vroeg of aangever het geld van zijn rekening wilde pinnen. Aangever voelde zich gedwongen om akkoord te gaan, omdat hij alles wat de man zei voor waar aannam. Diezelfde dag heeft aangever 6.000 euro gepind. Aangekomen bij zijn fiets werd hij direct aangesproken door een man, welke man hij herkende als man 3. Hij heeft vervolgens 5.980 euro aan man 3 gegeven, waarna de man naar een auto liep en weg reed. Uiteindelijk heeft aangever het hele verhaal aan zijn broer verteld, waarna het hem duidelijk werd dat hij slachtoffer is geworden van een babbeltruc. Daarna heeft aangever de politie ingelicht.
Aangever heeft verder verklaard dat hij op 12 maart 2018 om 13:30 uur weer werd gebeld door een onbekend nummer. Hij hoorde dat een mannenstem tegen hem sprak en hij herkende de stem als de stem van de man die hem de vorige keren ook had gebeld. De man vroeg aan hem of hij geld had. [aangever] zei dat hij dat niet had. De man zei dat hij naar de ING-bank moest lopen en geld moest opnemen. Op aanwijzen van de politie heeft [aangever] 100 euro opgenomen. Ongeveer dertig minuten nadat hij thuis was, werd hij nogmaals op de huistelefoon gebeld door een onbekend nummer. Hij hoorde dezelfde mannenstem die vroeg aan hem of het gelukt was met pinnen. Hij heeft de man gezegd dat hij 4000 euro had opgenomen en dat de 50.000 euro woensdag zou lukken. Hij hoorde de man zeggen dat hij wederom naar de bank moest lopen en 6000 euro moet opnemen. Hierop is [aangever] nogmaals naar de bank gelopen en heeft hij nogmaals 100 euro gepind. Omstreeks 16:15 uur werd hij gebeld en dezelfde mannenstem zei dat hij uit huis moest lopen en dat hij daar het geld moest overhandigen. Hij heeft vervolgens één envelop met 100 euro meegenomen en in een rode Dirk-tas gedaan. Hij is naar buiten gelopen over de [a-straat] in de richting van de [b-straat] . Ter hoogte van de [b-straat] zag hij een man die hij herkende als de man waar hij ook de vorige keren geld aan heeft gegeven. Hij gaf de tas aan de man. De man zei dat ze het geld zouden controleren. [aangever] is toen weggelopen.
Verbalisant [verbalisant] heeft in het bijzijn van aangever contact gezocht met de ING fraudedesk. Hij hoorde dat de medewerker van de fraudedesk hem telefonisch de volgende gegevens over de betaalrekening van aangever, voorzien van rekeningnummer [rekeningnummer] kon verstrekken:
- Op 28 februari 2018 werd om 10:55 uur een bedrag van 1000 euro van de rekening afgeschreven;
- Op 28 februari 2018 werd om 11:44 uur een bedrag van 9000 euro van de rekening afgeschreven;
- Op 6 maart 2018 [2] werd om 14:47 uur een bedrag van 5980 euro van de rekening afgeschreven.
Op de huislijn van aangever is door de politie een technische actie (tap) gestart. Er werd meermalen ingebeld door een man die gebruik maakte van telefoonnummer [telefoonnummer] . Op 12 maart 2018 om 13:15 uur vraagt deze man aan aangever of het gelukt is. Aangever ontkent dat en zegt dat het moeilijk is om geld van de beleggingsrekening op de betaalrekening te krijgen. De man zegt meermalen dat aangever 10.000 euro moet halen en 50 moet bestellen. Op de achtergrond hoort de politie iemand wat zeggen nadat de man zegt “momentje, momentje”, waarna de man nadere vragen stelt over aangevers bankrekeningen. Tevens zegt de man dat aangever er met niemand over mag praten, ook niet met zijn broer. Om 13:22 uur belt de man weer en zegt de man dat aangever die 10 gewoon bij de balie moet ophalen en zijn legitimatiebewijs moet meenemen en die 50 moet bestellen. Wederom zegt de man dat aangever er met niemand over mag praten omdat het een heel gevoelig onderzoek zou zijn. Om 13:24 uur vraagt de man of aangever het er met zijn broer over heeft gehad. Aangever ontkent dat. De man zegt dat dat goed is in verband met het onderzoek en zegt nogmaals dat aangever niets moet zeggen. Om 14:47 uur bevestigt aangever dat hij 50.000 euro heeft besteld en dat hij 4.000 euro heeft opgenomen. De man zegt dat hij dan nog 6.000 erbij moet opnemen omdat dat beter voor het onderzoek is. Om 14:49 uur zegt de man dat hij die 6 nog maar even moet regelen. Om 16:16 uur vraag de man of het gelukt is en aangever bevestigt dat. De man zegt dat aangever alles in een tassie moet doen en dan naar buiten moet lopen richting de [a-straat] . Dan zien ze elkaar zo. Om 16:21 uur vraagt de man waar aangever blijft, want “we staan te wachten”.
Op 12 maart 2018 tussen 16:00 uur en 16:25 uur voerde de politie een observatie uit.
Aangever kwam uit zijn woning en liep over de [a-straat] in de richting van de [c-straat] . In een Renault Clio met PZ in het kenteken zaten 2 mensen. Die auto parkeerde op de [a-straat] . De passagier (een man) uit die auto stapte uit en maakte contact met aangever. De man pakte de rode plastic tas van supermarktketen Dirk van den Broek over van aangever. De man liep met de tas terug in de richting van de [b-straat] , waarna de man, naar later bleek verdachte, werd aangehouden. Na die aanhouding rijdt de Renault Clio met hoge snelheid weg en wordt tien minuten later verlaten aangetroffen in de [d-straat] . Uit onderzoek blijkt dat de key card behorend bij deze auto bij een doorzoeking op 16 maart 2018 is aangetroffen in verdachtes woning.
Op 12 maart 2018 om 16:25 uur is onder verdachte een rode tas met opdruk Dirk, een envelop met opdruk ING en twee biljetten van 50 euro in beslag genomen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte met een ander of anderen aangever heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van € 16.080,-. Verdachte is degene geweest die de 100 euro van aangever in ontvangst heeft genomen. Aangever heeft verklaard dat de man aan wie hij de 100 euro heeft gegeven, ook de man is aan wie hij de overige geldbedragen heeft gegeven. De verklaring van aangever over de wijze waarop hij is opgelicht, vindt steun in de overige door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen. De rechtbank vindt deze verklaring daarom voldoende betrouwbaar om daarop een bewezenverklaring te kunnen baseren, ook voor zover de verklaring inhoudt dat het telkens dezelfde man was aan wie hij het geld moest afgegeven en verdachte dus niet alleen bij de laatste afgifte betrokken was. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Dat geldt ook voor het niet nader onderbouwde verweer dat verdachte niet slim genoeg zou zijn om een en ander te bedenken; dat verweer vindt immers zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.
Verder heeft aangever verklaard dat hij meerdere telefoongesprekken heeft gevoerd met een (mogelijk andere) man en dat op 26 februari 2018 nog een andere man bij hem in huis is geweest om een afspraak te maken om de schoorsteen te vegen. Uit de feiten en omstandigheden die zich vervolgens hebben voorgedaan, blijkt zonder meer dat onder valse voorwendselen, het aannemen van valse hoedanigheden en het vertellen van leugens door verdachte en zijn mededader(s) geld afhandig is gemaakt van aangever een en ander in de zin van artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Gelet op de aangifte, de informatie uit de tapgesprekken en informatie uit de observatie met betrekking tot de vluchtauto is de rechtbank verder van oordeel dat sprake is van medeplegen, nu daaruit blijkt van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking van uitvoering van deze oplichting.”
6. Het middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de valse hoedanigheid van politieagent gecombineerd met het verhaal dat aan aangever is verteld een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels opleveren waardoor de aangever is bewogen tot afgifte van het geld. Daartoe wordt door de steller van het middel aangevoerd dat niet kan worden gezegd dat het door de zogenaamde politieagent vertelde verhaal dermate vertrouwenwekkend is, dat het begrijpelijk is dat iemand, gelet op het gezonde wantrouwen dat men geacht wordt in het maatschappelijk verkeer aan de dag te leggen, daarin trapt, terwijl uit de bewijsmiddelen niet blijkt van bijzondere omstandigheden gelegen in de persoonlijkheid van de aangever, die dat anders maken.
7. Ik begrijp het middel aldus dat het zich niet keert tegen het oordeel van het hof dat het zich uitgeven als politieagent en de onware mededelingen die door de verdachte en/of de medeverdachte(n) zijn gedaan het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels opleveren, maar dat het zich keert tegen het oordeel van het hof dat de verdachte door het aannemen van de valse hoedanigheid en het samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot de afgifte van het geld.
8. Met betrekking tot het bestanddeel ‘beweegt’ in art. 326, eerste lid, Sr heeft de Hoge Raad in zijn overzichtsarresten van 20 december 2016 het volgende overwogen: [3]
“Van het in het bestanddeel "beweegt" tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.” [4]
9. De Hoge Raad verwijst hierbij onder meer naar zijn arrest van 15 november 2011 dat, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende inhoudt:
“Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326 Sr Pro, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.” [5]
10. In deze zaak heeft de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis geoordeeld dat onder valse voorwendselen, het aannemen van valse hoedanigheden en het vertellen van leugens door verdachte en zijn medeverdachte(n) geld afhandig is gemaakt van aangever een en ander in de zin van art. 326 Sr Pro. Daarmee heeft de rechtbank, en in navolging daarvan het hof, als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de aangever mede onder invloed van de onjuiste voorstelling van zaken, die de verdachte en zijn medeverdachte(n) door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels in het leven hebben geroepen, is overgegaan tot de afgifte van het geld. Van een situatie waarin de aangever, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken, de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien, is daarmee naar het oordeel van het hof geen sprake.
11. In de bewijsvoering is vastgesteld dat allereerst een medeverdachte zich tegenover de aangever heeft voorgedaan als schoorsteenveger die samenwerkte met de politie, kennelijk met het doel om de telefoonnummers van de aangever te verkrijgen en om de grondslag te bieden voor de onjuiste voorstelling van zaken die vervolgens in de telefoongesprekken in het leven is geroepen. Vervolgens is door iemand die zich uitgaf als politieagent aan de aangever een scenario voorgespiegeld waarin de zogenaamde schoorsteenveger door deze politieagent was aangehouden, de schoorsteenveger samenwerkte met medewerkers van de bank, deze medewerkers van de bank de aangever in feite hadden bestolen door geld van zijn rekening af te halen en dat in verband daarmee de aangever het geld dat op zijn bankrekeningen stond op echtheid moest laten controleren door de politie. Daarbij kwam de man die zich uitgaf als politieagent zeer dwingend over op de aangever, waardoor de aangever zich gedwongen voelde om de opdrachten van de man uit te voeren. De aangever heeft naar aanleiding van het hem voorgespiegelde scenario vervolgens geldbedragen van zijn bankrekening opgenomen en deze geldbedragen afgegeven aan de verdachte.
12. Ik merk op dat de bewijsvoering van het hof niets inhoudt over de persoonlijkheid van de aangever, terwijl dat, zoals blijkt uit de hiervoor aangehaalde overzichtsarresten, een relevante factor kan zijn voor de beoordeling of de aangever door de oplichtingshandelingen is bewogen tot de afgifte van de geldbedragen. Ook bij gebrek aan enige vaststelling over de persoonlijkheid van de aangever komt het oordeel van het hof dat zich in deze zaak niet de situatie voordoet waarin de aangever de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien, maar dat de aangever mede onder invloed van de onjuiste voorstelling van zaken, die de verdachte en zijn medeverdachte(n) door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels in het leven hebben geroepen, is overgegaan tot de afgifte van het geld, mij – gelet op alle omstandigheden van het geval – niet onbegrijpelijk voor. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik allereerst in aanmerking dat door de verdachte en zijn medeverdachte(n) een groot aantal onjuiste mededelingen is gedaan tegenover de aangever, waarbij door middel van deze onjuiste mededelingen, in onderlinge samenhang bezien, aan de aangever is voorgespiegeld dat hij bestolen zou zijn en dat in dat kader onderzoek door de politie noodzakelijk was. Daarbij merk ik op dat het hier niet slechts gaat om telefonische mededelingen, maar dat de voorgespiegelde voorstelling van zaken is aangevangen doordat een medeverdachte bij de aangever aan de deur is geweest, die zich heeft uitgegeven als schoorsteenveger. Verder hebben de verdachte en zijn medeverdachte(n) door zich uit te geven als politieagent gebruik gemaakt van het vertrouwenwekkende karakter dat deze functie draagt. Verder neem ik het dwingende karakter van de telefonische mededelingen in aanmerking. Ten slotte merk ik op dat hieromtrent in feitelijke aanleg geen verweer is gevoerd.
13. Gelet op het voorgaande is de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels de aangever hebben bewogen tot de afgifte van geld, mijns inziens voldoende met redenen omkleed.
14. Het middel faalt.
Het tweede middel
15. Het middel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
16. Het middel is, gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast.
17. Het middel slaagt.
Slotsom
18. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
19. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het vonnis genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Met weglating van voetnoten.
2.Het hof heeft hier een verbetering aangebracht ten opzichte van het vonnis in eerste aanleg. in het arrest is hierover het volgende opgenomen: “Het hof leest op pagina 4 van het vonnis, in het midden van de pagina na het derde gedachtestreepje (betreffende de gegevens van de betaalrekening van aangever) verbeterd: Op 6 maart 2018
3.Met weglating van voetnoten.
4.HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889,
5.HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600,