ECLI:NL:PHR:2022:562

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2022
Publicatiedatum
12 juni 2022
Zaaknummer
20/00755
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 340 SvArt. 359 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring bedreiging met taakstraf van 60 uren

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens medeplegen van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling en brandstichting. Het hof legde een taakstraf van 60 uren op, subsidiair 30 dagen hechtenis. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze bewezenverklaring.

Het cassatiemiddel betrof de motivering van het bewijs, waarbij werd aangevoerd dat het hof haar eigen waarnemingen gebruikte die in tegenstrijd zouden zijn met het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar. De Procureur-Generaal stelde dat er geen sprake was van tegenstrijdigheden die de bewezenverklaring zouden ondermijnen.

De Hoge Raad bevestigde dat de feitenrechter een ruime selectie- en waarderingsvrijheid heeft en dat het hof voldoende gemotiveerd heeft waarom het de gebruikte bewijsmiddelen betrouwbaar acht. De waarnemingen van het hof tijdens de terechtzitting zijn niet in strijd met de gebruikte bewijsmiddelen. De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd.

Ambtshalve constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor cassatie is overschreden, maar achtte dit gezien de opgelegde taakstraf niet aanleiding tot een ander rechtsgevolg. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam met taakstraf van 60 uren blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/00755
Zitting14 juni 2022
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 18 december 2019 door het gerechtshof Amsterdam wegens “medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met brandstichting” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.
Namens de verdachte heeft mr. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
II. Het middel en de bespreking daarvan
Het middel
3. Het middel klaagt dat de bewijsvoering van het hof onbegrijpelijk is, althans nadere motivering behoefde, doordat het hof “tot het bewijs heeft gebezigd een proces-verbaal van bevindingen van opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (bewijsmiddel 2), terwijl het hof, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, zelf waarnemingen heeft gedaan die in tegenstrijd zijn met de inhoud van voornoemd bewijsmiddel”.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 19 februari 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling en met brandstichting, door tegen [aangever] de volgende woorden, althans woorden van gelijke strekking, te uiten:
- we steken alles in de fik hier', en
- anders sla ik je kop eraf’, en
-ik sla je tanden uit je mond/ik ga je tanden uit je kankerbek slaan', en
- ga mee naar buiten, slaan we je daar in elkaar'.”
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte van 19 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (pagina 1 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 19 februari 2017 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van
[aangever]:
Ik ben depothouder bij DHL aan de [a-straat 1] in [plaats] . [verdachte] (
het hof begrijpt: [verdachte]) was ZZP-er bij ons. Hij heeft omstreeks 10 februari 2018 zijn laatste rit gehad. Hij kreeg nog een bedrag van ongeveer € 3.100. Dat zou op 2 maart 2018 worden gestort. Dat wist [verdachte] . [verdachte] wilde zijn geld hebben en stuurde WhatsAppberichten, inhoudende: “Ik steek je auto’s in de fik; ik steek alles in de fik, ik sla alles kort en klein”.
Op 19 februari 2018 zag ik op voornoemd adres opeens een persoon, die donker gekleed was. Die persoon droeg een zwarte North Face jas en een donkerkleurige helm. Ik zag een donkerkleurige motor met nog een persoon erop. Deze persoon stapte af en rende mijn kant op. Hij was ook in het donker gekleed. Hij een zwarte North Face jas en een zwarte helm. Ik zag op dat moment geen onderscheid tussen beide personen. Ik hoorde de persoon die voor me stond zeggen: “Ik moet mijn geld hebben anders steek ik alles in de fik, je auto’s, je pand. Je wilt niet meemaken wat er dan gebeurt. Want je kent me niet”. De andere persoon zei: “Ga maar mee naar buiten, slaan we je daar in elkaar, dan scheer ik je kaal”.
Ik bleef rustig en hield mijn handen in mijn zakken. Beide personen bleven schreeuwen. Ik heb aangegeven dat de politie er aan kwam. Ik hoorde een van die personen zeggen: “Dat kan mij niks schelen”.
De persoon die voor me stond, deed op een gegeven moment zijn helm af en ik herkende hem als [verdachte] . Ik hoorde [verdachte] zeggen:
- Ik sla je schoonzoon helemaal in elkaar”
- Ik sla je vriendin in elkaar”
- Je personeel komt niet meer naar buiten en binnen”
- Er worden morgen geen ritten gereden want ik steek alles in de fik, alle auto’s steek ik in de fik”
- Ik sla je dochter in elkaar”.
Ik hoorde de andere persoon zeggen: “Betalen! Anders sla ik je kop eraf” en “Ik sla je tanden uit je mond”.
[verdachte] en die andere persoon liepen vervolgens naar buiten. Ik zag dat de politie eraan kwam.
2. Een proces-verbaal van bevindingen van 4 maart 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (pagina 25 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
Op 4 maart 2018 heb ik de beelden (
het hof begrijpt: van 19 februari 2018) bekeken van het pand gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] . De beelden zijn genomen met een Domecamera, waardoor het hele magazijn en de ingang (roldeur) zichtbaar is. Ik zag het volgende. Verdachte [verdachte] komt via de ingang van het magazijn naar binnen gelopen. Hij doet zijn helm af. Een tweede persoon komt er achter aan gelopen; die houdt zijn zwarte helm op. Aangever [aangever] loopt naar [verdachte] . Aangever duwt met zijn buik tegen [verdachte] . Aangever zegt: “Met z’n tweeën? Wegwezen uit mijn pand”. Aangever loopt het magazijn in. [verdachte] loopt achter hem aan. De tweede man met de helm loopt naar buiten. [verdachte] zegt: “Luister [aangever] , jij gaat betalen vandaag”. Aangever duwt wederom met zijn buik tegen [verdachte] aan en zegt: “Mijn pand uit”. [verdachte] zegt: “Luister jij gaat morgen niet werken”. De man met de helm komt het magazijn weer naar binnengelopen. Er volgt een gesprek dat niet goed te verstaan is omdat men door elkaar praat op een harde wijze. Aangever staat met zijn handen in zijn zakken. [verdachte] brengt zijn gezicht dicht bij het gezicht van aangever. De man met de helm zegt het een en ander. Hierbij wijst hij naar aangever. Aangever probeert het factureren uit te leggen maar [verdachte] blijft door hem heen praten. [verdachte] blijft steeds met zijn vinger in het gezicht van aangever wijzen. De man met de helm blijft ook doorpraten. Op een gegeven moment geeft [verdachte] de man met de helm een duwrichting de uitgang. [verdachte] zegt tegen aangever: “Wat wil je doen dan, wat wil je doen dan?” Aangever zegt: “Als je zo blijft doen, doe ik helemaal niets meer”. De man met de helm praat er weer door heen. Wederom krijgt hij een duw van [verdachte] en wijst hem naar buiten. [verdachte] zegt tegen aangever: “Waarom kijk je naar hem”? Er wordt weer veel, op harde wijze, gesproken met elkaar. De man met de helm komt weer teruglopen naar [verdachte] en aangever. Hij zegt dan: “We steken alles in de fik hier” en “Ik ga je tanden uit je kankerbek slaan”. [verdachte] zegt: “Ik zweer het je, ik maak je kapot, ik ga je tent slopen. Ik steek je kankerbanden in de fik. Niemand gaat hier rijden. Jij gaat morgen niet werken. Ik heb schijt aan die regels. Ik wil mijn geld. Ik dreig niet. Ik heb niets met hun te maken, Ik wil mijn geld en wel vandaag”.
3. De verklaring van de
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 mei 2018. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[verdachte] heeft mij geappt om te vragen of ik hem een lift naar zijn werkgever kon geven. Het was een soort garage. Ik zette de motor op de stoep en we liepen naar binnen. Ik heb ook geschreeuwd. Ik ben misschien wel luidruchtig geweest. Ik heb misschien wel ‘kanker’ gezegd.
4. Een proces-verbaal yan verhoor van 19 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3] (pagina 39 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 19 februari 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van
[verdachte]:
Ik heb gezegd: “Ik steek je auto’s in de fik, ik steek alles in de fik, ik sla alles kort en klein”. U zegt dat mijn vriend (
het hof begrijpt: de verdachte) zou hebben gezegd: “Ik sla je in elkaar”. Ja, dat heeft hij gezegd.”
De bespreking van het middel
6. Blijkens het in het middel bedoelde proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is toen en aldaar noch de verdachte noch zijn raadsman verschenen. Verder houdt dit proces-verbaal onder meer het volgende in:
“De voorzitter deelt mondeling verkort mede de inhoud van de stukken van het dossier in deze strafzaak.
Voorts deelt de voorzitter mede dat het hof voorafgaand aan de zitting de beelden heeft bekeken. Het hof heeft daarop het volgende waargenomen (vanaf minuut 2.40 op IMG_0247):
- de persoon zonder helm op loopt weg van de aangever, richting de uitgang bovenin het beeld;
- de man met de helm op gaat dicht (maximaal een halve meter) op de aangever staan en praat met luide stem richting aangever;
- hoorbaar zijn de woorden ‘in de fik steken’, vrijwel direct gevolgd door ‘je banden’;
- dan komt de man zonder helm op, weer teruglopen en komt dicht op de aangever en de verdachte staan en schreeuwt in aangevers gezicht;
- de verdachte blijft daar dicht op staan en gesticuleert.
De voorzitter deelt mede dat uit de afgelegde verklaringen in het dossier valt af te leiden dat de man met de helm op de verdachte betreft.”
7. De steller van het middel neemt op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad terecht tot uitgangspunt dat de selectie- en waarderingsvrijheid ten aanzien van het beschikbare bewijsmateriaal toekomt aan de feitenrechter. [1] Het is inderdaad aan de rechter die over de feiten oordeelt om binnen de door de wet getrokken grenzen te beslissen wat hij van het beschikbare materiaal voor het bewijs betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk materiaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft de beslissingen over de selectie en waardering van dat materiaal in beginsel niet te motiveren. In een aantal specifieke gevallen is een motivering met betrekking tot deze selectie en waardering echter wel vereist, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. In welke mate de feitenrechter gehouden is zijn beslissing te motiveren, hangt onder meer af van de inhoud en de indringendheid van de argumenten die ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal zijn aangevoerd.
8. In de toelichting op het middel wordt verder terecht opgemerkt dat de waarnemingen van het hof die in het proces-verbaal van de terechtzitting zijn genoteerd door het hof
niettot het bewijs zijn gebezigd. Hoewel ik de steller van het middel kan volgen in zijn standpunt dat er gevallen denkbaar zijn waarin voor een toereikend gemotiveerde bewezenverklaring een nadere motivering kan zijn vereist voor het
niettot het bewijs bezigen van een eigen waarneming van de rechter in de zin van art. 340 Sv Pro, zie ik niet dat zo een geval zich in de voorliggende zaak voordoet. Anders dan de steller van het middel, zie ik namelijk geen significante verschillen tussen wat als waarnemingen van het hof in het proces-verbaal van de terechtzitting staat genoteerd aan de ene kant en hetgeen uit het wel voor het bewijs gebruikte proces-verbaal van de opsporingsambtenaar (bewijsmiddel 2) blijkt aan de andere kant. Ik licht dat in de volgende drie randnummers toe en ga daarbij in op de drie ‘verschillen’ die in de toelichting op het middel worden benoemd.
9.
Ten eersteblijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet, zoals de steller van het middel aanvoert, dat “het hof, anders dan de opsporingsambtenaar, niet heeft waargenomen dat verzoeker bedreigende woorden bezigt”. Uit het proces-verbaal blijkt immers dat het hof heeft waargenomen dat de verdachte – de man met de helm op – dicht (maximaal een halve meter) op de aangever gaat staan en met luide stem richting aangever praat en dat hoorbaar zijn de woorden ‘in de fik steken’, vrijwel direct gevolgd door ‘je banden’. In zoverre biedt hetgeen in het proces-verbaal van de terechtzitting staat vermeld over de waarneming van het hof geen grond voor de in cassatie betrokken stelling dat het hof niet heeft waargenomen dat de verdachte bedreigende woorden bezigt. Daarnaast verdient opmerking dat, ook als uit de in het proces-verbaal van de terechtzitting opgetekende waarnemingen van het hof niet zou blijken dat de verdachte bedreigende woorden heeft gebezigd, dit niet kan leiden tot de gevolgtrekking dat een (significant) verschil bestaat tussen de uit het proces-verbaal van de terechtzitting gedane waarneming van het hof en wat uit de gebruikte bewijsmiddelen over het gebeurde blijkt. Aan het feit dat een bepaalde, wel uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkende, omstandigheid door het hof ter terechtzitting in het kader van het mondeling mededelen van de korte inhoud van de stukken van het dossier niet als eigen waarneming uitdrukkelijk is genoemd, kan namelijk niet worden ontleend dat deze omstandigheid door de rechter onjuist of irrelevant is geacht. Dat de gebruikte bewijsmiddelen meer en uitvoerigere vaststellingen bevatten dan wat over het gebeurde is gebleken in het kader van de door het hof ter terechtzitting verkort medegedeelde inhoud van het dossier, ligt naar mijn inzicht ook nogal voor de hand. Terzijde zij opgemerkt dat over het verkort mededelen van de inhoud van de stukken door het hof niet wordt geklaagd in cassatie. Kortom, in de aangevoerde omstandigheid dat “het hof, anders dan de opsporingsambtenaar, niet heeft waargenomen dat verzoeker bedreigende woorden bezigt” zie ik geen grond voor de stelling dat een verschil bestaat tussen wat het hof blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft waargenomen en hetgeen het heeft vastgesteld aan de hand van de gebruikte bewijsmiddelen, meer in het bijzonder het genoemde proces-verbaal van de opsporingsambtenaar.
10.
Ten tweedekan ik niet inzien dat, zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld, “het hof waarneemt dat na de woorden ‘in de fik steken’ direct wordt gezegd ‘je banden’ terwijl blijkens de waarneming van de opsporingsambtenaar hiertussen een reeks aan andere uitlatingen wordt gedaan”. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt immers dat het hof onder meer heeft waargenomen dat “hoorbaar zijn de woorden ‘in de fik steken’, vrijwel direct gevolgd door ‘je banden’”. Met de toevoeging van het woord ‘vrijwel’ aan ‘direct’ heeft het hof klaarblijkelijk willen benadrukken dat er (mogelijk) een aantal voor het hof niet goed waarneembare woorden is geuit tussen de woorden ‘in de fik steken’ en de op enig moment daarna geuite woorden ‘je banden’. Nu de steller van het middel op basis van een onjuiste lezing van het proces-verbaal van de terechtzitting aanvoert dat in dit verband er een verschil bestaat tussen de waarneming van het hof die in dat proces-verbaal is opgetekend en de waarnemingen van de opsporingsambtenaar die door deze in het proces-verbaal van bevindingen zijn gerelateerd en door het hof voor het bewijs zijn gebruikt (bewijsmiddel 2), mist deze deelklacht feitelijke grondslag.
11.
Ten derdevoert de steller van het middel ten onrechte aan dat “het hof heeft waargenomen dat verzoeker wegloopt en daarna weer terug komt, terwijl dat uit de waarnemingen van de opsporingsambtenaar niet blijkt”. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep lees ik niet de waarneming van het hof dat de verdachte – de man met de helm op – is weggelopen en weer is teruggekomen. Ook in zoverre mist het in de toelichting op het middel aangevoerde dus feitelijke grondslag.
12. Overigens merk ik op dat zelfs als ervan wordt uitgegaan dat er significante verschillen bestaan tussen de niet voor het bewijs gebruikte waarnemingen van het hof die in het proces-verbaal van de terechtzitting zijn neergelegd en hetgeen blijkt uit de (wel) voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen, ik niet vermag in te zien waarom dat de in de schriftuur voorgestane conclusie zou wettigen dat de bewijsvoering van het hof onbegrijpelijk is, althans dat de bewezenverklaring nadere motivering behoefde. Het hof heeft immers ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling en met brandstichting heeft
medegepleegd door de in de bewezenverklaring omschreven woorden,
althans woorden van gelijke strekking, te uiten. De hiervoor door mij gecursiveerde onderdelen maken duidelijk dat voor een toereikend gemotiveerde bewezenverklaring in de voorliggende zaak niet van doorslaggevend belang is dat uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte zelf letterlijk ieder van de in de bewezenverklaring omschreven woorden/zinnen heeft geuit. Voldoende is immers dat de bewijsvoering van het hof grond biedt voor het oordeel dat de verdachte
tezamen en in vereniging met een anderdeze woorden,
althans woorden van gelijke strekking, heeft geuit jegens het slachtoffer. Die grond biedt de gebruikte bewijsvoering van het hof zonder meer. De door het hof niet voor het bewijs gebruikte eigen waarnemingen die in het proces-verbaal van de terechtzitting zijn genoteerd, doen daaraan, gelet ook op de ruimte die de bewezenverklaring biedt, niets af.
13. Het vorenstaande brengt mee dat het middel in alle onderdelen evident faalt.
III. Slotsom
14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
15. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 28 februari 2020. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. In het licht van de door het hof opgelegde taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, kan de Hoge Raad volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden en er geen aanleiding is om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. [2]
16. Evenmin heb ik een andere grond aangetroffen waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie – onder verwijzing naar HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
2.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,